Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9925

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
11-01-2021
Zaaknummer
200.230.164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationale handelskoop van geiten. Weens Koopverdrag. Tekortkoming omdat geiten aan onschuldige ziekte lijden? Betekenis van feit dat voor het transport van de geiten geen gezondheidscertificaat is afgegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.230.164/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland C/05/310301 / HA ZA 16-545 / 167)

arrest van 1 december 2020

in de zaak van

de vennootschap naar Litouws recht

UAB Ivabalté,

gevestigd te Rokiskis, Litouwen,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie/verweerster in reconventie,

hierna: Ivabalté,

advocaat: mr. P.H.N. van Spanje,

tegen:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Nederlandse Schapen- en Geitenfokkersorganisatie,

gevestigd te Zaltbommel,

geïntimeerde

in eerste aanleg: gedaagde in conventie/eiseres in reconventie,

hierna: NSFO,

advocaat: mr. J.E.A.J.C. van de Laak.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 maart 2019 hier over. In dat arrest is een comparitie van partijen gelast, die op 15 april 2020 zou plaatsvinden. Vanwege de maatregelen in verband met de uitbraak van het coronavirus kon deze zitting niet plaatsvinden. Desgevraagd hebben partijen daarop het hof laten weten af te zien van een zitting.

1.2

Beide partijen hebben daarna tegelijkertijd een akte genomen op 12 mei 2020, waarbij Ivabalté twee nieuwe producties heeft overgelegd en NSFO drie nieuwe producties. Op 9 juni 2020 hebben beide partijen bij akte gelijktijdig gereageerd op de akte van de andere partij.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Ivabalté is een Litouwse agrarische onderneming die onder meer handelt in dieren. In 2015 zocht zij in Nederland voor een koper in Belarus een partij van in totaal 600 fokschapen. Omdat geen Nederlandse schapenfokker een zo grote partij schapen kon leveren, is in overleg met NSFO - als organisatie van schapenfokkers - besloten dat zij de verkoper van de schapen zou worden en dat zij ook de quarantaine van de schapen zou regelen. Alvorens ze geëxporteerd konden worden, dienden de schapen enkele weken in quarantaine te worden gehouden. Dit zou gebeuren in een stal van een veehouder in Oosterwolde, Gelderland. De fokschapen zouden in drie partijen geleverd worden in respectievelijk oktober, november en december 2017. Daartoe zijn er drie afzonderlijke contracten tussen partijen gesloten: een voor de levering van 300 schapen, een voor de levering van 100 schapen en een laatste voor de levering van 200 schapen. De eerste twee leveringen zijn zonder problemen verlopen.

2.2

Deze zaak betreft de derde levering. Daartoe is een Engelstalig contract gesloten op 25 november 2015. De koopsom bedroeg € 89.020,90, waarvan € 62.270,90 moest worden betaald op het moment van selectie, maar voordat de schapen in quarantaine werden geplaatst en het restant ad € 26.750,00 op het moment dat de schapen op transport gingen. Dat zou ook het moment van levering aan Ivabalté zijn, zo was overeengekomen. Ivabalté zou zelf het transport naar Belarus organiseren. De levering zou plaatsvinden op 24 december 2015.

2.3

In totaal zijn 210 schapen begin december 2015 in quarantaine geplaatst in Oosterwolde. Ivabalté heeft toen ook het bedrag van € 62.270,90 betaald. Voor het transport naar Belarus heeft Ivabalté vanuit Belarus een vrachtauto gestuurd die om de schapen op te halen. Die vrachtauto kwam op 23 december 2015 in Nederland aan. Op diezelfde dag, 23 december 2015, zijn de schapen in Oosterwolde gekeurd door een Nederlandse dierenarts van de NVWA en door een Belarussische veterinair inspecteur. De Belarussische inspecteur constateerde bij 19 dieren orf (ecthyma), een besmettelijke ziekte. Daarvan heeft hij meteen de autoriteiten in Minsk telefonisch op de hoogte gesteld, waarna de Belarussische autoriteiten de invoer van 200 schapen uit deze partij in Belarus hebben verboden. Ivabalté heeft vervolgens geweigerd de schapen af te nemen.

2.4

In januari 2016 heeft Ivabalté aanspraak gemaakt op terugbetaling van de koopprijs. Daarop heeft NSFO zich bij e-mail van 11 januari 2016 beroepen op de regeling van “force majeure” zoals opgenomen in het contract en gesteld dat zij niet gehouden is tot terugbetaling van de koopsom. Op dat moment stonden de schapen nog in de quarantainestal. NSFO heeft in haar e-mail medegedeeld dat zij een andere koper voor de schapen zou zoeken zodat de stalkosten zouden stoppen.

2.5

Bij brief van 21 januari 2016 schrijft Ivabalté aan NSFO dat de schapen niet voldeden aan de koopovereenkomst en aanspraak gemaakt op levering van schapen die daar wel aan voldeden dan wel op terugbetaling van de koopprijs. NSFO is daar niet op ingegaan, waarna Ivabalté bij brief van 26 mei 2016 NSFO heeft gesommeerd binnen acht dagen te verklaren dat zij alsnog zou voldoen aan de verplichtingen uit de overeenkomst, bij gebreke waarvan zij in verzuim zou zijn. Voor het geval het verzuim zou intreden, heeft zij ook aanspraak op terugbetaling van de koopprijs gemaakt. Ook hieraan is geen gehoor gegeven.

2.6

NSFO heeft de schapen aan een derde verkocht voor € 21.899,13.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Ivabalté heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd een verklaring voor recht dat de overeenkomst was ontbonden, met veroordeling van NSFO tot terugbetaling van het reeds betaalde deel van de koopprijs, vermeerderd met rente en kosten.

3.2

Zij heeft daartoe gesteld dat de partij schapen die NSFO wilde leveren niet beantwoordde aan de overeenkomst.

3.3

In reconventie vorderde NSFO:

- een verklaring voor recht dat zij van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst is bevrijd, althans dat zij daaraan pas hoeft te voldoen nadat Ivabalté haar een bedrag van € 56.324,34 heeft betaald voor de door haar gemaakte kosten en geleden schade in verband met de levering in december,

- de veroordeling van Ivabalté om aan haar nog de restantkoopsom van € 26.750,00 te betalen, althans € 4.850,87 als het restant na verrekening van de netto-opbrengst van de schapen,

- een en ander vermeerderd met rente en kosten.

Voorwaardelijk, voor het geval zij in conventie mocht worden veroordeeld tot terugbetaling, vorderde zij verder de veroordeling van Ivabalté tot betaling aan haar van € 56.324,34 wegens schade en kosten.

3.4

NSFO heeft daartoe gesteld dat Ivabalté wanprestatie heeft gepleegd door de schapen niet af te nemen en daarom schadeplichtig is jegens haar. Eventueel kan de opbrengst van de schapen daarop in mindering worden gebracht.

3.5

De rechtbank heeft geoordeeld dat orf een onschuldige ziekte is en dat een Nederlandse dierenarts van de NVWA de dieren had goedgekeurd voor de export. Omdat geen garantie was afgegeven voor de import in Belarus, was Ivabalté gehouden de schapen af te nemen. Door dit te weigeren is zij in schuldeisersverzuim geraakt, zodat zij niet gerechtigd was de koopovereenkomst te ontbinden. NSFO mocht de schapen verkopen aan een ander en de opbrengst komt op grond van artikel 6:90 lid 2 BW in de plaats van het recht van Ivabalté op levering. Daarmee is ook NSFO van haar leveringsverplichting bevrijd. De restantkoopsom moet nog aan NSFO worden betaald, minus de opbrengst van de schapen, zodat per saldo € 4.850,87 moet worden betaald.

3.6

In conventie heeft de rechtbank de vorderingen van Ivabalté afgewezen en in reconventie heeft zij voor recht verklaard dat NSFO van haar leveringsverplichting was bevrijd en Ivabalté veroordeeld tot betaling van € 4.850,87, vermeerderd met de wettelijke handelsrente. Zowel in conventie als in reconventie is Ivabalté in de kosten veroordeeld.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Ivabalté komt met zes grieven op tegen het oordeel van de rechtbank.

4.2

Het betreft hier een internationale handelskoop van dieren. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij op grond van het contract het bevoegde gerecht is en dat Nederlands recht op de overeenkomst van toepassing is. Daartegen is als zodanig niet opgekomen, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Omdat het een internationale handelskoop betreft, is naar nationaal Nederlands recht op deze overeenkomst het Weens Koopverdrag van toepassing, nu beide partijen zijn gevestigd in een Verdragsstaat. Dat het hier gaat om dieren en dieren sinds 1 juli 2016 naar Nederlands recht ingevolge artikel 3:2a BW geen zaken (meer) zijn, terwijl het Weens Koopverdrag ingevolge artikel 2 sub a alleen geldt voor roerende zaken, maakt daarbij geen verschil omdat de bepalingen met betrekking tot zaken in beginsel ook gelden voor dieren, zo volgt uit artikel 3:2a lid 2 BW. Het hof zal de zaak dan ook beoordelen op basis van het Weens Koopverdrag.

4.3

De zaak gaat erom of Ivabalté in december 2015/januari 2016 de afname van de schapen mocht weigeren omdat deze ziek zouden zijn. Zij baseert zich daarbij op de bevindingen van de Belarussische inspecteur die de schapen op 23 december 2015 heeft gekeurd en de mededeling van de Belarussische autoriteiten dat de schapen niet zouden worden toegelaten. Dat de schapen in december 2015 zijn gekeurd en dat de Belarussische inspecteur het hele koppel heeft afgekeurd voor import in Belarus omdat bij 19 schapen orf werd geconstateerd, is door NSFO als zodanig niet betwist. NSFO stelt geleverd te hebben wat is overeengekomen, namelijk schapen die vrij waren van de ziektes zoals in het contract omschreven.

Het gaat er dan dus om wat partijen ter zake zijn overeengekomen. Dat partijen meer zijn overeengekomen dan in de tekst van het contract is neergelegd, is niet gesteld of gebleken. De bedoelingen van partijen zijn in zoverre duidelijk. Dat partijen, in het licht van artikel 8 van het Weens Koopverdrag, hebben bedoeld verdergaande of andere afspraken te maken, is ook niet gesteld of anderszins gebleken.

4.4

In het contract is bepaald waaraan de dieren moeten voldoen. Artikel 4 gaat over de kwaliteit van fokschapen. Daaruit blijkt dat de schapen moeten voldoen aan de eenvormige veterinair-sanitaire voorwaarden voor de import in de Douane Unie tussen Belarus, Kazachstan en de Russische Federatie, zoals goedgekeurd bij besluit van de Commissie van die Douane Unie van 18 juni 2010, nummer 317 (hierna: Besluit 317). Voor fokschapen zijn die voorwaarden uitgewerkt in hoofdstuk 5 van Besluit 317. In dat artikel is een overzicht opgenomen van een elftal ziektesoorten waarvan schapen die men wil importeren, vrij moeten zijn. Niet in geschil is dat orf niet als ziekte staat genoemd in dat artikel.

Daarnaast is in artikel 3.11 van het contract vastgelegd dat de dieren moesten worden geleverd met een veterinair gezondheidscertificaat, afgegeven door, zo begrijpt het hof, een Nederlandse dierenarts. Tenslotte is in het contract (artikel 1.3) bepaald dat de schapen bestemd waren voor levering naar Belarus.

4.5

Ivabalté betoogt in haar eerste grief dat zij de levering van de schapen mocht weigeren (1) omdat daarvoor geen gezondheidscertificaat werd afgegeven en (2) omdat niet werd voldaan aan de regels van de OIE (de World Organisation for Animal Health, die nog onder de afkorting van haar oude naam Office International des Epizooties bekend staat), zoals vastgelegd in de Terrestrial Animal Health Code.

4.6

Vast staat dat door de Nederlandse dierenarts van de NVWA geen gezondheidscertificaat is afgegeven. Volgens NSFO is dat gebeurd omdat die dierenarts de schapen op zichzelf wel geschikt vond voor de export, maar wilde voorkomen dat de schapen in een vrachtwagen aan de Belarussische grens zouden worden tegengehouden en daar zouden stranden. Ook heeft NSFO erop gewezen dat de Nederlandse dierenarts de vrachtwagen uit Belarus waarmee de dieren vervoerd moesten gaan worden, afkeurde omdat deze niet schoon genoeg zou zijn geweest. Ivabalté heeft gesteld dat dit probleem is verholpen door de vrachtwagen te laten reinigen, hetgeen wordt bevestigd door de als productie bij akte van 12 mei 2020 door NSFO overgelegde verklaring van de Nederlandse dierenarts. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat hierin de reden is gelegen dat de gezondheidsverklaring niet is afgegeven. Dit ligt anders wat betreft het dreigende stranden van de schapen aan de Belarussische grens. Dit was een reëel gevaar omdat de Belarussische autoriteiten al op 23 december 2015 hadden laten weten, zo staat vast, dat de schapen vanwege de besmetting met orf het land niet in zouden mogen. Dat het transport problematisch zou worden, wordt ook bevestigd door de verklaring die door Ivabalté als productie A bij memorie van grieven is overgelegd van de heer [A] die haar in deze kwestie indertijd vertegenwoordigde en namens haar in Nederland aanwezig was toen de schapen werden opgehaald in december 2015. Hij heeft immers verklaard:

(…) The Dutch veterinarian wanted to give the export certificate but when [B] [de Belarussische dierenarts die de schapen eveneens zou keuren; hof] and I inspected the sheep we saw that they had spots and blisters around their mouths and on their noses. [B] contacted his superiors in Belarus and send him some pictures of the infected sheep. They told him at that moment they would not give a permit to import the sheep. (…)

De vraag is dan of dit voldoende is om met NSFO aan te nemen dat het ontbreken van het gezondheidscertificaat louter een formaliteit betreft, zoals ook de rechtbank heeft gedaan.

4.7

Het hof ziet dit anders op grond van het volgende. In haar betoog met betrekking tot de toepasselijkheid van de TAHC en meer in het bijzonder artikel 5.4.1 lid 3 van die regeling, dat gaat over dieren die in quarantaine zijn gehouden, stelt Ivabalté dat het gezondheidscertificaat geweigerd moet worden indien de dieren niet klinisch gezond (dus vrij van ziektes) zijn of niet voldoen aan de gezondheidseisen zoals overeengekomen tussen het importerende en het exporterende land.

Deze regeling stemt min of meer overeen met artikel 4 lid 1 sub b van Richtlijn 91/68/EEG van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer van schapen en geiten. Daarin is bepaald dat schapen 24 uur voordat zij geladen worden, door een officiële dierenarts moeten worden geïnspecteerd en daarbij geen klinische ziekteverschijnselen mogen vertonen. Hoewel die Richtlijn alleen geldt voor het intracommunautaire handelsverkeer van schapen (waarvan overigens tot aan de grens met Belarus sprake zou zijn), moet worden vastgesteld dat de strekking kennelijk dezelfde is als die van de regeling in TAHC: dieren met ziekteverschijnselen mogen niet getransporteerd worden. Er zijn geen aanwijzingen dat voor orf in dit kader een uitzondering geldt. Weliswaar stelt NSFO dat orf een vrij onschuldige ziekte is, maar dat laat onverlet dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat het ook uiterst besmettelijk is en op mensen kan overgaan. Omdat de regels duidelijk zijn en ook vast staat dat door de Nederlandse dierenarts geen gezondheidsverklaring is afgegeven, moet ervan worden uitgegaan dat voor schapen die verschijnselen van orf vertonen, niet een gezondheidscertificaat kón worden afgegeven. Het ontbreken van het gezondheidscertificaat is, anders dan NSFO wil doen voorkomen, daarom wel degelijk relevant.

4.8

Er waren 19 van de 210 in quarantaine geplaatste schapen ziek, zo staat vast. Partijen strijden erover of dit betekende dat voor het hele koppel, althans voor 191 schapen, geen gezondheidscertificaat kon worden afgegeven. Ivabalté heeft een verklaring overgelegd van een medewerker van de Gezondheidsdienst voor dieren, die kort gezegd stelt dat wanneer de aanwezigheid van orf in een koppel is geconstateerd, de verdere verspreiding daarvan in dat koppel niet kan worden uitgesloten, zodat niet aannemelijk is dat een gezondheidscertificaat kan worden afgegeven. NSFO heeft een verklaring van de dierenarts overgelegd die indertijd de dieren heeft gezien. Die verklaring komt erop neer dat voor de 191 gezonde schapen wel een gezondheidscertificaat had kunnen worden afgegeven, maar dat dit niet mogelijk was vanwege de weigering van de Belarussische veterinaire autoriteiten.

Ivabalté heeft gesteld de levering te hebben afgekeurd omdat de besmette schapen weliswaar zodanig waren afgezonderd dat contact onmogelijk was, maar nog wel steeds in dezelfde stal stonden.

Aangenomen mag worden dat er geen schapen met zichtbare verschijnselen van orf in quarantaine zullen zijn geplaatst. De ziekte zal gedurende de quarantaine aan het licht zijn getreden. Dat in de stal waar het koppel stond, de zieke schapen apart werden gezet, biedt in die situatie geen garantie dat andere schapen uit het koppel niet ook al waren besmet. Vast staat immers dat orf uiterst besmettelijk is. Er zijn derhalve vraagtekens te plaatsen bij de verklaring van de door NSFO geraadpleegde dierenarts. Maar ook afgezien daarvan, blijft staan dat er maar 191 niet zieke schapen geleverd konden worden terwijl er 200 schapen geleverd moesten worden én dat een gezondheidscertificaat indertijd niet is afgegeven, waardoor de dieren niet op transport konden. Dat orf wellicht een minder ernstige ziekte is dan Ivabalté stelt, doet er niet aan af dat de schapen op grond van het contract aan twee voorwaarden moesten voldoen: de schapen mochten niet een ziekte hebben als bedoeld in Besluit 317 én er moest een gezondheidscertificaat voor zijn afgegeven. Aan de eerste voorwaarde werd voldaan nu niet in geschil is dat orf als ziekte niet wordt genoemd in Besluit 317. Maar het gezondheidscertificaat was er niet, terwijl het nodig was voor het transport. Alleen met een dergelijk certificaat kon Ivabalté immers de schapen daadwerkelijk laten vervoeren naar Belarus. Het oordeel van de rechtbank - waartegen met de tweede grief wordt opgekomen - dat Ivabalté een garantie had moeten bedingen indien zij de import in Belarus had willen veiligstellen, houdt daarom ook geen stand. Het bepaalde in artikel 3.11 van het contract, waarin staat dat met de schapen onder meer een “veterinary certificate” moest worden geleverd, bood Ivabalté in principe de zekerheid dat alleen gezonde dieren aan haar geleverd konden worden, waarmee ook het voor haar rekening komende transportrisico voldoende was gedekt. Tegen deze achtergrond kon Ivabalté op basis van de tussen partijen gemaakte afspraken zoals vastgelegd in het contract ook de levering van de 191 niet zieke schapen weigeren.

4.9

Dit betekent dat de eerste en de tweede grief slagen. Ook de derde grief slaagt, waarin wordt opgekomen tegen het oordeel dat de Belarussische autoriteiten de import ten onrechte hebben geweigerd. Voor die conclusie bieden de stukken onvoldoende grond, zeker nu een gezondheidscertificaat ontbreekt. Ivabalté mocht de levering weigeren. Van schuldeisersverzuim was geen sprake. Ook de vierde grief, die daartegen opkomt, is terecht voorgesteld.

4.10

Vervolgens gaat het erom of Ivabalté de overeenkomst heeft mogen ontbinden. Dit laatste heeft zij overigens pas voor het eerst bij conclusie van antwoord in reconventie van 23 maart 2017 gevorderd. Zij stelt daartoe dat na haar brief van 26 mei 2016 NSFO vanaf 3 juni 2016 in verzuim was wat betreft de terugbetaling van de reeds betaalde koopsom en dat “daarmee de overeenkomst ook [was] ontbonden”. Een ontbinding vergt echter - met name ook onder het Weens Koopverdrag dat niet voor iedere tekortkoming een ontbinding toelaat - een uitdrukkelijke verklaring met die strekking van Ivabalté. Het hof houdt het ervoor dat die in ieder geval is uitgebracht in de conclusie van antwoord in reconventie.

4.11

NSFO heeft ter verdediging aangevoerd dat er sprake was van force majeure, zoals in artikel 7 van het contract omschreven. Daarin is bepaald:

7. Force majeure

7.1

Parties to a contract are not responsible for complete or partial failure to fulfil their obligations if it is the consequence of the circumstances of force majeure.

7.2

In the event of force majeure, neither party shall be liable for the total of partial failure to fulfil their obligations. Regulations of government, parliament and other state bodies (including Republic of Belarus) releases the parties from liability for failure to fulfil obligations as well.

Wat onder force majeure moet worden verstaan, is in het contract niet nader uitgewerkt. Naar het oordeel van het hof, ligt het in de rede hiervoor aansluiting te zoeken bij artikel 79 lid 1 van het Weens Koopverdrag. Daarin is bepaald dat een partij niet aansprakelijk is voor een tekortkoming indien zij aantoont dat de tekortkoming werd veroorzaakt door een verhindering die buiten haar macht lag en van haar redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat zij bij het sluiten van de overeenkomst met die verhindering rekening zou hebben gehouden of dat zij deze of de gevolgen ervan zou hebben vermeden of te boven zou zijn gekomen. Het hof wil wel aannemen dat de orfuitbraak is veroorzaakt door een omstandigheid die buiten de macht van NSFO lag. Maar nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de overeenkomst de strekking had gezonde schapen te leveren voor Belarus en de quarantaine er mede toe strekte om dit zeker te stellen, moet het ervoor worden gehouden dat het uitbreken van ziektes in de overeenkomst aldus is verdisconteerd dat dit voor risico van de verkoper komt. Het had dan ook op de weg van NSFO gelegen om bij voorbaat aansprakelijkheid voor een orfuitbraak uit te sluiten. Tegen die achtergrond kan een orfuitbraak niet als force majeure worden beschouwd. Het verweer faalt.

4.12

Uit de feitelijke gang van zaken komt naar voren dat NSFO heeft geweigerd andere – gezonde – schapen te leveren, ofschoon Ivabalté haar daartoe wel de gelegenheid heeft geboden. Daarmee was er naar het oordeel van het hof aan de zijde van NSFO sprake van een wezenlijke tekortkoming als bedoeld in artikel 49 lid 1 onder a van het Weens Koopverdrag, die een ontbinding rechtvaardigde. De daartoe gevorderde verklaring voor recht kan worden gegeven. Het gevolg daarvan is dat de door Ivabalté gedane aanbetaling van € 62.072,90 op de voet van artikel 81 lid 2 van het Weens Koopverdrag moet worden terugbetaald door NSFO. Ivabalté vordert daarover de wettelijke handelsrente. Het verweer van NSFO dat zij eerder slechts de wettelijke rente vorderde en nu de wettelijke handelsrente zonder een eiswijziging aan te kondigen, wordt gepasseerd. De wettelijke (handels)rente vormt de wettelijke vergoeding voor schade die is geleden als gevolg van het feit dat een bedrag al eerder betaald had moeten zijn. In geval de verschuldigdheid tot het betalen van rente ziet op betaling tot vergoeding van de handelstransactie en niet een wijze van schadeloosstelling betreft, is de wettelijke handelsrente verschuldigd. De hier bedoelde betaling is niet te beschouwen als een vorm van schadevergoeding; zij hangt naar het oordeel van het hof nauw samen met (het niet doorgaan van) de handelstransactie. Van dit laatste was hier sprake omdat het hier ging om een levering van zaken tegen betaling en beide partijen bedrijfsmatig handelden. Bij een te late betaling zou in dat geval de wettelijke handelsrente verschuldigd zijn. Niet valt in te zien waarom die rente niet ook verschuldigd zou zijn als er, achteraf bezien, zonder grond betaald is.

Wat betreft de ingangsdatum van de rente, wordt als volgt overwogen. Vanaf het intreden van verzuim op 3 juni 2016 kon Ivabalté aanspraak maken op terugbetaling. Het feit dat zij aanvankelijk aanspraak maakte op nakoming in haar brief van 26 mei 2016, maakt dat niet anders, nu zij in die brief ook al meteen terugbetaling van het door haar betaalde deel van de koopprijs heeft gevorderd voor het geval er niet zou worden nagekomen. De omstandigheid dat de ontbindingsverklaring pas is uitgebracht in de conclusie van antwoord in reconventie op 14 december 2016, doet er niet aan af dat NSFO al vanaf het moment van verzuim het geld zonder rechtsgrond onder zich hield. Het hof zal daarom de wettelijke handelsrente toewijzen vanaf 3 juni 2016, maar niet vanaf het (eerdere) moment waarop NSFO haar factuur stuurde, zoals Ivabalté kennelijk wenst.

4.13

NSFO wenst de kosten die zij in verband met de uitvoering van de overeenkomst heeft moeten maken, in verrekening te brengen. De grondslag daarvoor ontbreekt evenwel. Ivabalté is immers niet schadeplichtig jegens haar. De kosten die zij door haar eigen tekortschieten tevergeefs heeft gemaakt, dient NSFO zelf te dragen. Van verrekening kan geen sprake zijn.

4.14

Als schade vordert Ivabalté daarnaast een bedrag aan vervoerskosten in verband met tevergeefs gemaakte vervoerskosten voor het ophalen van de schapen in Nederland. Zij vorderde daarvoor aanvankelijk een verwijzing naar de schadestaatprocedure, maar heeft bij akte van 12 mei 2020 haar schade toegelicht en onder verwijzing naar een in cyrillisch schrift gestelde factuur van 17 januari 2016 van een vervoerder de schade begroot op € 3.500,00. NSFO betwist de juistheid van de factuur. De factuur is in het Russisch opgesteld, een taal die het hof beheerst. Het door Ivabalté overgelegde document betreft een factuur ad € 3.500,00 van de firma Megasila van 17 januari 2016 voor een "За простой автомобилия по заявка, от 17/12/2015 г" hetgeen betekent voor eenvoudig automobieltransport volgens aanvraag van 17 december van het jaar 2015 van Oosterwolde naar Prudok in Belarus volgens Путевой (..) от 21.12.15 hetgeen wil zeggen schema/dienstregeling d.d. 21 december 2015. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat deze rekening op een van de twee andere transporten betrekking heeft, zoals NSFO heeft geopperd. Waar verder vast staat dat indertijd een vrachtauto tevergeefs vanuit Belarus naar Nederland is gereden om de 200 schapen op te halen, is voldoende aannemelijk dat ter zake door Ivabalté kosten zijn gemaakt. Er is dan ook geen reden eraan te twijfelen dat Ivabalté deze rekening verschuldigd is. Dat is voor toewijzing voldoende. NSFO betwist bij gebrek aan wetenschap dat Ivabalté de rekening ook al heeft betaald, maar dat maakt voor haar aansprakelijkheid niet uit. Het bestaan van de schuld van Ivabalté aan Megasila is daarvoor voldoende. Het bedrag van € 3.500,00 zal daarom eveneens worden toegewezen ten titel van schadevergoeding als gevolg van de aan NSFO toerekenbare tekortkoming.

Ivabalté maakt aanspraak op vergoeding van de wettelijke handelsrente over dit bedrag. Nu het hier evenwel gaat om een vordering tot schadevergoeding en niet tot een vordering tot nakoming, mist artikel 6:119a BW toepassing. Uit het Weens Koopverdrag vloeit niet het tegendeel voort (vgl. HR 15 januari 2016, HR:2016:70). Het hof zal daarom de wettelijke rente over dit bedrag toewijzen. Die rente is verschuldigd vanaf het moment van verzuim, zijnde 3 juni 2016.

4.15

Tot slot vordert Ivabalté een bedrag van € 1.687,95 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten. Onder het Weens Koopverdrag kunnen dergelijke kosten op de voet van artikel 74 ten titel van schade worden gevorderd. Ivabalté heeft het door haar gevorderde bedrag gebaseerd op het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. NSFO heeft hier verder geen afzonderlijk bezwaar tegen gemaakt, zodat dit bedrag eveneens zal worden toegewezen. De over dit bedrag gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding.

5 Slotsom

5.1

De eerste vier grieven slagen. De vijfde en de zesde grief, die voorwaardelijk zijn geformuleerd, behoeven geen bespreking. Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd, zowel wat betreft de conventie als de reconventie en de vordering van Ivabalté tot kort gezegd een verklaring voor recht dat de koop is ontbonden en tot terugbetaling van haar aanbetaling zal alsnog worden toegewezen.

5.2

Als de in het ongelijk gestelde partij zal NSFO worden verwezen in de kosten van zowel de eerste aanleg (in conventie en in reconventie) als het hoger beroep. Die kosten zullen voor de eerste aanleg als volgt worden begroot.

In conventie: Explootkosten € 99,88 plus griffierecht € 1.929,00 is in totaal € 2.028,88 wegens verschotten. Salaris advocaat: € 1.788,00 (2 punten x tarief € 894,00).

In reconventie: Salaris advocaat: € 894,00 (2 punten x 0,5 x tarief € 894,00)

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Ivabalté zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 97,30

- griffierecht € 1.978,00

totaal verschotten € 2.075,30

- salaris advocaat € 3.918,00 (2 punten x tarief € 1.959,00)

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten alsmede de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 26 juli 2017 en doet opnieuw recht

in conventie

verklaart voor recht dat de koopovereenkomst van 25 november 2015 is ontbonden,

veroordeelt NSFO tot terugbetaling aan Ivabalté van € 62.072,90, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 3 juni 2016,

veroordeelt NSFO tot betaling aan Ivabalté van € 3.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 juni 2016 en tot betaling van € 1.687,95,

te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 oktober 2016,

in reconventie

wijst de vordering af,

en voorts

veroordeelt NSFO in de kosten, tot aan deze uitspraak wat betreft de eerste aanleg aan de zijde van Ivabalté in conventie begroot op € 2.028,88 voor verschotten en op € 1.788,00 voor salaris advocaat en in reconventie op € 894,00 voor salaris advocaat en wat betreft het hoger beroep begroot op € 2.075,30 voor verschotten en op € 3.918,00 voor salaris advocaat, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit arrest,

veroordeelt NSFO in de nakosten, begroot op € 157,00, te verhogen met € 82,00 als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, R.A. van der Pol en R.M. Wagemakers en is ondertekend door de rolraadsheer en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020.