Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9722

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
Wahv 200.269.445
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de vermelding ‘opgaven verbalisant’ in het zaakoverzicht doet vermoeden, blijken de daar vermelde voertuiggegevens afkomstig te zijn uit het kentekenregister.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.269.445/01

CJIB-nummer

: 220753400

Uitspraak d.d.

: 24 november 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde is in de gelegenheid gesteld om hierop schriftelijk of ter zitting te reageren.

De zaak is behandeld op de zitting van 10 november 2020. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

De beoordeling

1. De bezwaren in hoger beroep zijn gericht tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover deze het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond heeft verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding heeft afgewezen.

2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “Niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 oktober 2018 om 12:18 uur op het Prins Bernhardplein in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [YYY00Y] .

3. De gemachtigde betwist dat de gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene. Het dossier bevat te weinig aanknopingspunten om dat te kunnen vaststellen. Uit de stukken blijkt namelijk dat de ambtenaar louter het kenteken heeft genoteerd en niet de kenmerkende voertuiggegevens; die heeft hij later aangevuld louter aan de hand van de gegevens uit het kenteken(register). Dan blijft uitsluitend de waarneming van het kenteken over en die is onvoldoende om aan te nemen dat de gedraging is verricht. Bovendien heeft het in het dossier aanwezige zaakoverzicht niet de waarde van een ambtsedige verklaring en zijn geen andere rechtsgeldige bewijsstukken voorhanden. Daarom kan de inleidende beschikking niet in stand blijven.

4. Het hof stelt voorop dat de Wahv niet de eis stelt dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedige verklaring ten grondslag ligt. De vaststelling dat een gedraging is verricht kan ook worden gebaseerd op andere beschikbare gegevens, zoals de gegevens die zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat als verklaring van de ambtenaar, zakelijk weergegeven, dat hij direct zicht had op het verkeerslicht en dat hij zag dat dit ongeveer 4 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. Zowel bij “opgaven verbalisant” als bij “opgaven RDW” staat dat het ging om een voertuig van het merk Piaggio en type N/A. Bij opgaven RDW staat voorts dat kleur van voertuig niet is gespecificeerd.

6. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de verklaring van de ambtenaar dat het betreffende voertuig door rood reed te twijfelen. De ambtenaar heeft in het aanvullend proces-verbaal van 28 maart 2020, dat de advocaat-generaal heeft ingebracht, verklaard dat hij het kenteken goed kon lezen en rechtstreeks heeft ingevoerd in het digitale systeem Meos, en dat daardoor alle voertuiggegevens automatisch worden ingevoerd door dat systeem. Het hof leidt hieruit af dat de ambtenaar de gegevens omtrent merk en type van het voertuig niet zelf heeft ingevoerd, maar dat deze gegevens kennelijk, zonder dat het om een opgave van de ambtenaar gaat, automatisch in het zaakoverzicht terechtkomen. Er kan derhalve niet van worden uitgegaan dat de ambtenaar deze gegevens heeft waargenomen en genoteerd. Voor de vaststelling dat de gedraging is verricht, is het evenwel voldoende dat de ambtenaar het kenteken van het betreffende voertuig heeft gezien en genoteerd, en dat er geen reden is om aan zijn verklaring daaromtrent te twijfelen. De stellingen van de gemachtigde komen in feite neer op de enkele ontkenning dat de gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene en dat is onvoldoende om te twijfelen aan die verklaring van de ambtenaar. Derhalve kan op basis daarvan genoegzaam worden vastgesteld dat de onder 2. vermelde gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene.

7. De gemachtigde voert voorts aan dat niet blijkt van een deugdelijke verklaring van de ambtenaar om van staandehouding af te zien, zodat ten onrechte op kenteken is bekeurd.

8. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

9. In het zaakoverzicht staat achter "reden geen staandehouding" vermeld: "geen middelen voor staandehouding". In het aanvullend proces-verbaal verklaart de ambtenaar nog het volgende:

"Ik, verbalisant, was te voet en in burger gekleed onderweg naar het bureau. Ik had daarom niet de mogelijkheid om de bromfiets een stopteken te geven.”

10. Naar het oordeel van het hof kan op basis van de hiervoor geschetste omstandigheden worden vastgesteld dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. De ambtenaar heeft de sanctie dan ook terecht opgelegd aan de kentekenhouder.

11. De bezwaren treffen geen doel. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard.

12. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding geen bespreking. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.