Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9985

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
03-12-2020
Zaaknummer
200.259.620/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante is eigenares van een terrein met recreatiewoningen. Op het terrein is een rioleringsstelsel aangelegd. Buiten haar terrein is het rioleringsstelsel aangesloten op een riool dat onder vrij verval afwatert op een rioolgemaal van het waterschap. Het riool ligt in een terrein dat eigendom is van Staatsbosbeheer en door Staatsbosbeheer in erfpacht is uitgegeven aan Flevo-Landschap. De vraag is wie is eigenaar en/of onderhoudsplichtige van het riool. Toepassing van artikel 5:20 lid 2 BW in samenhang met artikel 3:4 lid 1 BW en artikel 5:3 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.259.620/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland NL18.6635)

arrest van 1 december 2020

in de zaak van

Kampeervereniging Muiderberg,

gevestigd te Lelystad,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: KVM,

advocaat: mr. L.A. van Walree-Brascamp, kantoorhoudend te Voorburg,

tegen

1 Waterschap Zuiderzeeland,

zetelend te Lelystad,

hierna: het Waterschap,

advocaat: mr. W.E.M. Klostermann, kantoorhoudend te Zwolle,

2. Gemeente Lelystad,

zetelend te Lelystad,

advocaat mr. K. Meijering , kantoorhoudend te Breda,

hierna: de Gemeente,

3. Staatsbosbeheer,

gevestigd te Amersfoort,

hierna: Staatsbosbeheer,

advocaat mr. K. Winterink, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,

4. Stichting Flevo-Landschap,

gevestigd te Lelystad,

hierna: Flevo-Landschap,

advocaat mr. C.F. van Helvoirt,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 7 januari 2020 hier over.

1.2

Op grond van dit tussenarrest heeft op 20 oktober 2020 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

2.2

KVM, een vereniging van eigenaren, heeft op 30 december 1971 een perceel grond van ruim 12 hectare in het Larserbos nabij Lelystad, kadastraal bekend Oostelijk Flevoland, sectie I, nummer 232, in erfpacht verworven van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (de RIJP).

2.3 "

Artikel 13, Riolering", van de akte van erfpacht luidt:

"1. De erfpachter is verplicht op het erfpachtsterrein voor eigen rekening een deugdelijke riolering aan te leggen, waartoe het plan door de directeur (hof: de directeur van de RIJP) dient te worden goedgekeurd.

2. De erfpachter is verplicht de aan te leggen riolering steeds goed functionerend te houden.

3. Alle op het erfpachtsterrein te stichten opstallen en overige voorzieningen dienen op de riolering te worden aangesloten.

4. De erfpachter is verplicht de op het erfpachtsterrein aan te leggen riolering aan te sluiten op de vanwege de directeur tot aan de grens van het erfpachtsterrein aan te leggen hoofdriolering.

(…)"

2.4

Bij akte van levering van 30 september 1987, ingeschreven in de openbare registers van het Kadaster op 1 oktober 1987, heeft KVM haar eerder in erfpacht verkregen terrein, samen met het perceel genummerd sectie I 290, in eigendom geleverd gekregen van Staatsbosbeheer.

2.5

KVM heeft in de zeventiger jaren op het terrein een rioleringsstelsel aangelegd, waarop alle recreatiewoningen op het terrein zijn aangesloten, dat uitmondt in een put juist buiten haar terrein. Aan de andere zijde is de put aangesloten op een door de RIJP aangelegd riool (in navolging van partijen aan te duiden als het litigieuze riool). In de put is geen afsluiter aanwezig. Het litigieuze riool liep aanvankelijk onder vrij verval naar een pompput, een verzamelpunt voor afvalwater en vandaar naar een biezenveld. Sinds 1996 loopt het litigieuze riool over een lengte van ongeveer 600 meter onder vrij verval naar rioolgemaal RG‑420, eigendom van het Waterschap. Vanaf het rioolgemaal wordt het afvalwater, samen met het afvalwater van een aantal andere terreinen en gebouwen door het Waterschap via een persleiding naar een aansluitpunt op het gemeentelijke riool nabij vliegveld Lelystad gepompt. Vanaf dat punt wordt het afvalwater samen met het binnen de gemeente Lelystad verzamelde afvalwater door de Gemeente naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie getransporteerd. De rioolwaterzuiveringsinstallatie is in eigendom en beheer bij het Waterschap.

2.6

Het litigieuze riool ligt in een terrein dat eigendom is van Staatsbeheer en dat Staasbosbeheer in erfpacht heeft uitgegeven aan Flevo-Landschap.

3 De vorderingen en beslissingen in eerste aanleg

3.1

KVM heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd:

A. voor recht te verklaren dat één van gedaagden (het Waterschap, de Gemeente, Staatsbosbeheer, Flevo-Landschap) alleen dan wel gezamenlijk met één of meer van de andere gedaagden eigenaar en/of beheerder en/of onderhoudsplichtige is en voor eigen rekening zorg dient te dragen voor beheer en onderhoud van het litigieuze riool;

B. de desbetreffende gedaagde(n), door de rechtbank aangewezen als eigenaar/beheerder/onderhoudsplichtige te bevelen tot inschrijving van deze uitspraak in de openbare registers als bedoeld in artikel 3:16 BW;

C. de desbetreffende gedaagde(n), des dat de één betalende de andere zal zijn gekweten, te veroordelen tot vergoeding van de schade die KVM lijdt dan wel in de toekomst zal lijden doordat geen onderhoud wordt gepleegd aan de desbetreffende rioolleiding, nader op te maken bij staat;

D. één van gedaagden alleen dan wel gezamenlijk met één of meer van de andere

gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2

De rechtbank heeft de vorderingen van KVM afgewezen en KVM veroordeeld in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van het Waterschap, de Gemeente, Staatsbosbeheer en Flevo-Landschap.

4 Wijzigingen van eis.

4.1

KVM heeft bij memorie van grieven (punt 20) haar eis verminderd in die zin dat zij de vordering in eerste aanleg onder B niet langer handhaaft. Ter zitting van het hof heeft KVM desgevraagd bevestigd dat ook de vordering onder C niet langer wordt gehandhaafd.

4.2

Aangezien op grond van artikel 353 Rv in samenhang met artikel 129 Rv een vermindering van eis te allen tijde is toegestaan, zal het hof recht doen op de aldus gewijzigde eis.

4.3

Vervolgens heeft KVM bij akte van 8 oktober 2019 haar eis nogmaals gewijzigd door primair te vorderen dat voor recht wordt verklaard dat het Waterschap eigenaar en/of beheerder en/of onderhoudsplichtige is en voor eigen rekening zorg dient te dragen voor beheer en onderhoud van het litigieuze riool en subsidiair te vorderen dat het Waterschap, de Gemeente, Staatsbosbeheer, Flevo-Landschap alleen dan wel gezamenlijk met één of meer van de andere gedaagden eigenaar en/of beheerder en/of onderhoudsplichtige is en voor eigen rekening zorg dient te dragen voor beheer en onderhoud van het litigieuze riool.

4.4

De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel beperkt de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als de verandering of vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eiser is gesteld.

Een reden voor een uitzondering op deze regel is niet gebleken, zodat het hof de eiswijziging niet toelaatbaar acht en recht zal doen op de oorspronkelijke eis, zoals verminderd bij memorie van grieven.

5 Bespreking van de grieven

5.1

Grief 2 gericht tegen de vaststelling van de feiten behoeft geen bespreking, omdat het hof de feiten zelf heeft vastgesteld.

5.2

De overige grieven bestrijden vanuit verschillende invalshoeken het oordeel van de rechtbank dat het Waterschap, noch de Gemeente of Staatsbosbeheer, dan wel Flevo-Landschap eigenaar en/of beheerder en/of onderhoudsplichtige is van het litigieuze riool. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.

5.3

Op grond van artikel 5:20 lid 2 BW behoort in afwijking van lid 1 de eigendom van een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, dat in, op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd, toe aan de bevoegde aanlegger van dat net dan wel aan diens rechtsopvolger.

In artikel 155 lid 1 Overgangswet nieuw BW is bepaald dat artikel 5:20 lid 2 BW, te rekenen vanaf het tijdstip van het in werking treden van dit lid, mede van toepassing is op een net dat voordien is aangelegd dan wel op dat tijdstip wordt aangelegd.

5.4

Naar het oordeel van het hof moet het rioleringsstelsel op het terrein van KVM worden aangemerkt als een net in de zin van artikel 5:20 lid 2 BW. Ten tijde van de aanleg van dat rioleringsstelsel begin jaren zeventig was KVM geen eigenaar van het terrein, maar wel de bevoegde aanlegger. Dat betekent dat KVM vanaf de aanleg van het rioleringsstelsel daarvan eigenares is geweest. Tussen partijen is dit ook niet in geschil.

5.5

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of na de aansluiting van het rioleringsstelsel van KVM op het litigieuze riool dit laatste riool een bestanddeel is geworden van het rioleringsstelsel van KVM als bedoeld in artikel 3:4 BW.

5.6

Op grond van artikel 3:4 lid 1 BW is al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting als onderdeel van een hoofdzaak heeft te gelden, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, of in de omstandigheid dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin, dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming. Het gaat om de bestemming die uit de aard van de hoofdzaak zelf voortvloeit, niet om de economische of maatschappelijke bestemming die de concrete gebruiker subjectief aan de hoofdzaak heeft gegeven. Of in een bepaald geval naar verkeersopvatting sprake is van een

bestanddeel moet in het licht van alle omstandigheden van het geval worden beoordeeld.

(zie onder andere HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474 en 7 december 2018 ECLI:NL:HR:2018:2256)

5.7

Het staat vast dat het rioleringsstelsel van KVM via een put zonder enige beperking het afvalwater afvoert naar het litigieuze riool. Tussen het rioleringsstelsel van KVM en het litigieuze riool bestaat ook geen afsluitpunt. De twee stelsels staan in open verbinding met elkaar, zonder de mogelijkheid de een van de ander af te sluiten. Het litigieuze riool dient geen andere functie dan het afvoeren van het afvalwater van het terrein van KVM naar aanvankelijk de pompput, thans het rioolgemaal RG-420. Het rioleringsstelsel van KVM kan niet functioneren zonder de mogelijkheid het afvalwater via het litigieuze riool af te voeren. Dat is in de memorie van grieven onder punt 70 en ter zitting van 20 oktober 2020 ook met zoveel woorden door KVM erkend. Anderzijds kunnen rioolgemaal RG-420 en de daarop aansluitende persleiding van het Waterschap wel zelfstandig functioneren, omdat deze voor hun functioneren niet afhankelijk zijn van het door het litigieuze riool aangevoerde afvalwater van KVM. Het litigieuze riool kan al helemaal geen bestanddeel van het gemeentelijke rioolstelsel zijn geworden vanwege het ontbreken van een rechtstreekse fysieke verbinding tussen beide.

De conclusie moet daarom zijn dat, ook al is het litigieuze riool destijds aangelegd door de RIJP, het litigieuze riool vanaf het tijdstip dat daarop het rioleringsstelsel van KVM is aangesloten bestanddeel is geworden van dat rioleringsstelsel. Dat betekent op grond van artikel 5:3 BW dat KVM vanaf dat tijdstip tevens eigenaar is van het litigieuze riool en daarmee tevens in beginsel verantwoordelijk voor het onderhoud daarvan.

Aan de vraag of Staatsbosbeheer desondanks op grond van artikel 5:20 lid 1 aanhef en onder e BW eigenaar is geworden van het litigieuze riool wordt daarom niet meer toegekomen.

5.8

Anders dan KVM heeft bepleit kan aan artikel 10.33 Wet milieubeheer geen zorgplicht van de Gemeente ten aanzien van het litigieuze riool worden ontleend, nu is komen vast te staan dat het geen openbaar riool is.

5.9

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen behoeft alles wat van de zijde van KVM in de grieven nog meer naar voren is gebracht geen bespreking meer.

Conclusie

5.10

De grieven falen zodat het vonnis van 14 februari 2019 zal worden bekrachtigd.

5.11

KVM zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5.12

Deze kosten worden aan de zijde van het Waterschap begroot op € 741,- aan verschotten (griffierecht) en € 2.148,- (2 punten, tarief II, € 1.074,- per punt) aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te vermeerderen met het nasalaris en de wettelijke rente op de wijze zoals in het dictum omschreven.

5.13

De kosten van de procedure aan de zijde van de Gemeente worden begroot op € 741,- aan verschotten (griffierecht) en € 2.148,- (2 punten, tarief II, € 1.074,- per punt) aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te vermeerderen met het nasalaris en de wettelijke rente op de wijze zoals in het dictum omschreven.

5.14

De kosten van de procedure aan de zijde van Staatsbosbeheer worden begroot op € 741,- aan verschotten (griffierecht) en € 2.148,- (2 punten, tarief II, € 1.074,- per punt) aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals in het dictum omschreven.

5.15

De kosten van de procedure aan de zijde van Flevo-Landschap worden begroot op € 741,- aan verschotten (griffierecht) en € 2.148,- (2 punten, tarief II, € 1.074,- per punt) aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van 14 februari 2019;

veroordeelt KVM in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van het Waterschap, vastgesteld op € 741,- aan verschotten en € 2.148,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te vermeerderen met € 157,- voor nasalaris van de advocaat en nogmaals € 82,- indien niet binnen veertien dagen na dagtekening aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt KVM in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van de Gemeente, vastgesteld op € 741,- aan verschotten en € 2.148,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te vermeerderen met € 157,- voor nasalaris van de advocaat en nogmaals € 82,- indien niet binnen veertien dagen na dagtekening aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt KVM in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van Staatsbosbeheer, vastgesteld op € 741,- aan verschotten en € 2.148,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt KVM in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van Flevo-Landschap, vastgesteld op € 741,- aan verschotten en € 2.148,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. B.J.H. Hofstee, mr. J.E. Wichers en mr. M.A.L.M. Willems en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020.