Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9559

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
19/01725
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:5461, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Eigenwoningregeling. Ontbinding samenlevingscontract. Niet gekozen voor heel jaar fiscaal partnerschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-11-2020
FutD 2020-3527
V-N Vandaag 2020/2942
NTFR 2020/3608
V-N 2021/11.4 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/01725

uitspraakdatum: 17 november 2020

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 november 2019, nummer AWB 19/3391, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend. Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht de aanslag en de belastingrente ambtshalve te verminderen. De Inspecteur heeft deze verzoeken afgewezen.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar het bezwaar tegen de verzoeken ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft samengewoond met [A] (hierna: [A] ) op het adres [a-straat] 159-rd te [B] (hierna: de woning). Belanghebbende stond tot 29 juli 2016 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op dit adres.

2.2.

Belanghebbende en [A] hebben een notarieel samenlevingscontract gesloten. Zij hebben dit samenlevingscontract per 1 september 2016 ontbonden, nadat zij de samenleving in dat jaar hadden verbroken.

2.3.

[A] heeft op 1 september 2005 de woning gekocht. Zij heeft de aankoop van de woning gefinancierd met een geldlening en de rente op die geldlening voldaan.

2.4.

Belanghebbende heeft over het jaar 2016 een verzoek om voorlopige teruggaaf van de IB/PVV gedaan en gekregen. De voorlopige teruggaaf van de Belastingdienst heeft hij aan [A] overgemaakt.

2.5.

Belanghebbende en [A] hebben ieder afzonderlijk aangifte in de IB/PVV gedaan over het jaar 2016. Belanghebbende heeft in het verzoek aan de Inspecteur om de aanslag ambtshalve te verminderen verzocht om aftrek van de rente die op de geldlening voor de woning verschuldigd was.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur terecht geen rentekosten voor de eigen woning in aanmerking heeft genomen.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur beantwoordt deze bevestigend.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 5a, onder b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt als partner aangemerkt de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen.

4.2.

Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner worden geacht bij hen op te komen in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen (artikel 2.17, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001).

4.3.

Belastbare inkomsten uit eigen woning zijn gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft (artikel 2.17, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001).

4.4.

Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft, wordt hij voor de toepassing van artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geacht het gehele kalenderjaar die partner te hebben gehad indien hij daarvoor samen met die partner kiest. De keuze wordt gemaakt bij verzoeken in verband met voorlopige teruggaaf of bij aangifte (artikel 2.17, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001).

4.5.

Belanghebbende is van mening dat hij recht heeft op aftrek van de rente die op de eigenwoninglening is betaald. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat aftrek niet mogelijk is, omdat belanghebbende en [A] niet in hun aangiften hebben gekozen om het gehele jaar 2016 als partner aangemerkt te worden.

4.6.

Belanghebbende en [A] worden als partner aangemerkt tot 29 juli 2016. Nu zij niet het gehele jaar 2016 elkaars partner zijn, kunnen zij gemeenschappelijke inkomensbestanddelen niet toerekenen in de onderlinge verhouding die zij wensen.

4.7.

Dit is slechts anders, indien belanghebbende en [A] in hun aangiften ervoor hebben gekozen dat zij het gehele jaar 2016 als partner wensen te worden aangemerkt. Daarvan is echter geen sprake.

4.8.

De woning is eigendom van [A] zodat slechts bij haar de inkomsten en kosten van de eigen woning in aanmerking kunnen worden genomen.

4.9.

Belanghebbende heeft geen recht op aftrek van de rente op de eigenwoninglening.

4.10.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. T. Tanghe en mr. M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 17 november 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 november 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariƫle akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.