Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9758

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
22-01-2021
Zaaknummer
200.282.758
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.282.758

(zaaknummer rechtbank Overijssel 249558)

beschikking van 24 november 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. I. Kroezen te ’s-Gravenhage,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Almelo,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Hengelo (O),

verder te noemen: de GI

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 29 juli 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 7 september 2020;

- een mailbericht van de raad van 27 oktober 2020.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 3 november 2020 plaatsgevonden.

De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is verschenen [B] . Namens de GI zijn verschenen [C] en [D] .

3 De feiten

3.1

Uit de relatie van de ouders is geboren [in] 2012 te [E]

[de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de moeder.

3.2

Bij beschikking van 21 maart 2019 heeft de rechtbank de ouders gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag en heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] eens per twee weken op vrijdagmiddag en eens per maand op zaterdag bij de vader verblijft. De moeder heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft bij tussenbeschikking van 30 januari 2020 de behandeling van de zaak aangehouden voor een raadsonderzoek naar gezag en zorg-/omgang. De raad heeft het onderzoek uitgebreid vanwege zorgen over de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] . Dit onderzoek heeft geleid tot de onderhavige procedure.

Het hof heeft op 19 november 2020 de beschikking met betrekking tot het gezamenlijk gezag bekrachtigd en met betrekking tot de zorgregeling, overeenkomstig het door de vader gewijzigde verzoek, bepaald dat [de minderjarige] bij de vader verblijft één keer per vier weken op vrijdag uit school tot 18.30 uur na het eten.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden beschikking heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 29 januari 2021.

4.2

De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en,

opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad tot bekrachtiging van die beschikking af te wijzen.

4.3

Het hof zal de grieven van de moeder gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat de minderjarige in zijn of haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

Uit het raadsrapport van 9 juni 2020 komt het volgende naar voren. Er zijn grote zorgen over [de minderjarige] . Tussen de ouders bestaan communicatieproblemen en de ouders hebben een slechte verstandhouding met elkaar. Daarnaast zijn de familiebanden voor [de minderjarige] onduidelijk. [de minderjarige] kan en mag geen deel uitmaken van het gezin van de vader en de ouders hebben haar daarover geen uitleg gegeven. Voor [de minderjarige] is niet duidelijk wie haar familie is en bij wie zij hoort. Doordat de vader [de minderjarige] soms confronteert met zijn echtgenote, terwijl zijn echtgenote dat niet wil, komt [de minderjarige] in stressvolle situaties.

De raad adviseert tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] omdat er sprake is van een zodanig bedreigde ontwikkeling dat ondertoezichtstelling nodig is. De ouders zijn onvoldoende in staat met passende acties en onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen. De raad verwacht dat als de omgang tussen de vader en [de minderjarige] goed verloopt, [de minderjarige] uitleg krijgt over haar afkomst en familiebanden en de ouders een vorm van communicatie hebben gevonden, een jeugdbeschermingsmaatregel niet meer nodig zal zijn.

5.3

De raad heeft ter zitting verklaard dat er inmiddels statusvoorlichting over het gezin van de vader aan [de minderjarige] heeft plaatsgevonden. Duidelijk is ook hoe de omgang tussen de vader en [de minderjarige] eruit zal gaan zien, nu de vader heeft aangegeven dat hij niet meer dan één vrijdagmiddag per vier weken omgang met [de minderjarige] kan hebben. De raad adviseert desondanks de volledige termijn van zes maanden uit te voeren, omdat nog afspraken moeten worden gemaakt over hoe de ouders met elkaar zullen gaan communiceren, ook in het licht van de beslissing van het hof over het gezag en de zorgregeling.

5.4

De GI heeft ter zitting verklaard dat de ondertoezichtstelling niet verlengd hoeft te worden, omdat er geen zorgen meer zijn over [de minderjarige] , ook niet ten aanzien van de loyaliteit naar haar ouders. De vader heeft aangegeven dat hij maximaal één keer per vier weken op vrijdagmiddag omgang kan hebben met [de minderjarige] . De ouders hoeven nu alleen nog een afspraak te maken over de frequentie en de wijze waarop de moeder de vader informeert over [de minderjarige] . Dit is een afspraak die volgens de GI in hele korte tijd en zonder hulp van de GI gemaakt kan worden. Op dit moment is duidelijk dat de ouders met elkaar communiceren over de omgang, dat zij afspraken met elkaar kunnen maken en dat zij deze ook nakomen.

5.5

Het hof acht aannemelijk dat op het moment dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] door de raad verzocht werd de ontwikkeling van [de minderjarige] zodanig ernstig werd bedreigd dat ondertoezichtstelling noodzakelijk was. Het hof is van oordeel dat op grond van hetgeen de raad en de GI ter zitting naar voren hebben gebracht thans geen sprake meer is van een ontwikkelingsbedreiging. Er is immers voor [de minderjarige] duidelijkheid gekomen over haar afkomst en over het gezin van de vader. Ook is er duidelijkheid over de omgang en de ouders zijn in staat om afspraken met elkaar te maken. Het hof is van oordeel dat daardoor op dit moment niet meer wordt voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255, eerste lid, BW.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking deels bekrachtigen en deels vernietigen, zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 29 juli 2020 voor zover deze zich uitstrekt over de periode tot heden;

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 29 juli 2020 met ingang van de datum van uitspraak van deze beschikking;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] af voor zover dat verzoek betrekking heeft op de periode vanaf heden.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeing-van Hees, H. Phaff en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. M. Vodegel als griffier, en is op 24 november 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.