Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9563

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
20/00476
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:905, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

VPB. Terecht belastingrente in rekening gebracht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-11-2020
FutD 2020-3544
V-N Vandaag 2020/2968
NTFR 2020/3623
V-N 2021/10.21.27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 20/00476

uitspraakdatum: 17 november 2020

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 februari 2020, nummer AWB 19/5138, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Venlo (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: vpb) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de beschikking belastingrente ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft digitaal plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft uitstel gevraagd voor het doen van aangifte vpb. De Inspecteur heeft uitstel verleend tot 1 mei 2019.

2.2.

Op 1 november 2018 heeft belanghebbende aangifte vpb 2016 gedaan. Het betrof een lang eerste boekjaar dat liep van 26 augustus 2016 tot en met 31 december 2017. Zij heeft aangifte gedaan naar een belastbaar bedrag van € 301.075.

2.3.

De Inspecteur heeft met dagtekening 1 december 2018 een voorlopige aanslag vpb 2016 opgelegd overeenkomstig de gedane aangifte. Bij beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 2.784 aan belastingrente in rekening gebracht, berekend over de periode 1 juli 2018 tot en met 12 januari 2019. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de Inspecteur op 2 januari 2019.

2.4.

Bij brief ontvangen door de Inspecteur op 1 maart 2019 heeft belanghebbende ingestemd met (verdere) verlenging van de beslistermijn in bezwaar.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur terecht belastingrente in rekening heeft gebracht.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de belastingrentebeschikking.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Belastingrente

4.1.

Belastingrente wordt in rekening gebracht over de periode die begint op de dag gelegen zes maanden na afloop van het tijdvak en eindigt op de dag voorafgaande aan de dag waarop de (voorlopige) aanslag invorderbaar is.1 Een belastingaanslag is invorderbaar zes weken na dagtekening van het aanslagbiljet.2

4.2.

In dit geval wordt dus in beginsel over het tijdvak van 1 juli 2018 (zes maanden na afloop van het eerste lange boekjaar, 31 december 2017) tot en met 12 januari 2019 (zes weken na dagtekening van de voorlopige aanslag, 1 december 2018, minus één dag) belastingrente in rekening gebracht.

4.3.

Dit is echter niet het geval indien tijdig een – op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend3 – verzoek tot het opleggen van een voorlopige aanslag is ingediend. In dat geval wordt geen belastingrente in rekening gebracht.4 Het verzoek is tijdig wanneer het binnen vier maanden na afloop van het tijdvak is gedaan, dus in dit geval vóór 1 mei 2018.

4.4.

Belanghebbende stelt dat zij door middel van een verzoek om een voorlopige aanslag heeft getracht te voorkomen dat belastingrente in rekening zou worden gebracht. Dat verzoek heeft zij echter niet op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend, maar per brief.

4.5.

Het Hof stelt voorop dat sinds 1 november 2015 in het verkeer tussen belastingplichtigen en de inspecteur een bericht uitsluitend elektronisch wordt verzonden.5 In de bijlage behorende bij de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst6 is opgenomen dat een verzoek om een voorlopige aanslag vpb uitsluitend digitaal kan worden gedaan. Belanghebbende heeft haar verzoek niet op de voorgeschreven wijze gedaan. Als gevolg daarvan is terecht belastingrente in rekening gebracht indien belanghebbende de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een haar daartoe gestelde termijn en belanghebbende daaraan geen gevolg heeft gegeven.

4.6.

Het voorgaande houdt in dat ingeval de verzoeken de Inspecteur hebben bereikt, belanghebbende in de gelegenheid moet wordt gesteld om dit verzuim – binnen een te stellen termijn – te herstellen. Het ligt dan op haar weg om te stellen – en bij gemotiveerde betwisting aannemelijk te maken – dat haar verzoeken de Inspecteur hebben bereikt. Dat betekent dat zij – gelet op de stelling van de Inspecteur dat de verzoeken niet zijn verzonden en hij geen van de verzoeken heeft ontvangen – aannemelijk moet maken dat zij het geheel van handelingen heeft verricht dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van de postdienst de geadresseerde te doen bereiken.7

4.7.

In dit geval slaagt belanghebbende niet in het van haar gevraagde bewijs. Uit het overleggen van afschriften van de brieven van 12 december 2017 en 8 mei 2018 is niet af te leiden dat deze brieven ook daadwerkelijk zijn verzonden. De gemachtigde van belanghebbende heeft daarnaast ter zitting het proces inzake de verzending van brieven uiteengezet en toegelicht dat hij op de dag van verzending een afschrift van de brieven per e‑mail aan belanghebbende heeft gezonden. De Inspecteur heeft weersproken dat hiermee de verzending van de brieven aannemelijk is gemaakt. Daarmee is niet komen vast te staan dat belanghebbende het geheel van handelingen heeft verricht dat noodzakelijk is om een poststuk door middel van de postdienst de geadresseerde te doen bereiken.

Gelijkheidsbeginsel

4.8.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden aangezien [A] B.V. en de aan haar gelieerde vennootschappen vergelijkbare verzoeken om voorlopige aanslagen hebben gedaan die zijn ingewilligd. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is in de eerste plaats vereist dat het gaat om gelijke gevallen. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door haar genoemde gevallen met haar vergelijkbaar zijn. In die gevallen heeft het verzoek om een voorlopige aanslag de Inspecteur immers wél bereikt. Reeds hierom kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

Immateriële schadevergoeding

4.9.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat in de bezwaarfase de redelijke termijn is overschreden. Van een overschrijding van de redelijke termijn is geen sprake aangezien tussen de ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur, 2 januari 2019, en de uitspraak van de Rechtbank, 12 februari 2020, minder dan twee jaren is verstreken.8 Het gaat dus om de periode tot aan de uitspraak van de Rechtbank, waarbij de bezwaar- en beroepsfase worden samengeteld. De lengte van de bezwaarfase wordt niet apart beoordeeld. In dit geval is dus geen sprake van een procedure over een bij een belastingaanslag behorende belastingrentebeschikking die onredelijk lang heeft geduurd.9

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.C. Pieterse, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (M.J.C. Pieterse)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 november 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Artikel 30f, lid 1 en 2, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

2 Artikel 9, lid 1, Invorderingswet.

3 Artikel 3a AWR in samenhang gelezen met artikel 3 Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst.

4 Artikel 30f, lid 4, AWR.

5 Artikel 3a AWR.

6 Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 23 oktober 2015, nr. DB/2015/366M houdende regels voor het elektronische berichtenverkeer met de Belastingdienst.

7 Vergelijk Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1609, r.o. 2.4.

8 Vergelijk Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.3.1 tot en met 3.4.2.

9 Vergelijk Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.1.