Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9698

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
21-005458-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak illegaal afval storten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2021/5 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005458-19

Uitspraak d.d.: 24 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 4 oktober 2019 met parketnummer 84-039739-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

ingeschreven op het adres [woonadres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het ten laste gelegde en veroordeling ter zake van dit feit tot een geldboete van € 2.000,-, subsidiair 40 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. H.J. Pellinkhof, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter heeft de verdachte ter zake van (kort gezegd) illegaal afval storten veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van tweeduizend euro, subsidiair veertig dagen vervangende hechtenis. Verder heeft de economische politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot een bedrag van € 15.797,- vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 17 maart 2017 in de gemeente [gemeente] , al dan niet opzettelijk, zich heeft ontdaan van afvalstoffen, te weten hout en/of metaal en/of plastic, door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op en/of in de bodem te brengen en/of te verbranden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Aangever stelt dat verdachte op 17 maart 2017 grote hoeveelheden afval op zijn terrein in [gemeente] heeft gestort. De moeder van aangever, [getuige] , heeft verklaard dat zij een door de verdachte bestuurde vrachtwagen heeft gezien met een container achterop, die al schuin stond om te worden leeg gekiept. Verdachte ontkent het tenlastegelegde te hebben begaan. Het dossier bevat een aantal foto's waarop afvalstoffen te zien zijn. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij op 17 maart 2017 zijn (aldaar gestalde) containerbakken heeft weggehaald en hierbij een kleine hoeveelheid rommel, afkomstig uit één van de containerbakken, op het terrein van verdachte heeft gegooid, maar op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat daarbij sprake was van afvalstoffen bestaande uit hout en/of metaal en/of plastic. Ook anderszins bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de op het terrein aanwezige afvalstoffen door de verdachte zijn gestort.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt (na wijziging ter zitting in eerste aanleg) € 15.797,-. Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Aldus gewezen door

mr. E. de Witt, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. L.G. Wijma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K. van der Meulen, griffier,

en op 24 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.