Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9878

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
Wahv 200.269.890/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gemachtigde heeft aannemelijk gemaakt dat hij binnen de beroepstermijn per e-mail beroep heeft ingesteld bij de officier van justitie. Namens het openbaar ministerie is de ontvangst van de e-mail niet betwist. Het beroep is tijdig ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.269.890/01

CJIB-nummer

: 219292150

Uitspraak d.d.

: 30 november 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 24 september 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.J.O. Zandt, advocaat te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 16 november 2020. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.

2. De gemachtigde voert aan dat het beroep op 17 januari 2019 - en dus tijdig - is ingesteld. Dit is op twee manieren gebeurd, te weten door aanbieding aan PostNL en door verzending per e-mail. Het beroepschrift dat per post is verzonden is binnen een week na afloop van de termijn ontvangen, zodat het op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tijdig is ingediend. Ook het beroepschrift dat per e-mail is verzonden is tijdig ingediend. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde een afschrift van het beroepschrift d.d. 17 januari 2019 overgelegd, alsmede uitdraaien van de begeleidende e-mail van 17 januari 2019, de bevestiging dat deze e-mail op
17 januari 2019 is bezorgd en de bevestiging dat deze op 18 januari 2019 is gelezen.

3. De advocaat-generaal stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het per e-mail verzonden beroepschrift gelet op de door de gemachtigde overgelegde stukken tijdig is ingediend.

4. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:24, 6:7 en 6:8 van de Awb. De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd. Uit artikel 6:9 van de Awb volgt dat een beroepschrift dat binnen een week na het aflopen van de beroepstermijn per post binnenkomt nog op tijd is, zolang het beroepschrift maar voor het einde van de termijn op de post is gedaan.

5. De beslissing van de officier van justitie is op 6 december 2018 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 17 januari 2019. Het beroepschrift is gedateerd
17 januari 2019. Uit een stempel blijkt dat het per post verzonden beroepschrift op 21 januari 2019 door de officier van justitie ontvangen. Het poststempel is gedateerd 18 januari 2019. Het per post verzonden beroepschrift is dan ook niet tijdig ingediend.

6. Uit de door de gemachtigde overgelegde stukken blijkt dat hij op 17 januari 2019 om 17:47 uur een e-mail heeft verzonden naar het e-mailadres advocaten.cvom@om.nl. Als bijlage bij deze
e-mail heeft de gemachtigde een scan gevoegd van het door hem ondertekende beroepschrift. Als onderwerp van de e-mail is het onderhavige CJIB-nummer vermeld. Uit de bezorgbevestiging blijkt dat de e-mail op 17 januari 2019 om 17:47 uur is bezorgd. Uit de leesbevestiging blijkt dat de e-mail op 18 januari 2019 om 8:26 uur is gelezen.

7. Gelet op bovengenoemde stukken en in aanmerking genomen dat de ontvangst van de e-mail door de advocaat-generaal niet is betwist, is het hof van oordeel dat de gemachtigde aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdig beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie.

8. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen. Anders dan door de gemachtigde is verzocht zal het hof de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank, omdat artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, gelet op de redactie daarvan, daarin niet voorziet, maar het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie zelf beoordelen.

9. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.

10. De gemachtigde voert aan dat ook dit beroep tijdig is ingesteld, zowel door aanbieding aan PostNL als door verzending per e-mail. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde een afschrift van het beroepschrift d.d. 5 oktober 2018 overgelegd, alsmede uitdraaien van de begeleidende e-mail van
5 oktober 2018, de bevestiging dat deze e-mail op 5 oktober 2018 is bezorgd en de ontvangstbevestiging van de officier van justitie d.d. 15 oktober 2018.

11. De advocaat-generaal stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het per e-mail verzonden beroepschrift gelet op de door de gemachtigde overgelegde stukken tijdig is ingediend.

12. De inleidende beschikking is op 24 augustus 2018 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 5 oktober 2018. Het beroepschrift is gedateerd 5 oktober 2018. Uit een stempel blijkt dat het per post verzonden beroepschrift op 9 oktober 2018 door de officier van justitie is ontvangen. Het poststempel is gedateerd 8 oktober 2018. Het beroep per post verzonden is dan ook niet tijdig ingesteld.

13. Uit de door de gemachtigde overgelegde stukken blijkt dat hij op 5 oktober 2018 om 17:03 uur een e-mail heeft verzonden naar het e-mailadres advocaten.cvom@om.nl. Als bijlage bij deze
e-mail heeft de gemachtigde een scan gevoegd van het door hem ondertekende beroepschrift. Als onderwerp van de e-mail is het onderhavige CJIB-nummer vermeld. Uit de bezorgbevestiging blijkt dat de e-mail op 5 oktober 2018 om 17:03 uur is bezorgd.

14. Gelet op bovengenoemde stukken en in aanmerking genomen dat de ontvangst van de e-mail door de advocaat-generaal niet is betwist, is het hof van oordeel dat de gemachtigde aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdig beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking.

15. Het voorgaande brengt mee dat de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie dan ook gegrond verklaren en die beslissing vernietigen.

16. Vervolgens gaat het hof over tot de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 94,- voor: “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 11 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 augustus 2018 om 11:25 uur op de Thorbeckeweg, kruising Wibautstraat richting Provinciale weg in Zaandam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

17. De gemachtigde voert aan dat de gedraging wordt betwist. Alle personen die het betreffende voertuig gebruiken weten dat op de genoemde locatie een flitspaal staat en rijden daar dus niet sneller dan is toegestaan. De constatering moet dus op een verkeerde waarneming berusten. Uit een door de gemachtigde bijgevoegd nieuwsbericht van 25 januari 2016 blijkt dat de geautomatiseerde handhaving van maximumsnelheden onbetrouwbaar is. Via een Wob-verzoek heeft de gemachtigde de bij dat bericht behorende foto en NMi-verklaring ontvangen. Aan deze documenten, die hij ook in deze procedure heeft overgelegd, is niets opvallends te zien. De omstandigheid dat er ondanks dat er voor de gebruikte apparatuur een NMi-certificaat is afgegeven toch onjuiste meetresultaten worden verkregen betekent dat een dergelijke verklaring dus geen enkele garantie biedt voor de betrouwbaarheid van de apparatuur. De politie zegt dat een menselijke controle ervoor zorgt dat “onmogelijke” meetresultaten eruit worden gefilterd, maar er is geen enkele waarborg dat onjuiste meetresultaten die niet evident onmogelijk zijn er ook uit worden gefilterd. Voorts wordt betwist dat de maximumsnelheid ter plaatse duidelijk met bebording was aangegeven. Niet gebleken is dat er voorafgaand aan de snelheidscontrole een schouw heeft plaatsgevonden. Mocht komen vast te staan dat er inderdaad duidelijke bebording aanwezig was, dan wordt betwist dat die bebording is gebaseerd op een rechtsgeldig verkeersbesluit.

18. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

19. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel op basis van factoren tijd en afstand.

Gemeten (afgelezen) snelheid : 64 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 61 km per uur.

Toegestane snelheid : 50 km per uur.

Overschrijding met : 11 km per uur.

(…)

De gedraging vond plaats binnen de bebouwde kom.”

20. Voorts bevat het dossier de foto’s van de gedraging. De gegevens op deze foto's komen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht.

21. Bij het verweerschrift heeft de advocaat-generaal een NMi-verklaring overgelegd, die inhoudt dat de in deze zaak gebruikte radarsnelheidsmeter bij onderzoek op 9 november 2017 voldeed aan de Concept voorschriften meetmiddelen politie. De gegevens die in deze verklaring worden genoemd komen overeen met de gegevens die zijn opgenomen in de databalk onder de foto’s van de gedraging.

22. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de onderhavige snelheidsmeting. Daarbij stelt het hof voorop dat het uitgangspunt is dat als een gebruikt snelheidsmeetmiddel is voorzien van een typegoedkeuringsnummer, dit betekent dat het meetinstrument op basis van toetsing aan de daarvoor geldende wettelijke normen is toegelaten, zodat in beginsel mag worden uitgegaan van de betrouwbare werking daarvan. Daarnaast vindt periodieke ijking door het NMi plaats, juist om een betrouwbare meting mogelijk te maken. Het voorgaande betekent niet dat wordt uitgegaan van feilloosheid van apparatuur. Er kunnen fouten optreden. Zulks kan, afhankelijk van de vraag welke standpunten daartoe worden aangevoerd, de rechter nopen tot nader onderzoek. De omstandigheid dat uit door de gemachtigde opgevraagde stukken naar aanleiding van het nieuwsbericht van
25 januari 2016 is gebleken dat er wel eens onwaarschijnlijke metingen zijn gedaan met mobiele radarapparatuur waarvoor een NMi-verklaring was afgegeven, geeft het hof echter geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de in deze zaak verrichte meting te twijfelen dan wel daar nader onderzoek naar te laten doen. Door de gemachtigde is niets aangevoerd waaruit kan blijken dat in dit concrete geval het resultaat van de meting niet klopt. De enkele stelling dat de personen die het betreffende voertuig gebruiken weten dat op die plek een flitspaal staat en dat zij daar dus niet te snel rijden, is daarvoor onvoldoende.

23. Met betrekking tot het verweer van de gemachtigde dat niet is gebleken dat voor aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd, overweegt het hof dat de betrokkene wordt verweten te hebben gehandeld in strijd met artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 dat bepaalt dat de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom 50 km/h bedraagt. Het begin van de bebouwde kom wordt aangegeven door middel van een bord H1. Om vast te kunnen stellen dat de gedraging is verricht is het niet noodzakelijk dat wordt vastgesteld dat iedere toegangsweg tot de bebouwde kom van een bord H1 is voorzien. Voldoende is dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de bebouwde kom is ingereden is voorzien van een bord H1 (vgl. overweging 8 van het arrest van 28 februari 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2020:1803). De gemachtigde heeft echter niet vermeld welke de route met het voertuig van de betrokkene is gereden. Bij die stand van zaken is er geen reden voor twijfel aan de gegevens in het zaakoverzicht dat de gedraging plaatsvond binnen de bebouwde kom en dat de maximumsnelheid ter plaatse 50 km/h bedraagt. Bovendien blijkt uit het door de advocaat-generaal bij het verweerschrift overgelegde schouwrapport dat er op 2 augustus 2018 en 20 december 2018 een schouw heeft plaatsgevonden en dat daarbij is geconstateerd dat zich ter plaatse links en rechts van de rijbaan zowel borden H1 als borden A1 met daarop “50” bevinden. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

24. Met betrekking tot het verweer dat er geen rechtsgeldig verkeersbesluit aan de bebording ten grondslag ligt, overweegt het hof dat dit geen omstandigheid betreft die kan leiden tot matiging van de sanctie (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1055).

25. Gelet op het voorgaande zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond worden verklaard.

26. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.