Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9614

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
200.280.699
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof wijst het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te mogen verhuizen af.

1:253a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.280.699

(zaaknummer rechtbank Gelderland 364642)

beschikking van 19 november 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.A. Ray te Rotterdam,

en

[verweerder] ,

wonende op een geheim adres,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. I.M. Redert te De Meern, gemeente Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 21 april 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 juli 2020;

- het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met producties;

- het verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met producties.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft op 15 oktober 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [B] verschenen.

3 De feiten

3.1.

Het huwelijk van de partijen is [in] 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 15 februari 2019 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2012 te [C] , en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2014 te [C] ,

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3.

In het bij de echtscheidingsbeschikking van 15 februari 2019 aangehechte ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben. Ook zijn partijen een zorgregeling overeengekomen, waarbij de kinderen iedere maandag en woensdag bij de vader verblijven, alsmede om de week de zaterdag en de zondag.

3.4.

Nadien hebben partijen voormelde zorgregeling gewijzigd en zijn zij een zorgregeling overeengekomen waarbij de kinderen om de week een weekend vanaf vrijdag 18.30 uur tot maandag 18.30 uur bij de vader verblijven. Het andere weekend verblijven de kinderen van zondag 18.30 uur tot maandag 18.30 uur bij de vader. Daarnaast verblijven de kinderen iedere dinsdag van 18.30 uur tot woensdag 18.30 uur bij de vader en (ongeveer) om de week blijven zij ook op de woensdagavond bij de vader slapen.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Tussen partijen zijn in geschil de door de moeder verzochte vervangende toestemming voor verhuizing, de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling.

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder tot verkrijging van vervangende toestemming en wijziging van de zorgregeling afgewezen. In het geval de moeder besluit om zonder de kinderen te verhuizen heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de echtscheidingsbeschikking en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan gewijzigd, in die zin dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader wordt vastgesteld en een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen bij de moeder verblijven:

  • -

    om de week een weekend van vrijdag uit school tot zondag 18.30 uur;

  • -

    iedere woensdag vanuit school van 12.00 uur tot 18.30 uur;

  • -

    de gehele voorjaarsvakantie en de gehele herfstvakantie en de helft van de overige vakanties en feestdagen.

4.2.

De moeder is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

  1. de moeder vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar de [a-straat 1] in [D] ;

  2. indien de moeder vervangende toestemming krijgt om te verhuizen: als zorgregeling met de vader te bepalen dat de kinderen bij de vader verblijven:

  • -

    elke woensdag vanuit school van 12.00 uur tot 18.30 uur;

  • -

    drie weekenden in de maand van vrijdagmiddag 15.00 uur direct uit school tot en met zondag 18.30 uur;

  • -

    de gehele voorjaarsvakantie en herfstvakantie en de helft van de overige vakanties;

3. de moeder vervangende toestemming te verlenen om de kinderen in te schrijven op de basisschool [E] .

4.3.

De vader voert gemotiveerd verweer. De vader verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in het principaal hoger beroep:

de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, en

in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:

indien aan de moeder toestemming wordt verleend om met de kinderen naar [D] te verhuizen, te bepalen dat de moeder dient zorg te dragen voor het ophalen van de kinderen in [A] op woensdag- en zondagavond, de moeder te veroordelen tot betaling van een reiskostenvergoeding van € 0,19 per kilometer aan de vader, te rekenen vanaf het huisadres van de vader en het huisadres van de moeder (heen en terug) en te bepalen dat de vader bij de verdeling van de vakanties de eerste keuze heeft,

kosten rechtens.

4.4.

De moeder kan, indien haar toestemming wordt verleend om te mogen verhuizen, instemmen met het verzoek van de vader in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met instandhouding van de reeds eerder gedane verzoeken, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

5.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind en/of de schoolkeuze van het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

5.3.

Overeenkomstig vaste rechtspraak dient het hof bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de

verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in

een vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de

verhuizing;

- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is

in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

5.4.

De ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft dient in beginsel de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen. Het hof is van oordeel dat dit in de gegeven omstandigheden niet het geval is en legt hierna uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.

5.5

Het hof is van oordeel dat uit hetgeen de moeder heeft aangevoerd, de noodzaak voor de moeder om samen met de kinderen naar haar nieuwe partner in [D] te gaan verhuizen onvoldoende is gebleken. Partijen zijn in 2018 uit elkaar gegaan en hebben afgesproken dat de vader de echtelijke woning zal overnemen (de woning is sinds 1 november 2019 uitsluitend eigendom van de vader) en dat de moeder de bewoning van de echtelijke woning tijdelijk mag voortzetten totdat zij eigen woonruimte voor haar en de kinderen heeft gevonden. De moeder stelt dat zij er al tweeënhalf jaar niet in is geslaagd om woonruimte in [A] of omgeving te vinden en dat zij bij de woningbouwvereniging niet voor een urgentieverklaring in aanmerking komt. De vader heeft dit gemotiveerd betwist. Hij heeft gesteld dat hij aanvankelijk actief heeft meegezocht naar woonruimte voor de moeder en een aantal woningenopties heeft aangedragen waar de moeder geen gebruik van wilde maken. Volgens de vader kan de moeder woonruimte vinden door in haar omgeving mensen aan te spreken en briefjes te verspreiden waarin zij kenbaar maakt dat zij dringend woonruimte zoekt. Dit heeft hij zelf ook gedaan toen zij uit elkaar gingen en hij tijdelijk woonruimte nodig had, zodat de moeder voorlopig in de echtelijke woning kon blijven. Het hof is van oordeel dat de moeder tegenover deze gemotiveerde betwisting van de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om in [A] of nabije omgeving woonruimte te vinden, via de woningbouwverenigingen/coöperaties dan wel op de particuliere woningmarkt.

Naar het oordeel van het hof is hierop niet van invloed dat de vader inmiddels wil terugkeren in de voormalige echtelijke woning en de moeder daarmee in een lastige situatie brengt. De vader heeft de moeder een langere periode gegund om te zoeken naar woonruimte dan partijen hadden afgesproken bij het uiteengaan en de moeder heeft ook niet betwist dat de gebruikersvergoeding die zij voor de woning aan de vader betaalt lager is dan de lasten die de vader voor de woning moet voldoen. De vader heeft een redelijk belang bij terugkeer in de voormalige echtelijke woning.

Omdat voor het hof onvoldoende duidelijk is dat het voor de moeder onmogelijk is om woonruimte te vinden in de omgeving van [A] , staat voor het hof niet vast dat een verhuizing naar [D] het enige alternatief is voor de moeder.

5.6

Het hof passeert verder de stelling van de moeder dat zij op dit moment geen werk heeft, maar wel op zoek is naar een baan en dat haar kansen op het vinden van een baan in de regio [D] groter zijn dan het zoeken vanuit [A] . De door de moeder overgelegde lijst met sollicitaties vormt daarvoor onvoldoende onderbouwing. Hieruit kan het hof niet afleiden in hoeverre de kansen op het vinden van een baan voor de moeder per regio verschillen. Het hof constateert dat de moeder zich beperkt tot vacatures in een specifieke sector. De moeder kan ook overwegen om breder op vacatures te gaan reageren. Het hof zit in deze stelling van de moeder geen omstandigheid die een verhuizing naar [D] kan rechtvaardigen.

5.7

Verder heeft de moeder nog naar voren gebracht dat haar nieuwe partner ook een dochter heeft, [F] genaamd, en vanwege de zorg voor haar niet van [D] naar [A] kan verhuizen, terwijl [de minderjarige1] en [de minderjarige2] inmiddels al behoorlijk ingegroeid zijn in de situatie bij haar partner in [D] . In een beschikking van de rechtbank [D] van 10 juli 2020 is bepaald dat [F] haar hoofdverblijfplaats bij haar vader in [D] houdt en op doordeweekse dagen bij hem verblijft.

Het hof begrijpt dat de moeder graag een toekomst met haar nieuwe partner wil opbouwen en dat, als haar partner niet naar [A] kan verhuizen, zij graag met de kinderen naar [D] wil verhuizen. Dit belang moet echter naar het oordeel van het hof niet prevaleren boven het belang van de kinderen bij het behouden van de bestaande zorgverdeling. Er is op dit moment sprake van een co-ouderschapsregeling die goed loopt en waaraan de kinderen gewend zijn. Het feit dat de kinderen al bekend zijn met de situatie bij de nieuwe partner van de moeder en dat zij daar ook al vaak verblijven kan niet ondervangen dat een verhuizing voor de kinderen naar [D] zeer ingrijpende veranderingen in hun leven zal teweegbrengen. Er ontstaat een nieuw samengesteld gezin, de kinderen wonen dan veel verder van hun familie, zowel vader- en moederszijde, en zij moeten naar een andere basisschool en moeten nieuwe vrienden maken. Dat is al zeer ingrijpend, maar het belangrijkste punt dat aan de verhuizing in de weg staat, is dat deze verhuizing onvermijdelijk tot gevolg zal hebben dat de vader een veel kleinere rol als opvoeder in het leven van de [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gaat krijgen. De moeder heeft weliswaar getracht dit te compenseren door het aanbieden van een uitgebreide zorgregeling voor de weekenden en de vakanties, maar zoals de adviseur van de raad tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft opgemerkt, is een verblijf van de kinderen in de weekenden en vakanties niet te vergelijken met een co-ouderschap waarbij de vader de kinderen ook naar school, sport en sociale activiteiten brengt en hij betrokken is bij hun dagelijkse leven. Volgens de raad is een dergelijke verschraling van het contact met hun vader in strijd met het belang van de kinderen.

Het hof volgt dit advies van de raad en passeert de stelling van de moeder dat geen sprake is van een traditioneel co-ouderschap en dat zij de hoofdopvoeder is. De omstandigheid dat de kinderen op doordeweekse dagen iets vaker bij de moeder verblijven dan bij de vader is daartoe onvoldoende. Voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is van groot belang dat de vader een volwaardige opvoeder blijft. Het belang van de moeder bij het opbouwen van een nieuw leven met haar nieuwe partner in [D] gaat daarom naar het oordeel van het hof te veel ten koste van de belangen van de kinderen.

5.8

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de grieven van de moeder falen dan wel dat deze grieven niet kunnen leiden tot een vernietiging van de bestreden beschikking.

5.9

Ten gevolge van het vorenstaande komt het hof niet toe aan een beoordeling van de stelling van de vader dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot vervangende toestemming voor inschrijving van de kinderen op een school in [D] en ook niet aan een beoordeling van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vader. Een bespreking van deze punten is niet nodig.

5.10

Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen en beslissen als volgt.

5.11

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de uit die relatie geboren kinderen betreft.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 21 april 2020;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, A. Smeeïng-van Hees en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door de griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. Smeeïng-van Hees en is op 19 november 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.