Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9459

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
200.271.720
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming bedrijfsgebouwen na faillissement. Onduidelijkheden over partij(en) bij (vermeende) pachtovereenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.271.720

(zaaknummer rechtbank Den Haag, locatie Gouda, 7364432)

arrest in kort geding van de pachtkamer van 17 november 2020

in de zaak van:

1. de coöperatie

Coöperatie [de coöperatie] U.A.,

statutair gevestigd te [plaats] , kantoorhoudende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

2. [gebruiker 1],

3. [gebruiker 2],

beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk [gebruikers] c.s. en afzonderlijk de coöperatie, [gebruiker 1] en [gebruiker 2] ,

advocaat: mr. H.J. Bakker,

tegen:

Mr. [curator], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de failliet] Holding B.V.,

kantoorhoudende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: de curator,

advocaat: mr. O. Heuverling.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 9 juni 2020 hier over. In dat arrest is een zitting bepaald. Die zitting heeft op 30 september 2020 plaatsgevonden en de griffier heeft daarvan een verslag gemaakt. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. Allebei de advocaten hebben daarna bij brief nog opmerkingen gemaakt over het verslag. Het hof heeft die opmerkingen in het dossier opgenomen.

2 De beoordeling van het hoger beroep

Samenvatting en beslissing

2.1

De curator van [de failliet] wil beschikken over de eigendommen van [de failliet] . In dit geding gaat het om de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen. [gebruiker 1] en [gebruiker 2] wonen en werken daar. De curator stelt dat [gebruikers] c.s. zich niet kan beroepen op een recht of titel om daar te wonen en de bedrijfsgebouwen te gebruiken. Als er al een pachtovereenkomst is, is er geen pacht betaald en dat is voldoende grond om de overeenkomst te ontbinden. De curator vordert de ontruiming van de gebouwen en het erf. Daarnaast vordert hij betaling van achterstallige pacht door de coöperatie.

2.2

[gebruikers] c.s. heeft in dit kort geding onvoldoende aannemelijk weten te maken dat hij (nu) wel recht heeft op het gebruik van de woning en de bedrijfsgebouwen. Het hof veroordeelt [gebruiker 1] en [gebruiker 2] om de woning en de bedrijfsgebouwen te ontruimen. De coöperatie wordt veroordeeld een voorschot op de achterstallige pacht te betalen. Het hof legt hierna uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.

Spoedeisend belang

2.3

De curator wenst de eigendommen van de failliete [de failliet] te gelde te maken ten behoeve van de boedel. Uit de aard van die vordering volgt dat hij een spoedeisend belang heeft.

Ontruimingsvordering

2.4

Het hof gaat uit van de volgende feiten. Aan [adres] te [plaats] bevond/bevindt zich een veehouderij met bedrijfswoning, agrarische opstallen en grond. [de failliet] is opgericht op 30 mei 2007; [gebruiker 1] is middellijk bestuurder. Bij notariële akte van inbreng van diezelfde datum heeft [gebruiker 1] de veehouderij in [de failliet] ingebracht. De grond is in 2009 vervolgens grotendeels verkocht aan Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL). [gebruiker 1] heeft samen met zijn echtgenote en/of een derde diverse andere vennootschappen opgericht waarvan er zeven in 2015 failliet zijn verklaard. [gebruiker 1] zelf is in 2014 persoonlijk failliet verklaard. [de failliet] is op 23 februari 2016 failliet verklaard.

2.5

In een geval als dit, waarbij de curator stelt dat de coöperatie, [gebruiker 1] en [gebruiker 2] zonder recht of titel verblijven in de eigendommen van de failliet, is het aan [gebruikers] c.s. om te stellen en in kort geding voldoende aannemelijk te maken, dat zij wél beschikken over een titel of gebruiksrecht.1

2.6

Vlak voor het faillissement van [de failliet] heeft er een transactie plaatsgevonden waarbij [de failliet] de eigendom van de bedrijfswoning, agrarische opstallen en grond heeft verkocht en op 15 februari 2016 geleverd aan een andere door [gebruiker 1] beheerste vennootschap. De rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 4 juli 2018 voor recht verklaard dat de curator deze levering rechtsgeldig heeft vernietigd.

2.7

Als het hof in kort geding moet beslissen nadat de bodemrechter een relevante beslissing heeft gegeven in het geschil tussen partijen, moet het hof zijn oordeel afstemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenuitspraak of in een einduitspraak en ongeacht of de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel, maar daarvoor is in dit kort geding te weinig aangevoerd. Het hierna nog te bespreken rapport van Verhoeven Milieutechniek is in elk geval niet voldoende om de vernietiging van de levering te passeren.

2.8

Het hof zal zijn oordeel afstemmen op het oordeel van de rechtbank Den Haag, ook al is tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof gaat er dan ook in dit kort geding vanuit dat [de failliet] nog steeds eigenares is van de bedrijfswoning, agrarische opstallen en grond.

2.9

Dan is het de vraag of de coöperatie, [gebruiker 1] en [gebruiker 2] een recht of titel van gebruik hebben. Zij hebben twee producties in het geding gebracht, waarvan zij stellen dat het pachtovereenkomsten zijn. Volgens een kopie van een stuk heeft [de failliet] aan [gebruiker 1] en [gebruiker 2] (in privé) met ingang van 1 juni 2007 de veehouderij verpacht tegen een vergoeding van
€ 14.600 per jaar. Deze kopie - een origineel is er niet - is bij brief van 5 oktober 2018 ter kennis gebracht van de curator. Het stuk bevindt zich niet in de administratie van [de failliet] en evenmin op de computers die zijn onderzocht.

2.10

Vervolgens is er een ongedateerd stuk. Daarin staat dat [de failliet] , vertegenwoordigd door [gebruiker 1] , met ingang van 1 mei 2014 aan de coöperatie, vertegenwoordigd door [gebruiker 1] , de bedrijfswoning en agrarisch opstallen heeft verhuurd. Deze overeenkomst hebben partijen in deze procedure inmiddels gekwalificeerd als pachtovereenkomst. De curator heeft de pachtovereenkomst ter goedkeuring ingezonden aan de grondkamer. De grondkamer heeft de pachtovereenkomst gewijzigd goedgekeurd en de pachtprijs daarbij bepaald op € 14.118 per jaar. Verder bevinden zich in het dossier stukken waaruit volgt dat de coöperatie als pachter de huurovereenkomst – waarmee is bedoeld de pachtovereenkomst uit 2014 – met [de failliet] met ingang van 1 februari 2016 opzegt.

2.11

Volgens [gebruiker 1] en [gebruiker 2] was de pachtovereenkomst uit 2014 bedoeld als een onderverpachting van [gebruiker 1] en [gebruiker 2] aan de coöperatie. Daarin gaat het hof niet mee. Net als de pachtkamer te Gouda in kort geding wijst het hof erop dat de coöperatie haar overeenkomst met [de failliet] , met instemming van [gebruiker 1] en [gebruiker 2] , bij brief van 7 januari 2015 heeft opgezegd aan [de failliet] . Verder heeft [gebruiker 1] een andere akte ondertekend waarin de pachtovereenkomst uit 2014 met [de failliet] als verpachter en de coöperatie als pachter is herbevestigd. De gestelde bedoeling van onderverpachting is in dat licht onvoldoende aannemelijk gemaakt.

2.12

In hoger beroep heeft de curator erop gewezen dat ook inhoudelijk niet kan worden aangenomen dat bedoeld was een onderverpachting aan te gaan tussen [gebruiker 1] en [gebruiker 2] als verpachters enerzijds en de coöperatie anderzijds. De curator wijst op artikel 3 en 13 van de pachtovereenkomst uit 2014. De pachtkamer had die bepalingen ook al aangehaald onder 2.7 van het kort gedingvonnis. Er staat dat de coöperatie bevoegd is om de bedrijfswoning aan [gebruiker 1] en [gebruiker 2] onder te verhuren (artikel 3) en dat de agrarische opstallen onderverhuurd mogen worden aan leden (dat zijn [gebruiker 1] en [gebruiker 2] ) van de coöperatie (artikel 13). Die bepalingen zijn moeilijk te begrijpen als het een onderverpachting betrof. [gebruikers] c.s. heeft hiervoor geen verklaring gegeven.

2.13

Net als de pachtkamer in eerste aanleg gaat het hof er dus voorlopig vanuit dat [de failliet] in 2014 de bedrijfswoning en agrarische bedrijfsgebouwen met de grond heeft verpacht aan de coöperatie. De coöperatie heeft vervolgens als pachter de pachtovereenkomst opgezegd met ingang van 1 februari 2016. Ter zitting is besproken wat het gevolg daarvan is geweest. Volgens [gebruikers] c.s. heeft de coöperatie daarna feitelijk geen gebruik meer gemaakt van de opstallen. De opzegging, beëindigingsovereenkomst en feitelijke beëindiging van het gebruik door de coöperatie als pachter brengt een einde van de pachtovereenkomst mee. De coöperatie heeft dus vanaf 2016 geen recht of titel meer om de bedrijfswoning en agrarische opstallen te gebruiken.

2.14

[gebruiker 1] en [gebruiker 2] beroepen zich op de pachtovereenkomst uit 2007 die volgens hen heeft voortgeduurd. Net als de voorzieningenrechter in eerste aanleg oordeelt het hof voorlopig dat die stelling niet aannemelijk is. Met het sluiten van de pachtovereenkomst in 2014 is de pachtovereenkomst 2007 feitelijk beëindigd. Als niet weersproken gaat het hof er hierbij van uit dat [gebruiker 1] en [gebruiker 2] in 2014 allebei zelfstandig bestuurder waren van de coöperatie. [gebruiker 1] was verder middellijk bestuurder van [de failliet] . De overeenkomst in 2014 heeft [gebruiker 1] namens [de failliet] en de coöperatie ondertekend. De opzeggingsovereenkomst van 7 januari 2015 heeft [gebruiker 2] medeondertekend. [gebruiker 2] stelt in hoger beroep dat zij onwetend is geweest van het sluiten van de pachtovereenkomst per 1 mei 2014. Naar voorlopig oordeel van het hof betreft dat een geschil tussen de bestuurders van de coöperatie onderling. De onwetendheid kan dan niet worden tegengeworpen aan de curator. In dit licht is ook niet voldoende aannemelijk (gemaakt) dat [gebruiker 2] als echtgenote van [gebruiker 1] de pachtovereenkomst per 1 mei 2014 kan vernietigen. [gebruiker 2] heeft in 2019 namelijk een vernietigingsactie ex artikel 1:88 BW als bodemzaak aanhangig gemaakt om de pachtovereenkomst van 2014 te vernietigen. Daar is nog geen beslissing in genomen. Het hof gaat in dit kort geding voorlopig niet uit van een succesvolle vernietiging. Verder heeft de curator erop gewezen dat de buitengerechtelijke vernietiging op 1 oktober 2019 geen effect heeft gehad omdat de rechtsvordering tot vernietiging op dat moment al was verjaard door het tijdsverloop vanaf 7 januari 2015. [gebruikers] c.s. heeft daarop niet meer gereageerd.

2.15

Omdat voorlopig moet worden aangenomen dat de pachtovereenkomst uit 2007 feitelijk - met instemming van de pachters - is beëindigd doordat [de failliet] een nieuwe pachtovereenkomst heeft gesloten met de coöperatie, waarbij de oude pachters beiden bestuurders waren van de nieuwe pachter, kunnen [gebruiker 1] en [gebruiker 2] geen recht ontlenen aan de pachtovereenkomst uit 2007. Daarbij merkt het hof op dat goedkeuring door de grondkamer van de pachtovereenkomsten uit 2007 en 2014 niet vereist was voor de feitelijke beëindiging door de pachter en de verpachter. Bij dit alles laat het hof in het midden of de pachtovereenkomsten al dan niet (deels) een vervalsing zijn, zoals de curator gemotiveerd heeft aangevoerd.

2.16

Zoals gezegd, is ter zitting besproken wat er na de beëindiging van de pachtovereenkomst uit 2014 per 1 februari 2016 feitelijk aan de hand was. Namens [gebruikers] c.s. is verklaard dat [gebruiker 1] en [gebruiker 2] de bedrijfswoning en de bedrijfsopstallen per 1 februari 2016 in privé hebben bewoond en gebruikt. Dat doen zij op dit moment blijkbaar nog steeds. Omdat zij geen ander recht of titel hebben gesteld, gaat het hof er voorlopig van uit dat zij geen recht of titel hebben voor dat gebruik of die bewoning. De vordering van de curator tot ontruiming zal ten opzichte van hen dan ook worden toegewezen. Bij de veroordeling van de coöperatie om te ontruimen heeft de curator geen belang, nu [gebruiker 1] en [gebruiker 2] hebben erkend dat de coöperatie de onroerende zaken feitelijk in 2016 heeft verlaten. Daarbij merkt het hof nog op dat het hof begrijpt dat de vordering van de curator ook tegen [gebruiker 1] en [gebruiker 2] in privé is gericht. Dat blijkt voldoende uit zijn stellingen.

Achterstallige pacht

2.17

Bij een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. Niet alleen zal de vordering van de eisende partij voldoende aannemelijk moeten zijn, maar moet ook een spoedeisend belang bestaan, terwijl bij de afweging van de belangen van de partijen het restitutierisico moet worden betrokken.

2.18

De curator wil de vorderingen te gelde maken ten behoeve van de boedel. De samenwerking met de bestuurder van de failliete vennootschap gaat allesbehalve soepel. Een vlotte afwikkeling van het faillissement is in het belang van de boedel en de andere schuldeisers. Daarmee is het spoedeisend belang bij de veroordeling tot betaling van een geldsom gegeven.

2.19

De coöperatie heeft nooit pacht betaald aan [de failliet] en haar beroep op verrekening onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat geldt ook voor de gestelde verrekening vanwege pachtprijsvermindering voor het ontbreken van twee voedersilo’s. De curator heeft namelijk gemotiveerd aangevoerd dat de coöperatie geen beroep toekomt op het gestelde gebrek. Dit betekent dat de coöperatie over de periode dat de pachtovereenkomst heeft geduurd (1 mei 2014 tot 1 februari 2016) pacht verschuldigd is.

2.20

Wat [gebruiker 1] en [gebruiker 2] betreft, stelt de curator dat zij een gebruiksvergoeding verschuldigd zijn ter hoogte van de verschuldigde pachtsom. De curator heeft echter geen geldvordering ingesteld tegen [gebruiker 1] en [gebruiker 2] . Daarom komt het hof niet toe aan de beoordeling of [gebruiker 1] en [gebruiker 2] een gebruiksvergoeding moeten betalen en de vraag of [gebruiker 1] en [gebruiker 2] zich terecht beroepen op verrekening.

2.21

[gebruikers] c.s. voeren aan dat er een restitutierisico is. Ze hebben dat ook aangevoerd in het executiekortgeding dat bij de voorzieningenrechter te Den Haag heeft gediend tegen de tenuitvoerlegging van het onderhavige vonnis. In het vonnis in kort geding van 11 maart 2020 heeft de voorzieningenrechter de stelling dat er een restitutierisico is, afgewezen. Het hof is het daarmee eens. Het hof verwijst naar 4.3 in dat vonnis. Daarin staat kort samengevat dat in het geval [gebruikers] c.s. uiteindelijk in het gelijk zal worden gesteld, de boedelschuld die hij dan heeft een hoge rang heeft. Weliswaar heeft het salaris van de curator een nog hogere rang, maar de opstallen hebben een taxatiewaarde van € 640.000. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de curator aangevoerd dat hij de opstallen nogmaals heeft laten taxeren en dat er een koper is. De getaxeerde waarde ligt rond € 500.000. Daarnaast heeft de curator erop gewezen dat [de failliet] volgens de verklaring van [gebruiker 1] nog beschikt over een voorraad rundersperma ter waarde van € 900.000.

2.22

Hiertegenover heeft [gebruikers] c.s. voorafgaand aan de zitting een voorlopig/verkennend rapport ingebracht van Verhoeven milieutechniek. Verhoeven milieutechniek berekent dat een sanering van de grond en opstallen 3,3 miljoen zal gaan kosten. [gebruikers] c.s. stelt nu dat het gaat om een negatieve boedel en dat de curator strijdt om een gifbelt. Dit rapport heeft de curator gemotiveerd bestreden. Zonder deugdelijk onderzoek en wetenschap over wat er met de woning en opstallen gaat gebeuren, kan naar voorlopig oordeel van het hof niet worden aangenomen dat sanering noodzakelijk is en zo ja, tot het astronomische bedrag van € 3,3 miljoen excl. btw.

2.23

Bij wege van voorschot zal het hof een bedrag van € 20.000 toewijzen aan achterstallige pacht van de coöperatie over de periode 1 mei 2014 – 1 februari 2016. Er is geen verplichting tot zekerheidstelling van de curator bij een veroordeling tot een geldsom in kort geding. Het hof ziet er ook geen aanleiding toe.

Slotoverwegingen

2.24

Anders dan [gebruikers] c.s. aanvoert, heeft de pachtkamer geen declaratoir uitgesproken. De pachtkamer heeft alleen overwegingen gewijd aan het bestaan of de beëindiging van overeenkomsten bij de beoordeling van de vordering van de curator.

2.25

De onduidelijkheid die door het dictum van de pachtkamer blijkbaar is ontstaan, wordt opgeheven door het nieuwe dictum in dit arrest. Overigens valt uit de inhoud van de vonnissen van de pachtkamer niet anders af te leiden dat het de bedoeling was dat de veroordeling tot ontruiming ook [gebruiker 1] en [gebruiker 2] betrof.

2.26

Als uitgangspunt geldt dat in een kort geding procedure in het algemeen geen plaats is voor uitgebreide bewijslevering. Er is niet voldoende gesteld of gebleken dat er in deze zaak redenen zijn om van dat uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat daarom aan het bewijsaanbod van [gebruikers] c.s. voorbij.

2.27

De curator heeft belang bij een zo hoog mogelijke opbrengst voor de boedel en het voortvarend afwikkelen van het faillissement. Daartegenover heeft [gebruikers] c.s. weinig ingebracht. Het hof zal dit arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

2.28

De vordering van de curator [gebruikers] c.s. te veroordelen in de reële proceskosten wijst het hof af. Partijen beschuldigen elkaar over en weer van nodeloos procederen. Dat de stellingen van [gebruikers] c.s. in dit kort geding kennelijk ongegrond zijn, althans dat hij misbruik maakt van procesrecht door hoger beroep in te stellen, ziet het hof niet in.

2.29

Partijen hebben nog heel wat andere standpunten ingenomen die het hof in dit arrest niet bespreekt. Die standpunten leiden namelijk niet tot een ander oordeel en kunnen dan ook onbesproken blijven.

Slotsom

2.30

Het hoger beroep slaagt voor zover de coöperatie is veroordeeld tot ontruiming en tot een hoger bedrag dan het hof zal toewijzen, maar faalt voor het overige. [gebruiker 1] en [gebruiker 2] zullen worden veroordeeld de bedrijfsvoering en de agrarisch opstallen met bijbehorende grond te ontruimen. De ontruimingstermijn zal het hof bepalen op uiterlijk 31 december 2020. De coöperatie zal veroordeeld worden tot betaling van een bedrag van € 20.000.

2.31

De coöperatie wordt weliswaar niet meer veroordeeld tot ontruiming, maar de vordering tot betaling van achterstallige pacht wordt tegen haar wel gedeeltelijk toegewezen. Het hof veroordeelt [gebruiker 1] en [gebruiker 2] tot ontruiming en dus worden zij ook in het ongelijk gesteld. Dat geeft reden [gebruikers] c.s. te veroordelen in de kosten van beide instanties. Voor de hoogte van de kostenveroordeling van de eerst aanleg sluit het hof aan bij het bestreden vonnis. Het hof stelt de kosten van de curator in hoger beroep vast op € 2.020 aan griffierecht en op € 2.148 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II). Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld. Wettelijke handelsrente is niet verschuldigd over een proceskostenveroordeling. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen. In hoger beroep is geen hoofdelijke veroordeling gevorderd, zodat het hof die ook niet zal toewijzen.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

vernietigt de vonnissen in kort geding van de pachtkamer te Gouda (rechtbank Den Haag) van 20 juni 2019 en 14 november 2019 en doet opnieuw recht:

veroordeelt de coöperatie om - bij wijze van voorschot - aan de curator te betalen een

bedrag van € 20.000;

veroordeelt [gebruiker 1] en [gebruiker 2] om na betekening van dit arrest uiterlijk op 31 december 2020 het Onroerend Goed met medeneming van al het hunne en de hunnen te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de aan de curator ter beschikking te stellen;

veroordeelt [gebruikers] c.s. hoofdelijk in de kosten van de eerste aanleg, welke kosten aan de zijde van de curator tot aan het bestreden vonnis worden vastgesteld op een bedrag ad € 1.769,54, waarin begrepen een bedrag ad € 1.200,= voor salaris gemachtigde en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [gebruikers] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator vastgesteld op € 2.020 voor griffierecht en op € 2.148 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [gebruikers] c.s. in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval [gebruikers] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, H.L. Wattel en D.H. de Witte en de deskundige leden mr. E. Oostra en ir. J.H. Jurrius, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.

1 HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1185 (https://www.navigator.nl/document/ida3e4c05cc4454826a10f8e599169b9e3?anchor=id-5ec3513a-bb06-4206-840e-24891b797a62) en HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2565 (https://www.navigator.nl/document/id3eab5ba6062f4b15b785dae202b0d76b?anchor=id-8af9cf1b-d6dd-4a78-b9d1-d72aaaf3688a).