Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9856

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-11-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
200.262.150/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De man voldoet in meerdere gerechtelijke procedures over de kinderalimentatie niet aan zijn verplichting om zijn (ontoereikende) inkomenspositie te onderbouwen. Dit leidt tot nodeloze kosten voor de vrouw. De man wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.262.150/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 161891)

beschikking van 26 november 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.S. Odink te Den Haag (voorheen: mr. S.E. de Geus),

en

[verweerster1] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.M. Bakker te Heerenveen (voorheen: mr. R. Tamourt),

en

[verweerster2] ,

wonende te [C] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: [verweerster2] ,

advocaat: mr. H.M. Bakker te Heerenveen,

en

[verweerder3] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep (vanaf 1 september 2020),

verder te noemen: [verweerder3] ,

advocaat: mr. H.M. Bakker te Heerenveen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 maart 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 26 juni 2019;

- het verweerschrift van de vrouw en [verweerster2] met productie(s);

- een journaalbericht van mr. De Geus van 29 juli 2019 met productie(s);

- een brief van [verweerder3] van 14 augustus 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. De Geus van 9 september 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bakker van 15 januari 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bakker van 3 augustus 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bakker van 4 augustus 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bakker van 28 september 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bakker van 6 november 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bakker van 9 november 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Odink van 11 november 2020;

- een journaalbericht van mr. Odink van 12 november 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bakker van 13 november 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bakker van 16 november 2020 met productie(s).

2.2

Omdat de op 19 juni 2020 geplande mondelinge behandeling geen doorgang kon vinden in verband met (het beleid ten aanzien van) het corona-virus en mr. Bakker namens de vrouw en [verweerster2] heeft verzocht om een nieuwe zittingsdatum te plannen, heeft de mondelinge behandeling op 17 november 2020 plaatsgevonden. Op die zitting zijn de man en de vrouw (mede namens [verweerster2] en [verweerder3] ), bijgestaan door haar advocaat, allen via een Skype-verbinding verschenen.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn de ouders van [verweerster2] (geboren [in] 1999) en [verweerder3] (geboren [in] 2002).

3.2

Bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 11 mei 2011 is bepaald dat de man met ingang van 18 oktober 2010 een bedrag van € 279,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen.

3.3

Bij beschikking van het hof Leeuwarden van 3 januari 2012 is de beschikking van

11 mei 2011 vernietigd voor zover daarbij is beslist over de periode vanaf 1 november 2011 en is bepaald dat de man met ingang van 1 november 2011 een kinderalimentatie van € 140,- per kind per maand aan de vrouw moet betalen.

3.4

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 13 april 2016 is het de vrouw toegestaan de beschikking van het hof van 3 januari 2012 ten uitvoer te leggen door middel van lijfsdwang.

3.5

Bij beschikking van 12 april 2017 heeft de rechtbank Noord-Nederland het verzoek van de man om de beschikking van het hof van 3 januari 2012 te wijzigen, in de zin dat de kinderalimentatie per 1 november 2011 op nihil wordt gesteld, afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de man (tot nihilstelling van de door hem te betalen kinderalimentatie/de kosten van levensonderhoud en studie) per 18 oktober 2010 afgewezen.

4.2

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 27 maart 2019. De grieven 1 en 3 zien op (de onderbouwing van) het inkomen van de man.

Grief 2 ziet op de verdiencapaciteit van de man. De man verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad, dat de

kinderalimentatie/onderhoud kosten levensonderhoud en studie per 18 oktober 2010 op nihil wordt gesteld, althans per datum indiening verzoekschrift, althans per in goede justitie te bepalen datum.

4.3

De vrouw en [verweerster2] hebben een verweerschrift ingediend en namens [verweerder3] is ter zitting mondeling verweer gevoerd. Zij verzoeken het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man af te wijzen onder bekrachtiging van de bestreden beschikking en tot veroordeling van de man in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing

De positie van [verweerster2] en [verweerder3]

5.1

[verweerster2] is [in] 2017 achttien jaar geworden en [verweerder3] [in] 2020. Vanaf dan zijn [verweerster2] en [verweerder3] meerderjarig en dienen zij zelfstandig aanspraak te maken op een bijdrage in de kosten van hun levensonderhoud en studie. Tevens dienen zij zelfstandig in de procedure in hoger beroep te worden betrokken. Blijkens de overgelegde stukken is de vrouw gemachtigd om voor en namens de (jong)meerderjarige [verweerster2] en [verweerder3] in rechte op te treden in de procedure in hoger beroep.

Het beroep op artikel 1:401 lid 1 en 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW)

5.2

De man heeft gesteld dat het hof bij de beschikking van 3 januari 2012, waarbij de door de man te betalen kinderalimentatie voor [verweerster2] en [verweerder3] met ingang van 1 november 2011 is vastgesteld op € 140,- per kind per maand, is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens ten aanzien van zijn inkomen. Subsidiair heeft de man aan zijn verzoek ten

grondslag gelegd dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden waardoor de vastgestelde kinderalimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

5.3

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat de man (opnieuw) onvoldoende stukken heeft overgelegd om te kunnen vaststellen wat zijn inkomen was over de betreffende perioden en heeft het verzoek om de kinderalimentatie met ingang van 18 oktober 2010 te wijzigen, omdat deze van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven zou hebben voldaan, afgewezen. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de man heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en draagkracht rechtvaardigt.

De rechtbank heeft de behoefte van [verweerster2] en [verweerder3] vastgesteld op € 279,- per kind per maand (geïndexeerd naar 2019 € 309,- per kind per maand). Omdat de man zijn inkomen

niet inzichtelijk heeft gemaakt, heeft de rechtbank de draagkracht van de man niet kunnen

vaststellen. De rechtbank heeft geoordeeld dat (gelet op de hoogte van de behoefte van de

kinderen, de hoogte van de bijdrage die de man daarin voldoet, de hoogte van het inkomen van de vrouw en het feit dat het inkomen van de man niet kan worden vastgesteld) de

destijds vastgestelde bijdrage nog steeds in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven en heeft ook het wijzigingsverzoek van de man op grond van artikel 1:401 lid 1 BW

afgewezen.

5.4

Het hof is op dezelfde gronden als de rechtbank van oordeel dat de verzoeken van de man tot wijziging van de beschikking van het hof van 3 januari 2012 moeten worden afgewezen. Het hof neemt de motivering van de rechtbank daartoe na eigen onderzoek over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt hieraan nog het volgende toe.

5.5

In de onderhavige procedure heeft de man slechts en eerst bij journaalbericht van 12 november 2020 de aangifte inkomstenbelasting 2019, de aanslag inkomstenbelasting 2018 en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2018 in het geding gebracht. De man heeft hiermee ook in hoger beroep volstrekt onvoldoende inzicht gegeven in zijn

inkomen. Dat de Belastingdienst de man overeenkomstig de door hem ingediende aangiften (op basis van de door hem zelf opgestelde jaarcijfers) heeft aangeslagen doet hier niet aan af. Het hof beoordeelt de financiële stukken in het dossier als alimentatierechter aan de hand van zelfstandige beoordelingsmaatstaven. Het hof heeft bij zijn oordeel in aanmerking genomen dat de man heeft nagelaten om, zoals door hem in zijn beroepschrift is toegezegd, de

jaarstukken van zijn onderneming te laten opstellen door een onafhankelijke en erkende boekhouder. Het hof kan de man niet volgen in zijn stelling dat hij hiervoor de financiële middelen niet had, nu hij zelf ter zitting heeft verklaard dat hij de beschikking heeft gehad over een erfenis van ruim € 20.000,--. Dat de man er voor heeft gekozen om dit geldbedrag anders te besteden en opnieuw heeft verzuimd om zijn inkomen deugdelijk te onderbouwen, komt voor zijn eigen rekening en risico.

5.6

Het hof acht het op basis van de beschikbare gegevens in het dossier en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen volstrekt onaannemelijk dat het inkomen en de draagkracht van de man ontoereikend is om de eerder vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [verweerster2] en [verweerder3] te betalen.

Voor zover de man, zoals hij ter zitting heeft verklaard maar niet met stukken heeft onderbouwd, in aanmerking komt voor de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (de zogenaamde Tozo-regeling, zijnde een aanvullende uitkering voor

levensonderhoud als het inkomen door de coronacrisis tot onder het sociaal minimum daalt) kan dit niet tot een ander oordeel leiden. De Tozo-regeling geldt pas vanaf maart 2020 en de aanvraag van een Tozo-uitkering wordt (heel) beperkt getoetst. De enkele stelling van de man dat hij een dergelijke uitkering ontvangt, brengt dan ook niet met zich dat de man

genoegzaam heeft aangetoond dat hij zich in redelijkheid niet voldoende inkomsten kon

en kan verwerven om een bijdrage in de kosten van de kinderen te kunnen voldoen.

Ook hiervoor geldt dat het hof als alimentatierechter een zelfstandig toetsingskader heeft,

als ook wat betreft de inspanningsverplichting van de onderhoudsplichtige.

Het hof heeft bij zijn oordeel in aanmerking genomen dat het een feit van algemene

bekendheid is dat er in de huidige economische omstandigheden sprake is van een tekort aan ambachtslieden. Indien het de man, zoals hij stelt, desondanks niet lukt om meer inkomen uit zijn onderneming te genereren, mag van hem verwacht worden dat hij zich er voor inzet om anderszins -bijvoorbeeld in loondienst- een hoger inkomen te realiseren zodat hij wel kan

bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kinderen. Dat de man zoals hij stelt (alleen) zichzelf kan redden met het inkomen uit zijn onderneming is niet voldoende in het kader van zijn onderhoudsverplichting.

5.7

Alles afwegende, is het hof van oordeel dat de man zijn draagkrachtverweer

(wederom) onvoldoende heeft onderbouwd zodat het hof ervan uit zal gaan dat de man

voldoende draagkracht heeft om de bij beschikking van 3 januari 2012 vastgestelde

kinderalimentatie, bij het bereiken van de meerderjarigheid omgezet in een bijdrage voor

studie en levensonderhoud, met inachtneming van de wettelijke indexering, te voldoen.

De proceskosten

5.8

Het hof ziet aanleiding om, zoals door de vrouw verzocht, de man te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. De man had moeten weten dat een nadere onderbouwing van zijn inkomenspositie onontbeerlijk was om een andere beslissing te bewerkstelligen dan die van de rechtbank. Reeds in meerdere gerechtelijke procedures is

de man immers op die noodzaak gewezen en hij heeft hier wederom niet aan voldaan.

Hij heeft door zijn wijze van procederen de vrouw nodeloos op kosten gejaagd, zodat het hof -anders dan te doen gebruikelijk in familiegerelateerde zaken- een proceskostenveroordeling zal uitspreken. De kosten van deze procedure aan de zijde van de vrouw zullen worden vastgesteld op in totaal € 2.148,-- (salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief tarief II, € 1.074,-- per punt, 2 punten: 1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor de

mondelinge behandeling bij het hof) en € 324,- aan griffierecht.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 maart 2019;

veroordeelt de man in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van de vrouw vastgesteld op € 2.148,- voor het salaris van haar advocaat en € 324,- aan griffierecht;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, M.P. den Hollander en E.F. Groot, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 26 november 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.