Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9789

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
Wahv 200.270.501/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6:6 Awb. De kantonrechter hoeft het beroep bij het (tijdig) indienen van gronden niet niet-ontvankelijk verklaren, maar kan het beroep ook ongegrond verklaren. In dat geval kunnen de inhoudelijke bezwaren tegen de sanctie in hoger beroep alsnog aan de orde worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.270.501/01

CJIB-nummer

: 222146344

Uitspraak d.d.

: 25 november 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft de gronden in de brief van 27 september 2019 buiten beschouwing gelaten omdat de gemachtigde bij brief van 13 augustus 2019 in de gelegenheid was gesteld om uiterlijk op de zitting van 25 september 2019 gronden in te dienen.

2. De gemachtigde voert aan de brief van 13 augustus 2019 niet te hebben ontvangen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de gemachtigde derhalve niet in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen.

3. Het hof stelt vast dat de kantonrechter geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:6 van de Awb. De kantonrechter heeft het beroep niet niet-ontvankelijk maar ongegrond verklaard. Dit betekent dat, zoals de gemachtigde ook voorstaat, de bezwaren die de betrokkene heeft tegen de oplegging van de sanctie, zoals blijkende uit de brief van 27 augustus 2019, in hoger beroep aan de orde kunnen komen.

4. Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 december 2018 om 15:57 uur op de Horváthweg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

5. De gemachtigde voert aan dat niet aan alle bestanddelen van artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) is voldaan. De betrokkene heeft de telefoon niet vastgehouden, maar slechts aangeraakt om op te nemen. Het toestel lag daarna op haar schoot. Bij het opnemen stond de betrokkene bovendien stil voor het verkeerslicht. De gemachtigde voert verder aan dat de verklaring van de ambtenaar onvoldoende is voor het vaststellen van de gedraging. Die verklaring betreft namelijk geen waarneming van de ambtenaar, maar een automatisch gegenereerde tekst. Ook komt aan die verklaring geen bijzondere bewijskracht toe omdat die niet op ambtseed is afgelegd. Tot slot voert de gemachtigde aan dat in strijd met de verplichting in het feitenboekje het merk en type van de telefoon niet zijn genoteerd. De opvatting dat het noteren van voornoemde gegevens niet verplicht is, is in de context van de onderhavige zaak onjuist. Er zijn namelijk elektronische apparaten die de uiterlijke verschijning van een telefoon hebben, maar geen telefoon zijn in de zin van artikel 61a van het RVV 1990. Dat in de onderhavige zaak het een telefoon betreft, doet aan het voorgaande niet af.

6. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 61a van het RVV 1990 waarin is bepaald, voor zover van belang, dat het degene die een motorvoertuig bestuurt verboden is tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden.

7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Daarvoor is een ambtsedig proces-verbaal niet vereist. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn rechterhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof. Bestuurder hield in haar rechterhand een mobiele toestel (IPhone).”

9. Dat de verklaring van de ambtenaar een standaard-tekst betreft – wat daar verder ook van zij – betekent op zichzelf niet dat de ambtenaar de gedraging, zoals omschreven, niet heeft waargenomen of niet heeft kunnen waarnemen.

10. In hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring in het zaakoverzicht. Daaruit volgt dat de ambtenaar heeft waargenomen dat de betrokkene met haar rechterhand tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthield. Daartegenover stelt de gemachtigde slechts dat de betrokkene stilstond op het moment dat zij haar mobiele telefoon aanraakte. Die ontkenning is naar het oordeel van het hof onvoldoende om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Dat slechts is vermeld dat het waargenomen toestel een iPhone betrof levert ook niet zodanige twijfel op, temeer niet nu de betrokkene niet stelt dat het om een ander toestel dan een telefoon zou gaan. Nu uit het dossier evenmin blijkt van feiten en omstandigheden die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar, kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

11. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.