Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9782

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
Wahv 200.244.599/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ne bis in idem. De kentekenhouder is bij een registercontrole beboet voor het niet-verzekeren van zijn voertuig. Daarnaast is aan een ander als bestuurder een boete opgelegd voor het rijden in dat onverzekerde voertuig. Dit zijn verschillende gedragingen, zodat er geen sprake is van twee sancties voor hetzelfde feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.244.599/01

CJIB-nummer

: 193151603

Uitspraak d.d.

: 25 november 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 125,25.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 7 december 2018 is nog een schrijven van de gemachtigde ontvangen. Een afschrift daarvan is gezonden aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep ten eerste aan dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal is opgemaakt. De gemachtigde voert onder meer aan dat het proces-verbaal de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en hetgeen ter zitting is voorgevallen behoort te bevatten, maar dat de beslissing van de kantonrechter daaraan niet voldoet. Volgens de gemachtigde kan de beslissing van de kantonrechter dus niet in stand blijven.

2. De klacht van de gemachtigde treft geen doel. Het dossier bevat een beslissing van de kantonrechter, tevens houdende het opgemaakte proces-verbaal van de zitting d.d. 8 augustus 2018.

Anders dan de gemachtigde stelt, is hierin opgenomen wat ter zitting is voorgevallen, waaronder een zakelijke weergave van het standpunt van de zittingsvertegenwoordiger van het openbaar ministerie.

3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 16 september 2015 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .

4. De gemachtigde betwist de gedraging op zichzelf niet, maar hij voert aan dat niet of onvoldoende is gebleken dat de ambtenaar bevoegd was om de onderhavige sanctie op te leggen. De gemachtigde geeft aan dat de akte en het proces-verbaal van beëdiging aangaande ambtenaar 100010 door de RDW beschikbaar zijn gesteld, maar dat deze niet zichtbaar zijn ondertekend. Ook de naam van de ambtenaar die krachtens mandaat het proces-verbaal van beëdiging heeft ondertekend ontbreekt. Hierdoor is niet controleerbaar of de stukken door een daartoe bevoegde persoon zijn ondertekend. Bij brief van 6 december 2018 heeft de gemachtigde de stukken, waarnaar hij verwijst, overgelegd. Voorts heeft de gemachtigde aangevoerd dat sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel, nu voor dezelfde gedraging een strafbeschikking is opgelegd. Tussen beide pleegdata zit nauwelijks een week. Hierbij is van belang dat uit een rapport van de Ombudsman volgt dat slechts per kwartaal een registercontrole plaatsvindt. Indien, zoals in het onderhavige geval, op willekeurige momenten kort achter elkaar registervergelijkingen plaatsvinden, kan dat ertoe leiden dat een onbeperkt aantal beschikkingen wordt opgelegd.

5. Uit het zaakoverzicht blijkt dat het opleggen van de sanctie kan worden toegerekend aan de ambtenaar van de RDW met nummer 100010. De gemachtigde heeft betreffende deze ambtenaar onder andere de akte van beëdiging van 3 mei 2013 en het bijbehorend proces-verbaal van beëdiging van 23 mei 2013 overgelegd. De stukken zijn, afgezien van de naam van degene die de stukken ondertekend heeft, geanonimiseerd.

6. Anders dan de gemachtigde stelt, bevatten de stukken die door de gemachtigde zijn overgelegd wel de naam van de ambtenaar die krachtens mandaat de besluiten heeft genomen en is de ondertekening ook – zij het gedeeltelijk – zichtbaar. Dat de stukken voor het overige zijn geanonimiseerd en de ondertekening deels is weggelakt, vormt geen aanleiding te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar.

7. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gemachtigde verder niet ontkent dat de gedraging is verricht, is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

8. Het ‘ne bis in idem’-beginsel houdt in dat niemand tweemaal mag worden gestraft voor hetzelfde feit. Uit door de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal ingewonnen informatie, zoals weergegeven in het verweerschrift, blijkt dat een strafbeschikking is opgelegd aan een andere persoon dan de betrokkene ter zake van het als bestuurder van het onderhavige motorrijtuig rijden, zonder dat daarvoor de vereiste verzekering is gesloten en in stand is gehouden. Nog daargelaten dat niet sprake is van twee registervergelijkingen, is de betrokkene dus niet tweemaal gestraft voor hetzelfde feit. Het beroep van de gemachtigde op het ne bis in idem-beginsel slaagt niet.

9. Door de gemachtigde is tot slot aangevoerd dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting, zodat de sanctie dient te worden gematigd.

10. In navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters heeft het hof bij arrest van 3 maart 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:GHARL:2017:1777) geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg - inclusief het administratief beroep - langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. Bestraffende sancties hoger dan € 1000,- worden bij schending van de redelijke termijn in beginsel gematigd. Bij sancties onder de € 1000,-, zoals de onderhavige, wordt volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden.

11. Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg niet is overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn van berechting wel overschreden. Het voorgaande betekent dat het hof volstaat met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM in hoger beroep is geschonden.

12. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.