Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9444

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
19-11-2020
Zaaknummer
200.249.683
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buurweg? Artikel 719 OBW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.249.683

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 317778)

arrest van 17 november 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. R.C. Vermeer,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Wageningen Universiteit,

zetelende te Wageningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: WU,

advocaat: mr. H. Zeilmaker.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 december 2019 hier over. In dat arrest is een zitting bepaald die op 6 november 2020 heeft plaatsgevonden. Van de zitting heeft de griffier aantekeningen bijgehouden. WU heeft op de zitting spreekaantekeningen voorgedragen. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De beoordeling in hoger beroep

Samenvatting en beslissing

2.1

De achtertuin van [appellant] grenst aan het terrein van WU. In het hek dat beide percelen scheidt, zit een poort. De familie [appellant] gebruikt die toegang als ‘achterom’. Zij gaan dan over het terrein van WU.

2.2

De rechtbank heeft in het vonnis van 1 augustus 2018 op verzoek van WU bepaald dat [appellant] zijn achterom niet op grond van een recht van erfdienstbaarheid/overpad mag gebruiken en heeft [appellant] veroordeeld om te stoppen met het gebruik van het terrein van WU. De door [appellant] ingediende vordering om te verklaren dat door verjaring een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan over het terrein van WU, is door de rechtbank afgewezen.

2.3

In hoger beroep legt [appellant] zich neer bij het oordeel van de rechtbank dat geen erfdienstbaarheid is ontstaan door verjaring. Hij wijzigt de grondslag voor zijn vordering en het verweer tegen de vordering van WU en stelt zich nu alleen nog op het standpunt dat hij recht heeft op het gebruik van zijn achterom omdat een buurweg (naar oud recht) is ontstaan. Het hof is dat niet met [appellant] eens. Hieronder legt het hof uit waarom het tot dat oordeel komt.

Wat was nodig voor een buurweg?

2.4

In het tot 1992 geldende oud BW was in artikel 719 bepaald dat de eigenaar van een pad waarvan verschillende buren gebruik maken en dat voor tenminste één van hen als een uitweg dient, niet zonder toestemming van de gebruikers de bestemming kan wijzigen. Verder was volgens vaste rechtspraak nodig dat de eigenaar uitdrukkelijk of stilzwijgend instemde met dat gebruik. Een dergelijk pad werd een buurweg genoemd.

In het huidige BW is ‘de buurweg’ komen te vervallen, maar buurwegen die begin 1992 bestonden, moeten nog wel gerespecteerd worden.

In dit geval geen gemeenschappelijk gebruik door verschillende buren

2.5

[appellant] heeft op de zitting bij het hof uitgelegd dat de buurweg vanaf 1974 tot 1992 anders liep dan tevoren, omdat WU in dat jaar een parkeerplaats heeft aangelegd op enige afstand van zijn achtertuin. Sindsdien loopt de familie [appellant] vanuit hun poort eerst min of meer recht naar achteren (haaks op het hek) om op de parkeerplaats uit te komen. Vandaar gaat men verder over de parkeerplaats naar de Verbindingsweg. De meeste buren hadden een soortgelijke poort in hun eigen hek. Daardoor had bijna iedereen een ‘achterom’ via het terrein van WU.

2.6

Gevraagd naar wie het pad tussen de poort van [appellant] en de parkeerplaats gebruikten, zei [appellant] dat daar door passanten gebruik van werd gemaakt. Hij heeft niet gezegd dat andere buren ook van dat paadje gebruik maakten. Dat is ook niet goed voor te stellen omdat dit pad naar de poort van [appellant] liep, terwijl ieder zijn eigen poort met aansluitend pad had.

2.7

Alleen al omdat er dus geen sprake was van een pad, aansluitend aan de poort van [appellant] , dat door meerdere buren gemeenschappelijk gebruikt werd, kan geen sprake zijn geweest van een buurweg naar oud BW. Om deze reden zal de vordering van [appellant] in hoger beroep worden afgewezen. De overige verweren van WU hoeven dus niet te worden besproken.

De slotsom

2.8

Het bovenstaande betekent dat het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd.

2.9

Het hof zal [appellant] , als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Die kosten zullen aan de zijde van WU worden vastgesteld op

€ 726 voor griffierecht en € 2.148 voor salaris advocaat (2 punten x tarief II).

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 1 augustus 2018;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van WU vastgesteld op € 726 voor verschotten en op € 2.148 voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval WU niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, W.C. Haasnoot en J.G.J. Rinkes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.