Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9435

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
19/00698 tm 19/00700
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:1553, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek uitstel mondelinge behandeling digitale zitting afgewezen. Contante stortingen van voor witwassen veroordeelde belastingplichtige terecht belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-11-2020
FutD 2020-3460
FutD 2020-3459
V-N Vandaag 2020/2849
NTFR 2020/3669
V-N 2021/10.21.26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummers 19/00698, 19/00699 en 19/00700

uitspraakdatum: 17 november 2020

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 april 2019, zaaknummers AWB 18/2868, 18/2870 en 18/2872, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Almere (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 82.920. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 4.556.

1.2

Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 173.228. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 10.968.

1.3

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.911.

1.4

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bestreden belastingaanslagen en beschikkingen gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 10 april 2019 de beroepen over de belastingaanslagen IB/PVV 2005 en 2007 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, voor zover betrekking hebbend op de belastingaanslagen 2005 en 2007 vernietigd, de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 80.756, de aanslag IB/PVV 2007 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 153.633, de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, het beroep over de IB/PVV 2008 ongegrond verklaard, de Inspecteur in de door belanghebbende in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten veroordeeld en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Partijen zijn door het Hof bij brief van 9 maart 2020 uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van het Hof op 15 april 2020. Namens belanghebbende is uitstel van de mondelinge behandeling verzocht. Het Hof heeft de zitting bij brief van 6 april 2020 geannuleerd in verband met de overheidsmaatregelen die zijn genomen in verband met de uitbraak van het Covid-19-virus.

1.7

Partijen zijn door het Hof bij brief van 6 mei 2020 opnieuw uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zaak op 2 juni 2020. Het Hof heeft partijen daarin laten weten dat deze zitting op digitale wijze zou worden gehouden. Bij e-mailbericht van 15 mei 2020 heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht om uitstel van deze mondelinge behandeling en aangegeven dat de zaak zijns inziens een fysieke mondelinge behandeling vergt. Het Hof heeft het verzoek om uitstel afgewezen bij brief van 20 mei 2020. Het Hof heeft wel bewilligd in het verzoek om een fysieke mondelinge behandeling op hetzelfde tijdstip als de digitale behandeling.

1.8

De gemachtigde van belanghebbende heeft bij e-mailbericht van 25 mei 2020 gereageerd op de hiervoor – onder 1.7 – bedoelde brief en daarbij aangegeven dat door een totale lockdown belanghebbende, die in Oostenrijk verbleef, niet in de gelegenheid was de fysieke zitting bij te wonen, terwijl hij daarop wel prijs stelde. Door het verblijf van belanghebbende in Oostenrijk was het ook niet mogelijk in persoon te overleggen met advocaat en belastingadviseur voorafgaand aan de mondelinge behandeling, aldus de gemachtigde.

1.9

De griffier van het Hof heeft op 25 mei 2020 per e-mailbericht als volgt gereageerd: ”In uw mailbericht van 25 mei 2020 verzoekt u om uitstel van een mondelinge behandeling in de zaak van de heer [X] , omdat belanghebbende in Oostenrijk verblijft en niet naar Nederland kan reizen. Graag verzoeken we u uw stelling te onderbouwen, dat belanghebbende niet naar Nederland kan reizen. Uit de informatie die het Hof ter beschikking staat, volgt dat er geen belemmering is voor het vertrek uit Oostenrijk (https://www.bmi.gv.at/news.aspx?id=314A5A707A4547684D55733D) . Evenmin is er een beperking voor het reizen door Duitsland (https://www.bundespolizei.de/Web/DE/04Aktuelles/01Meldungen/2020/03/200317_faq.html;jsessionid=C7C20D1F0B93CAF645179C0FB0190B4F.2_cid289?nn=5931604#doc13824392bodyText2). Daarnaast verzoekt het Hof u aan te geven, waarom belanghebbende niet middels een Skype for business-verbinding bij de zitting aanwezig kan zijn.”.

1.10

Bij e-mailbericht van 26 mei 2020 reageert de gemachtigde als volgt: “Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 25 mei 2020 in bovengenoemde zaken, bericht ik u als volgt. U geeft onder verwijzing naar een tweetal verwijzingen naar websites (die ik helaas niet kon benaderen) van het (Oostenrijkse) Bundes Ministerium für Inneres aan, dat er geen belemmeringen bestaan voor vertrek uit Oostenrijk en dat er geen beperking is voor het reizen door Duitsland. Cliënt geeft echter aan dat het tot op heden niet mogelijk is om Oostenrijk uit te reizen en door Duitsland te reizen. Afgezien van algemene bekendheid bij cliënt met deze feiten, kunnen deze maatregelen teruggevonden worden op de volgende websites. Uit deze websites blijkt dat uitreizen vanuit Oostenrijk naar Duitsland pas vanaf 15 juni 2020 aanstaande mogelijk zal zijn:

https://infothek.bmvit.gv.at/coronavirus-reisehinweise-aktuelle-informationen/

https://www.bmlrt.gv.at/tourismus/corona-tourismus/massnahmen_bundesregierung.html

https://www.austria.info/nl/praktische-info/coronavirus-informatie

Ook de beperkingen die van toepassing zijn bij het overschrijden van de grenzen van Oostenrijk met Zwitserland en Liechtenstein worden per 15 juni 2020 opgeheven. Voor Tsjechië, Hongarije en Slowakije is het doel om dit halverwege juni te doen, maar een concreet tijdsbestek staat nog niet vast en ook voor uitreizen naar Slowakije en Italië is nog geen duidelijkheid.

https://www.oeamtc.at/thema/reiseplanung/coronavirus-reiseinfos-36904404

Reizen door Duitsland heen is slechts in beperkte mate mogelijk, het gaat dan om bijzondere omstandigheden zoals familiebezoek of bezoek aan de partner. Vanaf 15 juni aanstaande is het weer mogelijk om vrij door Duitsland te reizen.

https://www.bmi.bund.de/SharedDocs/pressemitteilungen/DE/2020/05/absichtserklaerung-lockerungen-grenzueberschreitender-verkehr.html

https://www.bundesregierung.de/breg-de/themen/coronavirus/corona-regelungen-1735032

https://www.bmi.bund.de/SharedDocs/faqs/DE/themen/bevoelkerungsschutz/coronavirus/reisebeschraenkungen-grenzkontrollen/reisebeschraenkungen-grenzkontrollen-liste.html

Ten aanzien van de vraag waarom cliënt niet middels een skype for business verbinding bij de zitting aanwezig wil zijn, het volgende. Cliënt is van mening dat de omvang en inhoud van het dossier en de onderhavige kwestie (de gesloten deal met het OM/ Belastingdienst) zich niet lenen voor een digitale behandeling. Daarnaast spelen ook zaken met betrekking tot de veiligheid, verbindingsmogelijkheid en duidelijkheid van communiceren een belangrijke rol. In afwachting van uw reactie,”.

1.11

De griffier van het Hof heeft bij brief van 27 mei 2020 daarop als volgt gereageerd: “In reactie op uw e-mailbericht van vandaag laat het Hof u weten dat de mondelinge behandeling doorgang zal vinden op 2 juni 2020, in digitale vorm. Uw verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling en om het houden van een fysieke zitting honoreert het Hof niet. Voor de bijzonderheden van de digitale zitting verwijst het Hof naar de uitnodigingsbrief van 6 mei 2020.”.

1.12

Op 28 mei 2020 heeft de gemachtigde daarop opnieuw verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling en daarbij nader aangedragen dat hij nog nadere stukken wilde overleggen, waarover hij niet thans niet kon beschikken.

1.13

Bij e-mailbericht van 29 mei 2020 heeft belanghebbende zelf verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling, waarbij hij tevens heeft verzocht om een fysieke zitting.

1.14

De griffier van het Hof heeft op de hiervoor – onder 1.12 en 1.13 – bedoelde verzoeken bij brief van 29 mei 2020 aangegeven geen aanleiding te zien terug te komen op de eerdere verzoeken om uitstel van de mondelinge behandeling en dat deze op digitale wijze via een Skype-verbinding zal plaatsvinden.

1.15

Op 29 mei 20202 heeft een medewerker van het Hof contact gezocht met partijen om de voor de digitale zitting vereiste verbindingen te testen.

1.16

Het onderzoek ter zitting heeft via een Skype verbinding plaatsgevonden op 2 juni 2020 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [A] , als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mr. [B] , alsmede [C] namens de Inspecteur. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verstuurd.

1.17

Namens belanghebbende is ter zitting van het Hof verzocht nadere stukken over te leggen. Daarin heeft het Hof bewilligd. Bij schrijven van 5 juni 2020 zijn deze nadere stukken overgelegd. Deze zijn door het Hof doorgestuurd naar de Inspecteur, welke daarop bij schrijven van 23 juni 2020 heeft gereageerd.

1.18

Het onderzoek ter nadere zitting heeft via een Skype verbinding plaatsgevonden op 25 augustus 2020 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. [A] , als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mr. [B] , alsmede [C] namens de Inspecteur.

1.19

Van het verhandelde ter nadere zitting is eveneens een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is tot 2004 in het bezit van 50 procent van de aandelen in [D] bv (hierna: de bv). In 2004 heeft belanghebbende de overige 50 procent van de aandelen in de bv gekocht van [E] . Vanaf dat moment bezit belanghebbende 100 procent van de aandelen. Voorts bezit belanghebbende 99,45 % van de certificaten van aandelen in [F] bv.

2.2

Tegen belanghebbende is een strafrechtelijk onderzoek gestart in verband met de verdenking van witwassen.

2.3

Belanghebbende is bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 9 juli 2010 en in hoger beroep bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 mei 2012 veroordeeld wegens onder meer – kort gezegd – drugshandel en witwassen als bedoeld in artikel 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht in de periode 1 januari 2005 tot en met 28 mei 2008.

2.4

Het gerechtshof Amsterdam overweegt in het hiervoor – onder 2.3 – genoemde arrest ten aanzien van het witwassen onder meer dat

Op grond van de bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan bovenstaande criminele organisatie. Het bewijs van het (dubbele) opzet van de verdachte, zowel op de deelname aan de organisatie, als op het oogmerk van deze organisatie, volgt uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen hiervoor over de rol en het handelen van de verdachte is overwogen.

Voorts was [belanghebbende], naar uit het bovenstaande volgt, de onbetwiste leider van de organisatie.

(…)Uit het financiële onderzoek naar de verdachte (…) is verder gebleken dat in de periode van 1 januari 2005 tot en met 28 mei 2008 er vrijwel geen zakelijke transacties hebben plaatsgevonden in de vennootschappen van [belanghebbende]. Ook [medeverdachte v V.] heeft verklaard dat de bedrijfsactiviteiten stil lagen. In deze periode hebben [belanghebbende] of zijn echtgenote echter wel verschillende stortingen gedaan tot in totaal grote bedragen, heeft [belanghebbende] een auto gekocht en moneytransfers gedaan.[medeverdachte v V.] heeft bij de politie verklaard dat de op de banken gestorte gelden afkomstig waren uit de handel in grondstoffen voor verdovende middelen en dat er af en toe grote sommen geld in de woning lagen.

[Belanghebbende] heeft geen aannemelijke verklaring kunnen geven met betrekking tot de herkomst van deze bedragen, terwijl wel aannemelijk is dat de handel in precursoren en de betaling daarvan plaatsvindt in contanten.(…)

Bewezenverklaring

(…) onder 10 primair:

(B14: witwassen)

(…) in de periode van 1 januari 2005 tot en met 28 mei 2008 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, immers heeft hij verdachte en zijn mededader:

ten aanzien van contante stortingen op bankrekeningen

- in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 in Nederland in totaal een bedrag van € 38.470,08 (Rabo) en € 3.100,- (SNS),

(…)

- in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 in totaal een bedrag van € 71.891,03 (Rabo) en in totaal een bedrag van € 21.980,- (ABN-AMRO);

- in de periode 1 januari 2008 tot en met mei 2008 in totaal een bedrag van € 28.077,03 (Rabo) en in totaal een bedrag van €5.650,- (ABN) en in totaal een bedrag van € 5.000,- (SNS) en

(…)

ten aanzien van aankoop Dodge Caliber

- op 11 mei 2007 in Nederland een geldbedrag van € 29.800,-

overgedragen, omgezet, gebruikt en/of voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit een misdrijf;

en

hij heeft (alleen) in de periode van 1 januari 2005 tot en met 28 mei 2008 in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt immers heeft hij, verdachte,

ten aanzien van contante stortingen bedrijfsrekeningen

in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 in Nederland in totaal een bedrag van

- € 2.600,- (ABN-Amro: (…))

- € 100,- (ABN-Amro: (…))

(…)

in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 in totaal een bedrag van

- € 12.540,- (ABN-Amro: (…))

- € 1.500,- (ABN-Amro: (…)).

ten aanzien van de money transfers

(…)

- op 28 februari 2007 in Nederland, een geldbedrag, te weten € 1.000,- en

- op 19 september 2007 in Nederland, een geldbedrag, te weten € 1.439,- en

ten aanzien van genoemde geldbedragen in opgenomen telefoongesprekken

(…)

- op 16 juni 2007 in Nederland, een geldbedrag, te weten € 2.661,-

overgedragen, omgezet, gebruikt en/of voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit een misdrijf.”.

2.5

Aldus heeft het gerechtshof Amsterdam vastgesteld dat belanghebbende in de jaren 2005, 2007 en 2008 respectievelijk in totaal € 44.270, € 142.811 en € 38.727 in contanten op bankrekeningen heeft gestort, welke bedragen afkomstig zijn uit een misdrijf.

2.6

Ten aanzien van het verweer van belanghebbende in de strafprocedure dat de FIOD/ECD zijn administratie in beslag heeft genomen en niet volledig zou hebben geretourneerd, overwoog het gerechtshof Amsterdam als volgt:

Naar aanleiding van eerdere verzoeken van de verdediging, onder meer gedaan tijdens de regiezitting in deze zaak, heeft het openbaar ministerie gedurende de procedure in hoger beroep doen onderzoeken of en zo ja, welke administratie van de verdachte in beslag was genomen en nog niet was teruggegeven. Op de zitting van 22 september 2011 heeft het openbaar ministerie laten weten, zich baserend op een proces-verbaal van teruggave, zich op het standpunt te stellen dat al deze administratie is teruggegeven. Hierna hebben, zo blijkt uit correspondentie, nog nadere contacten tussen de raadsman en het openbaar ministerie op dit punt plaatsgevonden, waaruit volgt dat de raadsman kennelijk niet de beschikking had over het uitgebreide financieel dossier dat in deze zaak is gevoegd (hoewel het openbaar ministerie op dat punt van mening is dat dit in elk geval wel in de eerste aanleg in digitale vorm op CD ROM is verstrekt) en is dat tijdig voor de verdere inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 13 april 2012 alsnog in kopie verstrekt. Het standpunt dat alle administratie is teruggegeven heeft het openbaar ministerie bij repliek herhaald.

Het financieel dossier dat zich bij het dossier bevindt bevat een uitgebreide verzameling administratieve bescheiden, inclusief bankafschriften, van rekeningen die door de verdachte, verdachte tezamen met zijn echtgenote, de bedrijven (…) werden gehouden. Het hof constateert dat deze bescheiden grotendeels voldoen aan de omschrijving die de verdediging van de inhoud van de 22 ordners heeft gegeven. De verdediging heeft zich daaromtrent niet uitgelaten, maar slechts gesteld dat niet alle financiële bescheiden aan het dossier zijn toegevoegd. Potentieel ontlastend materiaal, zoals bewijzen van stortingen en opnamen in het buitenland en kwitanties van in het buitenland ontvangen gelden, zou welbewust buiten het dossier zijn gelaten. Dit is echter niet nader geconcretiseerd.

Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat er na de alsnog door het openbaar ministerie ondernomen uitgebreide zoekslag nog administratie resteert, die in beslag is genomen maar niet is teruggegeven, is de enige gerechtvaardigde conclusie dat die administratie zoek is. Dat daarmee sprake is van een welbewust en opzettelijk handelen van de zijde van het openbaar ministerie is echter geenszins aannemelijk geworden. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat die informatie ontlastend was of dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad. Daarbij geldt dat gesteld noch gebleken is, dat de verdachte enige poging in het werk heeft gesteld om bij de bewuste banken in binnen- of buitenland of bij zijn zakenpartners de aan die zijde berustende afschriften van de bewuste administratie te verkrijgen, waar dit toch zeer voor de hand had gelegen en van hem verwacht mocht worden, indien die administratie van enig belang was voor zijn verdediging.

Het verweer wordt dan ook verworpen.”.

2.6

Tegen het bedoelde arrest van het gerechtshof Amsterdam is geen cassatie ingesteld, noch is verzocht om herziening daarvan.

2.7

Bij vonnis van 4 augustus 2015 heeft de rechtbank Noord-Holland het bedrag van het door belanghebbende wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 565.221,46 overeenkomstig de schatting van de officier van justitie.

2.8

Bij arrest van 7 april 2017 heeft het gerechtshof Amsterdam het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het hiervoor bedoelde witwassen vastgesteld op € 395.000, overeenkomstig een overeengekomen schikking tussen het Openbaar Ministerie en belanghebbende.

2.9

De Inspecteur heeft naar aanleiding van de strafrechtelijke procedures de hiervoor – onder 1.1 tot en met 1.3 – vermelde belastingaanslagen opgelegd. Daarbij is voor 2005 € 46.434 gecorrigeerd wegens inkomen uit witwasactiviteiten, voor 2007 € 141.259 en voor 2008 € 35.727. Deze bedragen zijn als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen.

2.10

De Rechtbank heeft in haar uitspraak de correctie voor het jaar 2005 ter zake van de inkomsten uit witwasactiviteiten verminderd met € 2.164 tot € 44.270.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de bestreden belastingaanslagen terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de bestreden aanslagen.

3.3

De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken en in de processen-verbaal van de zitting en de nadere zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Voor eerst en vooraf

4.1

Het Hof heeft, zoals hiervoor – onder 1.11 – vermeld, het verzoek van belanghebbende om de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van het Hof van 2 juni 2020 afgewezen.

4.2

Artikel 15, tweede en derde lid, van de Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2014 bepalen dat een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting zo mogelijk schriftelijk, onder aanvoering van gewichtige redenen en tijdig, wordt ingediend. Onder tijdig wordt verstaan: zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging of zo spoedig mogelijk nadat van de tot uitstel nopende omstandigheid is gebleken. Een verzoek dat voldoet aan de in het tweede lid omschreven voorwaarden wordt ingewilligd, tenzij het gerechtshof oordeelt dat zwaarder wegende belangen hieraan in de weg staan. Het Hof heeft in de – hiervoor onder 1.7 - vermelde uitnodiging van 6 mei 2020 daaraan gevolg gegeven door voor verzoeken om uitstel van mondelinge behandeling een termijn van zeven dagen na de dagtekening van de uitnodiging te stellen en te bepalen dat na ommekomst van die termijn slechts uitstel van de mondelinge behandeling wordt gegeven indien sprake is van zwaarwegende omstandigheden die nadien zijn opgekomen. Belanghebbendes gemachtigde heeft zijn verzoek twee dagen te laat ingediend en geen redenen voor uitstel genoemd die na 13 mei 2020 zijn opgekomen.

4.3

Gelet evenwel op de omstandigheid dat het Hof de zaken in tweede en laatste feitelijke instantie behandeld, het grote financiële belang voor belanghebbende en de bijzondere omstandigheid van de overheidsmaatregelen in verband met de uitbraak van het Covid-19-virus, heeft het Hof bij zijn afwijzing van het verzoek niettegenstaande het vorenoverwogene in dit concrete geval een zorgvuldige afweging gemaakt van enerzijds het verdedigingsbelang van belanghebbende en anderzijds het belang van een doelmatige procesgang.

4.4

Het Hof stelt daarbij voorop dat in de belastingprocedure, die zich kenmerkt door vrij informele procesregels en waarbij de nadruk ligt op de mondelinge behandeling, het belang van belanghebbende zelf aanwezig te kunnen zijn bij de zitting en voorafgaand aan de zitting overleg te kunnen hebben met zijn raadslieden, zwaar weegt.

4.5

Aan de andere kant is een voortvarende behandeling van de zaak in elk geval binnen twee jaren – de uitspraak van de Rechtbank is gedagtekend 10 april 2019 – ook een te respecteren belang. Daarbij neemt het Hof ook in aanmerking dat de wederpartij en het Hof zelf ten tijde van het verzoek met de voorbereiding van de voorgenomen mondelinge behandeling waren begonnen. Bovendien is de zittingscapaciteit van het Hof, ook de digitale zittingscapaciteit, ten gevolge van de uitbraak van het Covid-19-virus beperkt en was de zittingszaal reeds gereserveerd.

4.6

Naar het oordeel van het Hof prevaleert in dit specifieke geval het belang van een doelmatige rechtsgang boven het verdedigingsbelang. Daarbij neemt het Hof het volgende in aanmerking. Reeds in de motivering van het appelschrift van 26 juli 2019 heeft de gemachtigde aangekondigd met nadere bewijsstukken te komen die hij in het kader van de omkering en verzwaring van de bewijslast stelt te hebben. Tot aan de zitting heeft hij deze evenwel niet overgelegd. Zoals volgt uit het bepaalde in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht en ook is opgenomen in de hiervoor – onder 1.7 – bedoelde uitnodiging voor de zitting, dienen stukken als hoofdregel uiterlijk tien dagen voor de zitting te worden overgelegd. In uitzonderingsgevallen waarin het Hof zulks aangewezen acht, kunnen nadere stukken bovendien alsnog na de zitting worden ingebracht, hetgeen in het onderhavige geval ook is gebeurd. Ook aangekondigde getuigen dienen uiterlijk tien dagen voor de zitting te worden aangemeld. Weliswaar heeft de gemachtigde van belanghebbende bij zijn hiervoor – onder 1.7 – bedoelde e-mailbericht van 15 mei 2020 (voor het eerst) aangegeven getuigen naar de zitting te willen meebrengen, maar hij heeft dit getuigenaanbod voorafgaand aan de zitting op geen enkele wijze geconcretiseerd, laat staan getuigen bij naam aangemeld. Tijdens de zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende zijn getuigenaanbod overigens laten varen.

4.7

Het Hof heeft belanghebbende de keuze gegeven op 2 juni 2020 de zitting fysiek dan wel digitaal bij te wonen. Nog daargelaten dat blijkens de hiervoor – onder 1.9 – vermelde gegevens er voor belanghebbende weldegelijk de mogelijkheid bestond om vanuit Oostenrijk naar Nederland te reizen om de zitting bij te wonen, biedt nu juist een digitale zitting in een dergelijk geval uitkomst. Belanghebbende noch zijn gemachtigde hebben aannemelijk gemaakt dat de onderhavige zaak een fysieke behandeling vergt, ter zitting waarvan immers reeds eerder beschikbare stukken in beginsel niet meer konden worden overgelegd en waarvoor geen concrete getuigen waren aangemeld. De blote stelling dat de skype-for-bussiness-verbinding niet veilig zou zijn, noch de blote stelling dat de zaak zich niet leent voor een digitale behandeling, zijn daartoe, naar het oordeel van het Hof, voldoende. Ook ten aanzien van het gewenste interne beraad tussen belanghebbende en zijn raadsman en belastingadviseur is niet aannemelijk geworden waarom dat overleg niet telefonisch of met behulp van elektronische communicatiemiddelen kon worden gevoerd.

4.8

Dat belanghebbende met de afwijzing van het verzoek niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad, vindt steun in de omstandigheid dat belanghebbende de nadere zitting, die eveneens op digitale wijze heeft plaatsgevonden, zelf heeft kunnen bijwonen, en desgevraagd ter zitting van het Hof heeft aangegeven alles naar voren te hebben kunnen brengen wat hij voor zijn zaak dienstig achtte.

Ten gronde

4.9

Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur de bestreden belastingaanslagen niet had mogen opleggen met omkering en verzwaring van de bewijslast en dat hij de hoogte van deze belastingaanslagen niet had mogen baseren op de hiervoor – onder 2.3 – bedoelde uitspraken van de strafrechter.

4.10

Op grond van het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 27h, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt – voor zover hier van belang – indien de vereiste aangifte niet is gedaan het hoger beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.11

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast (vgl. HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

4.12

De Inspecteur heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat belanghebbende in de jaren 2005, 2007 en 2008 respectievelijk € 44.270, € 142.811 en € 38.727 aan resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten. Het Hof stelt vast dat het, gelet op het hiervoor – onder 2.3 – bedoelde arrest van de strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, aannemelijk is dat belanghebbende in de onderhavige jaren ter grootte van de genoemde bedragen contante stortingen heeft gedaan. Naar het oordeel van het Hof, is er geen rechtsregel die de Inspecteur verbiedt van het bedoelde arrest gebruik te maken. Overigens stelt het Hof vast dat belanghebbende de door de Inspecteur gestelde stortingen als zodanig niet heeft betwist.

4.13

De Inspecteur heeft, daarbij eveneens wijzend op hiervoor bedoelde uitspraken van de strafrechter, gesteld dat aannemelijk is dat de in contanten gestorte bedragen afkomstig zijn uit de criminele activiteiten waarvoor belanghebbende is veroordeeld. Belanghebbende heeft daartegenover gesteld dat de gestorte bedragen niet afkomstig zijn uit die criminele activiteiten, maar dat voor de herkomst van deze bedragen een andere verklaring is. Belanghebbende heeft in dat kader een aantal bescheiden overgelegd.

4.14

Belanghebbende heeft allereerst een aangifte vennootschapsbelasting van [F] bv voor het jaar 2004 overgelegd. Desgevraagd heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard dat dit stuk uitsluitend ter illustratie dient. Met deze aangifte weerspreekt belanghebbende, naar het oordeel van het Hof, de stellingen van de Inspecteur niet voldoende. Nog daargelaten dat de aangifte ziet op het jaar 2004, blijkt uit de bedoelde aangifte weliswaar een forse afname van de liquide middelen van de vennootschap, maar daarmee wordt niet voldoende gemotiveerd dat die afname het gevolg is van een uitkering in welke vorm dan ook van liquide middelen aan belanghebbende.

4.15

Het overgelegde spaarbankboekje van een tegoed bij de [a-bank] in Oostenrijk bewijst contante opnamen door belanghebbende in 2007 en 2008 ten bedrage van circa € 30.000, maar daarmee is de herkomst van de op het bedoelde spaarbankboekje gestorte tegoed nog niet komen vast te staan. Niet valt uit te sluiten dat de in de onderhavige jaren daarop gestorte bedragen afkomstig zijn uit de criminele activiteiten waarvoor belanghebbende is veroordeeld. Om die reden weerspreekt belanghebbende de stelling van de Inspecteur ook op dit punt onvoldoende. Overigens is met de aanwezigheid van het spaarbankboekje ook reeds rekening gehouden in het vonnis van rechtbank Haarlem van 9 juli 2010 en in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 mei 2012. Het vorenoverwogene geldt mutatis mutandis ook voor de betaling van de Dodge Caliber met een contante opname ten laste van dat spaarbankboekje. Het Hof stelt evenwel vast dat de contante opname voor de betaling en de betaling van de Dodge Caliber als zodanig daardoor ten onrechte twee maal in aanmerking zijn genomen. De correctie voor het jaar 2007 is daarom € 29.800 te hoog vastgesteld.

4.16

De door belanghebbende overgelegde verkoopakte van een perceel grond met opstal in Frankrijk vermeldt een door hem op 12 januari 2017 ontvangen koopsom van € 60.000 minus kosten. Belanghebbende heeft gesteld dat daarnaast door hem nog € 30.000 in contanten van de koper zou zijn ontvangen als supplement op de koopprijs. Dit bedrag zou op 23 januari 2017 op een rekening bij de [a-bank] in Oostenrijk zijn gestort. Uit de overgelegde stukken blijkt van een storting van € 30.000 op die datum, maar een kwitantie van de contante nabetaling van de koper van de onroerende zaak ontbreekt. Belanghebbende heeft in dat verband evenwel gesteld dat – kort gezegd - hij in zijn bewijspositie is aangetast, omdat de FIOD/ECD (een deel van) de administratie, waaronder de bedoelde kwitantie, is kwijtgeraakt. Daardoor, zo stelt hij, kan hij onmogelijk de stelling van de Inspecteur op dit punt gemotiveerd weerspreken. Uit de hiervoor – onder 2.5 – aangehaalde overwegingen van de strafkamer van het gerechtshof Amsterdam kan worden afgeleid dat niet uitgesloten is dat de bedoelde kwitantie door de FIOD/ECD in beslag is genomen en niet geretourneerd. Anders dan in de strafzaak, heeft belanghebbende door te wijzen op de bedoelde kwitantie voldoende concreet aangegeven welk - voor hem voor een voldoende gemotiveerde weerspreking relevante - document niet is teruggegeven. Het moet daarom, naar het oordeel van het Hof, beoordeeld op grond van de normale regels van stelplicht en bewijslast, ervoor worden gehouden dat sprake kan zijn geweest van de betaling van een contant deel van de koopsom van € 30.000 voor de onroerende zaak in Frankrijk. De Inspecteur maakt daarom ook in zoverre zijn correctie voor 2007 niet aannemelijk.

4.17

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de door belanghebbende in de jaren 2005, 2007 en 2008 gedane stortingen voor respectievelijk € 44.270, € 83.011 en € 38.727 afkomstig zijn uit de bedoelde criminele activiteiten. De, naar het oordeel van het Hof overigens juiste, kwalificatie van deze inkomsten als resultaat uit overige werkzaamheden, is in dat verband, anders dan belanghebbende meent, in het kader van de beoordeling of de vereiste aangifte is gedaan, niet van belang.

4.18

De hiervoor – onder 4.17 – genoemde bedragen zijn in de respectieve jaren niet aangegeven voor de IB/PVV. Naar het oordeel van het Hof, zijn deze bedragen absoluut en relatief aanzienlijk en belanghebbende moet zich er redelijkerwijs van bewust zijn geweest dat door het niet aangeven van deze bedragen een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Aldus heeft belanghebbende over de bedoelde jaren niet de vereiste aangiften IB/PVV gedaan. De Inspecteur heeft de bestreden belastingaanslagen daarom kunnen opleggen met omkering en verzwaring van de bewijslast.

4.19

Het is, gelet op het vorenoverwogene, aan belanghebbende om overtuigend aan te tonen dat de bestreden belastingaanslagen onjuist zijn. Belanghebbende heeft, naar het oordeel van het Hof, met hetgeen hij ter zake daarvan naar voren heeft gebracht, waaronder de hiervoor - onder 4.14 tot en met 4.16 - besproken door hem overgelegde bescheiden, niet overtuigend aangetoond dat de opgelegde belastingaanslagen onjuist zijn. Dat de Inspecteur de herkomst van een deel van de gestorte bedragen niet aannemelijk heeft gemaakt, doet daar niet aan af. In dat verband overweegt het Hof nog dat hetgeen hiervoor – onder 4.16 – is overwogen ten aanzien van een mogelijke contante nabetaling van de koopsom voor de onroerende zaak in Frankrijk, niet betekent dat belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat dat bedrag niet in de heffing betrokken kon worden. De Inspecteur heeft namelijk voor dat geval met een beroep op interne compensatie gesteld dat uit de aangifte IB/PVV van belanghebbende voor het jaar 2006 blijkt dat de bedoelde onroerende zaak ultimo 2006 op de resultaatsbalans stond op grond van de terbeschikkingstellingsregeling. Belanghebbende heeft zijn stelling dat de onroerende zaak geen terbeschikkingstellingsvermogen vormde, maar deel uitmaakte van de vermogensrendementsgrondslag niet overtuigend aangetoond.

4.20

Ook indien er sprake is van omkering van de bewijslast mag een aanslag of navorderingsaanslag niet naar willekeur zijn vastgesteld, maar dient deze te berusten op een redelijke schatting (vgl. HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486).

4.21

Belanghebbende heeft gesteld dat van een dergelijke redelijke schatting door de Inspecteur geen sprake is.

4.22

Zoals hiervoor is overwogen, is de schatting van de inkomsten uit witwassen door de Inspecteur gebaseerd op het voormelde arrest van de strafkamer van het gerechtshof Amsterdam. Voor zover de correcties bij aanslagregeling de daar genoemde bedragen overschrijden, hetgeen in 2005 het geval was, heeft de Rechtbank de navorderingsaanslag voor dat jaar reeds neerwaarts aangepast. In de overige jaren (2007 en 2008) is de Inspecteur bij zijn schatting van lagere bedragen uitgegaan. Bovendien wijst het Hof op de hiervoor – onder 2.5 – vermelde schikking met betrekking tot het door belanghebbende wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Hof acht de schattingen van de Inspecteur in het licht daarvan redelijk, met dien verstande dat, gelet op hetgeen hiervoor – onder 4.15 – is overwogen, de correctie voor het jaar 2007 met een bedrag van € 29.800 dient te worden verminderd.

4.23

Belanghebbendes stelling dat het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest heeft geoordeeld dat sprake was van enkel voorbereidende handelingen door belanghebbende, vindt geen steun in dat arrest.

4.24

Het hoger beroep is ook gericht tegen de hiervoor – onder 1.1 tot en met 1.3 – genoemde beschikkingen heffingsrente. Daartegen zijn evenwel geen afzonderlijke grieven gericht, zodat, gelet op het vorenoverwogene, het hoger beroep ook in zoverre slechts voor het jaar 2007 slaagt. De beschikking heffingsrente voor het jaar 2007 dient dienovereenkomstig te worden verminderd.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

De proceskosten van belanghebbende voor het hoger beroep zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2,5 punten (het hogerberoepschrift, het bijwonen van de zitting en het bijwonen van de nadere zitting) x wegingsfactor 1 x € 525 = € 1.312,50 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6 Beslissing

Het Hof

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de aanslag en de beschikking heffingsrente voor het jaar 2007 betreft,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, voor zover het de aanslag en de beschikking heffingsrente voor het jaar 2007 betreft,

– vermindert de aanslag voor het jaar 2007 tot een die is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 123.833,

– vermindert de bestreden beschikking heffingsrente voor het jaar 2007 dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.312,50,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 128 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 17 november 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd De voorzitter,

te tekenen.

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 november 2020

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.