Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9545

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
19/01066
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3331, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

VPB. Afschrijving/afwaardering onroerende zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-11-2020
FutD 2020-3525
V-N Vandaag 2020/2935
NTFR 2020/3620
V-N 2021/8.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/01066

uitspraakdatum: 17 november 2020

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] BV te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 juli 2019, nummer AWB 18/1160, ECLI:NL:RBGEL:2019:3331, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor [G] (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is een verzuimboete opgelegd. Gelijktijdig hiermee is – impliciet – het verlies van belanghebbende over het jaar 2012 vastgesteld op nihil (hierna: de verliesvaststellingsbeschikking).

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft hij de verzuimboete verminderd. De verliesvaststellingsbeschikking is – impliciet – gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslag, de belastingrente en de verzuimboete verminderd. De Rechtbank heeft de verliesvaststellingsbeschikking – impliciet – gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft verweer gevoerd.

1.5.

Belanghebbende heeft bij faxberichten van 10 december 2019 en 7 januari 2020 verzocht om een conclusie van repliek te mogen indienen. Het Hof heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld te repliceren vóór respectievelijk 8 januari 2020 en – na verlenging – 6 februari 2020. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.6.

Partijen zijn bij aangetekende brieven van 31 juli 2020 van het Hof uitgenodigd voor de (digitale) zitting op 2 september 2020 om 11.15 uur.

1.7.

De gemachtigde van belanghebbende heeft bij e-mailbericht van 25 augustus 2020 verzocht om uitstel van de zitting. Dit verzoek is door het Hof bij brief van 27 augustus 2020 afgewezen.

1.8.

Het onderzoek ter (digitale) zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2020. Namens belanghebbende is niemand verschenen. De onder 1.6 genoemde uitnodiging is bij aangetekende brief van 31 juli 2020 verzonden naar de gemachtigde van belanghebbende, mr. [A] , aan het door deze aan het Hof opgegeven adres [a-straat 1] 63, [B] . Blijkens informatie van Track&Trace van PostNL is de aangetekende uitnodigingbrief op 1 augustus 2020, 10.31 uur, bij het PostNL-punt afgehaald. Omdat de uitnodiging voor de zitting tijdig en op de juiste wijze aan belanghebbende is aangeboden, heeft het Hof de zaak op de zitting behandeld en nadien het onderzoek ter zitting gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.10.

Bij faxbericht van 4 september 2020 heeft de gemachtigde van belanghebbende het Hof erop gewezen dat hij een verzoek heeft gedaan om te mogen repliceren. Het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 4 september 2020 geschreven dat voor zover hij met zijn faxbericht heeft bedoeld een verzoek tot heropening van het onderzoek te doen, dit verzoek wordt afgewezen.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is opgericht op 29 december 2003. De statutair bestuurders van belanghebbende waren in het onderhavige jaar [C] (hierna: [C] ) en [D] (hierna: [D] ) die, via persoonlijke holdings, ieder voor 50 percent aandeelhouder waren in belanghebbende. Belanghebbende vormde van 2003 tot en met 2016 een fiscale eenheid met haar 100 procent dochtermaatschappijen [E] B.V. en [F] B.V.

2.2.

Belanghebbende heeft met dagtekening 1 maart 2013 een uitnodiging tot het doen van aangifte Vpb voor het jaar 2012 ontvangen met het verzoek om de aangifte vóór 1 juni 2013 in te dienen. Op 21 november 2013 is een herinnering aan belanghebbende verstuurd met als uiterste datum van indiening van de aangifte van 5 december 2013. Op 24 december 2013 is een aanmaning verzonden met als uiterste datum van indiening van 10 januari 2014.

2.3.

Belanghebbende heeft op 24 juni 2014 aangifte Vpb voor het jaar 2012 gedaan naar een belastbare winst van negatief € 32.825. Op 20 oktober 2014 heeft belanghebbende een herziene aangifte ingediend naar een belastbare winst van negatief € 53.840.

2.4.

Bij het vaststellen van de aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2012 van [D] en [C] is (uiteindelijk) geen bijtelling wegens fictief loon in aanmerking genomen ter zake van ten behoeve van belanghebbende of haar dochtermaatschappijen verrichte werkzaamheden.

2.5.

Met dagtekening 20 juni 2015 is de aanslag in de Vpb voor het jaar 2012 vastgesteld. Bij het vaststellen van de aanslag zijn diverse correcties tot een bedrag van € 313.761 aangebracht, waarvan € 154.313 ter zake van correcties op de afschrijving gebouwen. De belastbare winst en het belastbare bedrag zijn vastgesteld op € 259.921. Gelijktijdig is bij beschikkingen belastingrente berekend en een verzuimboete opgelegd van € 2.460.

2.6.

In bezwaar heeft belanghebbende onder meer gesteld dat, ten opzichte van het in de aangifte in aanmerking genomen bedrag, een extra afschrijvingslast van € 66.664 in aanmerking genomen moet worden omdat in de periode 2009 tot en met 2012 te weinig is afgeschreven.

2.7.

De Inspecteur heeft aan de hand van de door gemachtigde bij het bezwaarschrift verstrekte afschrijvingsstaten (hierna: de afschrijvingsstaten) en andere door belanghebbende verstrekte informatie met betrekking tot de afschrijvingen een overzicht opgesteld (zie blz. 4 van het verweerschrift in eerste aanleg, hierna: het overzicht). Dit overzicht is gebruikt bij het hoorgesprek als basis voor de bespreking. Aan de hand van dit overzicht is de afschrijvingscorrectie met € 35.194 verlaagd tot € 119.119. Omdat de Inspecteur nog enkele correcties achterwege heeft gelaten, is de aanslag bij uitspraak op bezwaar verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 73.636. Tevens is de verzuimboete verminderd tot € 246.

2.8.

In de afschrijvingsstaten worden onder meer de volgende onroerende zaken in [G] vermeld: [a-straat 2] 23, [b-straat] 235 en 237, [c-straat] 140, [d-straat] 40 en [e-straat] 19B.

[a-straat 2] 23/ [b-straat] 235 en 237

2.9.

Belanghebbende heeft op 6 oktober 2006 de grond met het gebouw aan de [a-straat 2] 23, 23 bis en 23 bis A en 25 verkregen. In 2009 is het betreffende gebouw gesplitst in 6 appartementen, te weten [a-straat 2] 23, 23A, 23B en 25 en [f-straat] 8A en 8B. Volgens de afschrijvingsstaten bedroeg de investering in dit complex in totaal € 805.295 en was de boekwaarde per 1 januari 2012 (na afschrijvingen tot en met 2011 van € 110.700) € 694.595.

2.10.

In 2010 en 2011 zijn vijf van de zes appartementen ( [a-straat 2] 23A, 23B, 25 en [f-straat] 8A en 8B) verkocht voor in totaal € 684.500. De boekwaarde per 31 december 2012 van het overgebleven appartement [a-straat 2] 23 bedraagt volgens de afschrijvingsstaten € 666.920 (€ 694.595 -/- een afschrijving van € 27.675).

2.11.

Op 5 juli 2010 zijn de panden [b-straat] 235 en 237 door belanghebbende verkocht voor € 440.000. Volgens de afschrijvingsstaten bezit belanghebbende deze panden in het jaar 2012 nog, wordt in 2012 afgeschreven en hebben de panden op 31 december 2012 een boekwaarde van € 458.297.

2.12.

Belanghebbende heeft in de aangifte Vpb 2010 een verkoopwinst van € 215.763 aangegeven ter zake van de verkoop van de onroerende zaken [b-straat] 235 en 237 en [f-straat] 8A en 8B. Belanghebbende heeft deze winst in de aangifte Vpb 2010 toegevoegd aan een herinvesteringsreserve. De Inspecteur heeft deze herinvesteringsreserve niet geaccepteerd. Dit Hof heeft bij uitspraak van 4 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2850, in de zaak over de aanslag Vpb 2010 de Inspecteur op dit punt in het gelijk gesteld en de verkoopwinst van € 215.763 aangemerkt als belastbare winst over het jaar 2010. Het hiertegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:54, onder verwijzing naar artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie ongegrond verklaard.

[d-straat] 40

2.13.

Belanghebbende heeft dit pand in 2006 verkregen, waarna het in 2007 is gesplitst in [d-straat] 40 en [d-straat] 40 bis. Op 11 april 2011 heeft belanghebbende [d-straat] 40 verkocht voor € 140.000.

2.14.

Volgens de afschrijvingsstaten bedroeg de investering/desinvestering in [d-straat] 40 per saldo € 95.010 en de boekwaarde per 1 januari 2012 (na afschrijvingen tot en met 2011 van € 13.960) € 81.050. De boekwaarde per 31 december 2012 van het pand bedraagt volgens de afschrijvingsstaten € 78.063 (€ 81.050 -/- een afschrijving van € 2.987).

2.15.

De WOZ-waarde van [d-straat] 40 was per 1 januari 2016 € 395.000 en van [d-straat] 40 bis per 1 januari 2015 € 205.000.

[c-straat] 140

2.16.

[c-straat] 140 is in 1999 formeel gesplitst in [c-straat] 140 en [c-straat] 140 bis. [c-straat] 140 is een bedrijfsruimte en [c-straat] 140 bis een appartement. Volgens de afschrijvingsstaten bedroeg de investering/desinvestering in “ [c-straat] 140” per saldo € 44.952 en de boekwaarde per 1 januari 2012 (na afschrijvingen tot en met 2011 van € 12.416) € 32.536. De boekwaarde per 31 december 2012 van “ [c-straat] 140” bedraagt volgens de afschrijvingsstaten € 29.432 (€ 32.536 -/- een afschrijving van € 3.104). [c-straat] 140 bis is op 17 december 2013 voor € 120.000 verkocht.

[e-straat] 19B

2.17.

Volgens de afschrijvingsstaten bedroeg de investering in [e-straat] 19B € 392.984 en de boekwaarde per 1 januari 2012 (na aftrek herinvesteringsreserve van € 50.879 en na afschrijvingen tot en met 2011 van € 34.173) € 307.932. De boekwaarde per 31 december 2012 van het pand bedraagt volgens de afschrijvingsstaten € 299.090 (€ 307.932 -/- een afschrijving van € 8.842).

2.18.

De WOZ-waarde van [e-straat] 19B per 1 januari 2015 was € 335.000.

2.19.

De Rechtbank heeft de aanslag bij uitspraak van 23 juli 2019 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbare winst en belastbaar bedrag van € 63.554 (€ 73.636 -/- € 10.082). Deze vermindering houdt verband met het alsnog in aanmerking nemen van een afschrijving op andere activa dan de onroerende zaken. De Rechtbank heeft de verzuimboete wegens overschrijding van de redelijke termijn met 20% verminderd tot € 197.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslag in de Vpb voor het jaar 2012, zoals deze luidt na uitspraak van de Rechtbank, en de verliesvaststellingsbeschikking juist zijn vastgesteld.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd en de aanslag dient te worden verminderd tot nihil en het verlies, naar het Hof begrijpt, dient te worden vastgesteld op € 312.468. Belanghebbende heeft de belastbare winst – door belanghebbende fiscale winst genoemd – in haar hogerberoepschrift als volgt berekend (bedragen in €):

Belastbare winst volgens UOB (na uitspraak Rechtbank)

63.554

[Hof: belanghebbende vermeldt 73.636, maar de Rechtbank heeft dit bedrag met 10.082 verminderd]

Af: fictieve loonkosten

-/- 88.000

Af: afwaardering lagere bedrijfswaarde

-/- 245.414

Af: afschrijvingen onroerende zaken:

- [a-straat 2]

-/- 27.675

- [c-straat] 140

-/- 3.104

- [d-straat] 40

-/- 2.987

- [e-straat] 19B

-/- 8.842

Belastbare winst

-/- 312.468

[Hof: belanghebbende vermeldt 302.960, als gevolg van een rekenfout en omdat geen rekening is gehouden met bovengenoemd bedrag van 10.082]

3.3.

De Inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

Bij e-mailbericht van 25 augustus 2020 heeft de gemachtigde van belanghebbende het Hof verzocht om uitstel van de digitale zitting van 2 september 2020 en gevraagd een andere datum te bepalen. Als redenen heeft de gemachtigde aangevoerd dat belanghebbende die datum is verhinderd en dat een digitale verbinding met Duitsland – naar het Hof begrijpt, doelt de gemachtigde daarbij op zijn vestiging in Duitsland – zeer slecht loopt. Het Hof heeft dit verzoek bij brief van 27 augustus 2020 afgewezen, omdat dit verzoek niet tijdig is gedaan. Het Hof overweegt daartoe als volgt.

4.2.

Of een verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting tijdig is ingediend, is afhankelijk van de reden voor dat verzoek en van de overige omstandigheden van het geval. De eerste grond die de gemachtigde heeft opgegeven is dat belanghebbende op die datum is verhinderd. De gemachtigde is echter reeds bij aangetekende brief van 31 juli 2020, ontvangen door de gemachtigde op 1 augustus 2020, uitgenodigd om aan de digitale zitting van 2 september 2020 deel te nemen. In de uitnodiging is vermeld dat het verzoek om uitstel uiterlijk binnen een week na de uitnodiging dient te worden gedaan. Niet valt in te zien waarom de gemachtigde kort na de ontvangst van de uitnodiging, na overleg met belanghebbende, niet kon weten dat belanghebbende verhinderd was. Dat de verhindering van belanghebbende eerst op een later moment is opgekomen, heeft de gemachtigde in zijn verzoek noch op een later moment gesteld. Belanghebbende heeft volstaan met de vermelding dat belanghebbende verhinderd is. Als tweede grond heeft de gemachtigde aangevoerd dat een digitale verbinding met Duitsland zeer slecht loopt. De omstandigheid dat een digitale verbinding niet goed tot stand zou kunnen worden gebracht, moet belanghebbende al ten tijde van de ontvangst van de uitnodiging bekend zijn geweest. Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven waarom hij niet binnen een week heeft gereageerd. Het verzoek is dan ook niet tijdig. Los daarvan is het zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk dat een goede digitale verbinding met het kantoor van gemachtigde in Duitsland niet mogelijk is. Deze gestelde omstandigheid heeft dan ook niet als gewichtige reden te gelden. In de uitnodiging is nadrukkelijk vermeld dat als een partij bijvoorbeeld niet beschikt over een internetverbinding, binnen een week contact dient te worden opgenomen met het Hof zodat gekeken kan worden naar de mogelijkheden. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die rechtvaardigen dat de gemachtigde eerst een week voor de zitting het Hof heeft geïnformeerd over de onmogelijkheid om aan de digitale zitting deel te nemen. Het Hof neemt bij het voorgaande in aanmerking dat de gemachtigde niet meer heeft gereageerd op de afwijzing van het verzoek om uitstel en dat de gemachtigde zich niet had afgemeld. De griffier heeft vervolgens bij aanvang van het onderzoek ter zitting op 2 september 2020, nog gebeld met het bij het Hof bekende telefoonnummer van de gemachtigde, maar de gemachtigde was daarop niet bereikbaar. Eventuele onduidelijkheden omtrent de redenen van het verzoek om uitstel van de zitting blijven dan ook voor rekening van belanghebbende.

Inhoudelijk

Fictieve loonkosten en afschrijving [c-straat] 140

4.3.

Belanghebbende had in eerste aanleg met betrekking tot de fictieve loonkosten en de afschrijving [c-straat] 140 ook het standpunt ingenomen dat de in 3.2 genoemde bedragen ten laste van de winst mogen worden gebracht. Blijkens het proces-verbaal is namens belanghebbende ter zitting van de Rechtbank verklaard: “De correctie aftrek gebruikelijk loon is niet langer in geschil, nu dit loon in de inkomstenbelasting bij eiser [Hof: de directeur-grootaandeelhouder] niet is bijgeteld.” en “De boekwaarde van [c-straat] 140 is lager dan de bodemwaarde ervan, er mag dus op dit pand niet meer worden afgeschreven. Ten aanzien van dit pand is er geen geschil meer.”. Het voorgaande brengt, naar het oordeel van het Hof, mee dat namens belanghebbende bij de Rechtbank de grieven ter zake van de correctie op deze twee punten uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn prijsgegeven. Het staat belanghebbende niet vrij daarvan in hoger beroep terug te komen zonder in strijd te komen met een goede procesorde. Het Hof zal daarom de grieven tegen deze correcties passeren.

Afwaardering op lagere bedrijfswaarde € 245.414

4.4.

Belanghebbende heeft in zijn hogerberoepschrift, als motivering voor het ten laste brengen van een bedrag van € 245.414 in verband met afwaardering op lagere bedrijfswaarde, geschreven dat in 2010 de verkoop van de panden aan de [b-straat] heeft plaatsgevonden en dat ten onrechte de daarbij behorende kostprijs van de verkoop niet in aanmerking is genomen omdat deze boekwaarde gerangschikt was onder het pand aan de [f-straat] . Voor zover belanghebbende stelt dat de – onder 2.12 genoemde – winstneming in 2010 met toepassing van de foutenleer kan worden teruggedraaid, faalt deze stelling, omdat geen fouten uit het verleden kunnen worden hersteld die geen betrekking hebben op de balanswaardering (vgl. HR 4 mei 2018, nr. 17/00004, ECLI:NL:HR:2018:673). Voor zover belanghebbende stelt dat de in 2010 verkochte panden aan de [b-straat] 235 en 237 en de [f-straat] 8A en 8B per begin van het boekjaar 2012 nog deel uitmaakten van het ondernemingsvermogen van belanghebbende op grond waarvan in een voorkomend geval afwaardering op lagere bedrijfswaarde mogelijk zou zijn, heeft belanghebbende deze stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur (zie het verweerschrift in eerste aanleg en de toelichting ter zitting van het Hof), niet aannemelijk gemaakt. Het onder 2.7 genoemde overzicht geeft, anders dan belanghebbende meent, slechts de door belanghebbende bepleite boekwaarden weer. De Inspecteur is niet met deze waarden akkoord gegaan. In het overzicht is abusievelijk geen correctie aangebracht ter zake van de daarin ten onrechte opgenomen afschrijving voor [b-straat] 235 en 237, omdat deze onroerende zaken al in 2010 waren verkocht. Belanghebbende heeft ook overigens geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, die in het jaar 2012 een afwaardering op lagere bedrijfswaarde ten laste van de winst ter hoogte van het gestelde bedrag rechtvaardigen.

Afschrijving onroerende zaken

4.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op de panden aan de [a-straat 2] 23, [d-straat] 40 en [e-straat] 19B voor bedragen van respectievelijk € 27.675, € 2.987 en € 8.842 ten laste van de winst mag worden afgeschreven. De Inspecteur heeft daartegenover gesteld dat de boekwaarden van voormelde panden niet hoger zijn dan de in aanmerking te nemen WOZ-waarden daarvan. De Inspecteur stelt in dit verband dat belanghebbende de per 1 januari 2012 gehanteerde boekwaarden, zoals vermeld in de afschrijvingsstaten, niet aannemelijk heeft gemaakt. De door de gemachtigde verstrekte gegevens zijn volgens de Inspecteur niet betrouwbaar; balansposten sluiten niet aan, de vermelde boekwaarden kloppen niet en sommige panden waren al in eerdere jaren verkocht. Zo is in de afschrijvingsstaten met betrekking tot [a-straat 2] 23 de gehele boekwaarde van het complex (zie 2.9 en 2.10) toegerekend aan dit pand, zonder rekening te houden met de verkoop van de andere vijf appartementen. Voorts wijst de Inspecteur erop dat belanghebbende de relevante WOZ-waarden van deze objecten voor het belastingjaar 2012 niet heeft overgelegd en dat uit de wel beschikbare gegevens volgt dat aannemelijk is dat de WOZ-waarden hoger zijn dan de boekwaarden.

4.6.

Ingevolge artikel 3.30a, eerste lid, van de Wet IB 2001 is afschrijving op een gebouw in een kalenderjaar slechts mogelijk indien de boekwaarde van het gebouw hoger is dan de bodemwaarde daarvan en bedraagt de afschrijving ten hoogste het verschil daartussen. Voor de afschrijving en de afwaardering tot lagere bedrijfswaarde worden de onderdelen van een gebouw, de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden als één bedrijfsmiddel beschouwd (artikel 3.30a, tweede lid, van de Wet IB 2001). De bodemwaarde van een gebouw dat bestemd is om direct of indirect hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan een ander dan een met de belastingplichtige verbonden persoon of lichaam (gebouw ter belegging) is gelijk aan de WOZ-waarde daarvan (artikel 3.30a, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001).

4.7.

Naar het Hof uit de standpunten van partijen begrijpt, is tussen partijen niet in geschil dat sprake is van gebouwen ter belegging in evenvermelde zin. De stukken geven het Hof geen aanleiding daarvan af te wijken. Op belanghebbende rust – tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur – de last om aannemelijk te maken dat in het onderhavig jaar de boekwaarden van de door belanghebbende genoemde panden hoger zijn dan de respectieve WOZ-waarden per waardepeildatum 1 januari 2011. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet in het leveren van het van hem verlangde bewijs geslaagd. Belanghebbende heeft, mede gelet op hetgeen de Inspecteur daartegenover heeft gesteld, niet voldoende inzichtelijk kunnen maken en onderbouwen hoe en waarom zij de door haar gehanteerde boekwaarden op deze bedragen heeft berekend. Voorts heeft belanghebbende nagelaten de voor de panden vastgestelde WOZ-beschikkingen te overleggen en heeft zij de voor dit belastingjaar geldende WOZ-waarden evenmin op een andere wijze aannemelijk gemaakt. De in de stukken opgenomen berekeningen, waarin belanghebbende zogenoemde evenredige verminderingen heeft toegepast op bepaalde – overigens niet nader onderbouwde – WOZ-waarden en waarbij belanghebbende heeft verwezen naar het vijfde lid van artikel 3.30a van de Wet IB 2001, zijn, mede in het licht van de door de Inspecteur onweersproken genoemde WOZ-waarden voor latere jaren, onvoldoende om de WOZ-waarden te onderbouwen. Nog daargelaten dat niet is gebleken dat sprake is van mede-eigendom van een gebouw.

Belastingrente

4.8.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Verzuimboete

4.9.

De Rechtbank heeft de verzuimboete verminderd tot € 197 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft geen grieven aangevoerd tegen de verzuimboete noch tegen voormelde vermindering. In hoger beroep is van overschrijding van de redelijke termijn van twee jaren geen sprake. Het Hof acht de opgelegde verzuimboete passend en geboden en ziet, ook overigens, geen aanleiding voor een verdergaande vermindering dan door de Rechtbank is verleend.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. T.H.J. Verhagen, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. Spek.

De griffier,

(A. Vellema) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 november 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.