Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:968

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-02-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
Wahv 200.261.988/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Het voertuig reed België in, zodat er geen reële mogelijkheid was voor staandehouding. De ambtenaar hoeft een duplicaatcode op het kenteken niet te noteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.261.988/01

CJIB-nummer

: 216035150

Uitspraak d.d.

: 6 februari 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 9 mei 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 23 januari 2020. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [B] .

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “rechts inhalen waar dat is verboden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 april 2018 om 18:51 uur op de A2 in Geleen met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. De betrokkene voert aan dat hij de gedraging niet heeft begaan. Op zijn kentekenplaat is een duplicaatcode met het cijfer 1 aangebracht, zodat zijn voertuig te onderscheiden is. In de verklaring van de ambtenaar ontbreekt deze duplicaatcode. De betrokkene stelt dat het een ander voertuig is geweest met hetzelfde kenteken. Bovendien is de verklaring van de ambtenaar tegenstrijdig. Hij zegt geen staandehouding te hebben verricht vanwege enorme drukte, maar ook dat het betrokken voertuig 130 a 140 km per uur heeft gereden. Dit gaat niet samen. Verder is de beslissing van de kantonrechter gebrekkig gemotiveerd, omdat er niet is ingegaan op het verweer met betrekking tot de duplicaatcode.

3. Het hof overweegt, nu de kantonrechter niet uitgebreid is ingegaan op het verweer omtrent de duplicaatcode, dit nog niet maakt dat sprake is van schending van het motiveringsbeginsel. De wet stelt geen nadere eisen aan de motivering en derhalve ook niet de eis dat op alle argumenten van de betrokkene expliciet dient te worden gereageerd. De beslissing van de kantonrechter is overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Wahv met redenen omkleed.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Rijstrook waarop betrokkene aanvankelijk reed: 1.
Rijstrook waarop betrokkene inhaalde: 3.
Snelheid waarmee betrokkene inhaalde: 120 km/h.
Aantal ingehaalde voertuigen: 8. (…)
Merk van voertuig: Audi.
Type van voertuig: Audi A5.
Kleur van voertuig: zwart. (…)
Reden geen staandehouding: geen mogelijkheid tot staandehouding door het drukke verkeer, en betrokkene reed België in. Betrokkene personenauto viel op door de snelheid waarmee deze mij eerst passeerde, daar waar 100 km/h was toegestaan met een snelheid van ongeveer 130 a 140 km/h. Hier reeds het kenteken, merk type en kleur van dit voertuig genoteerd. Bestuurder van deze personenauto liep op op de andere voertuigen die op rijstrook 1 reden met een snelheid van ongeveer 100 km/h. Vervolgens reed de bestuurder van rijstrook 1 naar rijstrook 2 en meteen door naar rijstrook 3. Hier verhoogde de bestuurder zijn snelheid weer en haalde rechts een 8 tal voertuigen in om vervolgens weer via rijstrook 2 naar rijstrook 1 te rijden. (…) Even later en een stuk verderop haalde de bestuurder van deze personenauto wederom een tweetal voertuigen rechts in (…).”

6. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat hij de bestuurder van het betrokken voertuig vanwege verkeersdrukte niet kon staande houden. Bovendien reed het voertuig België in. Op grond van artikel 18 onder a van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden mag een achtervolging over de grens worden voortgezet, indien deze betrekking heeft op personen die zich hebben onttrokken aan een vrijheidsstraf of die verdacht zijn van een strafbaar feit dat tot uitlevering aanleiding kan geven. Daarvan is hier geen sprake. Dit betekent dat de ambtenaar geen reële mogelijkheid had om de bestuurder van het voertuig staande te houden en diens identiteit vast te stellen. De sanctie is dan ook terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de kentekenhouder van het voertuig opgelegd.

7. Ten aanzien van het verweer van de betrokkene omtrent de waarneming van de ambtenaar, in het bijzonder met betrekking tot de duplicaatcode, overweegt het hof als volgt. Door de betrokkene is in hoger beroep een brief van de RDW overgelegd waaruit blijkt dat het duplicaatkentekenbewijs in april 2009 is afgegeven. Ten tijde van de afgifte hiervan bepaalde artikel 12, lid 8, van de Regeling eisen goedkeuring kentekenplaten 2000, dat kentekenplaten moeten zijn voorzien van dezelfde duplicaatcode als vermeld op het kentekenbewijs. Het hof acht het daarom aannemelijk dat de kentekenplaten van het voertuig van de betrokkene een duplicaatcode bevatten. Echter, het niet overnemen van een op de kentekenplaat aanwezige duplicaatcode bij het verbaliseren op kenteken brengt niet mee dat de sanctiebeschikking niet in stand kan blijven. Een duplicaatcode op de kentekenplaat geeft immers slechts aan dat de oorspronkelijke kentekenplaten zijn vervangen. De duplicaatcode maakt geen deel uit van de kenteken-combinatie. Dat de ambtenaar de duplicaatcode niet heeft genoteerd, geeft dan ook geen aanleiding om te betwijfelen dat de gedraging is verricht met het voertuig waarvan het kenteken ten name van de betrokkene staat geregistreerd in het kentekenregister, te meer niet nu het door de ambtenaar waargenomen merk, kleur en type van het voertuig overeenkomen met de kenmerken van het voertuig van de betrokkene.

8. In de regel mag de rechter het ervoor houden dat het motorrijtuig met het kenteken zoals dat blijkens de stukken door de politie is waargenomen en waarmee de gedraging is verricht, hetzelfde motorrijtuig is als dat waarvan het kenteken staat geregistreerd in het kentekenregister. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat een nader - eventueel aan de politie op te dragen - onderzoek moet worden ingesteld ter beantwoording van de vraag of bedoelde waarneming juist is en zo ja of het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht het juiste kenteken voerde. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn indien door de betrokkene concrete feiten en omstandigheden worden aangevoerd waaruit kan volgen dat het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht een ander is dan dat waarvan het kenteken ten name van de betrokkene staat geregistreerd in het kentekenregister.

9. Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd is daartoe onvoldoende. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene vaker ‘spooksancties’ heeft ontvangen. Dat is een omstandigheid die een aanwijzing kan zijn van kentekenfraude.

10. Gelet op het voorgaande staat vast dat de gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene. Het hof zal nu beoordelen of er redenen zijn de sanctie te matigen of achterwege te laten.

11. De betrokkene heeft ter zitting, zo begrijpt het hof, een beroep gedaan op artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Daarin is bepaald dat indien meerdere feiten, die elk op zichzelf een misdrijf of overtreding opleveren, in zodanig verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, slechts één strafbepaling wordt toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Deze bepaling is in de Wahv niet van (overeenkomstige) toepassing verklaard. Dit neemt niet weg dat indien zich een situatie voortdoet die als voortgezette handeling in de zin van bedoeld artikellid kan worden aangemerkt, daarin – op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, Wahv – grond kan worden gevonden voor het oordeel dat een of meer gedraging(en) heeft/hebben plaatsgevonden onder zodanige omstandigheden dat oplegging van een sanctie voor die gedraging(en) niet billijk is.

12. Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval geen sprake van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld. Het stelt daartoe voorop dat het verweer van de betrokkene, dat de onderhavige gedragingen en de gedraging in de zaak met WAHV-nummer 200.261.989 (waarin het hof heden eveneens uitspraak doet) als één overtreding moeten worden aangemerkt, niet kan slagen. Het betreft hier twee afzonderlijke gedragingen, die op verschillende tijdstippen zijn verricht. Dat er niet meer dan twee minuten tussen de gedragingen zit maakt de gedragingen niet minder sanctiewaardig. De betrokkene heeft tussen de twee constateringen van de ambtenaar voldoende gelegenheid gehad zijn verkeersgedrag aan te passen.

13. Er zijn terecht sancties opgelegd aan de betrokkene. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, is er geen reden voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.