Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9398

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
200.255.693/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De raad reageert gemotiveerd het dringende verzoek van het hof om bij het bader onderzoek (ten aanzien van gezag en contact) een traumadeskundige te raadplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


Locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.255.693/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 179759)

beschikking van 12 november 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D. Beuving te Hengelo,

en

[verweerder] ,

wonende op een geheim te houden adres,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. W.J.P. Suringar te Assen.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 24 september 2019 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van

29 januari 2020 met als bijlage het raadsrapport van dezelfde datum;

- een journaalbericht van mr. Beuving van 29 april 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Beuving van 11 augustus 2020 met productie(s).

1.3

De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2020. Een van de raadsheren, mr. M.P. den Hollander, nam deel aan de zitting via een Skype-verbinding.

De moeder en de vader zijn ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De raad, vertegenwoordigd door de heer [B] , is via een Skype-verbinding ter zitting verschenen.

1.4

Naar aanleiding van de mondelinge behandeling heeft de griffier op 9 oktober 2020 een brief gezonden aan de raad.

Met toestemming van het hof zijn nog ingekomen:

- een brief van de raad van 8 oktober 2020;

- een brief van de raad van 13 oktober 2020 en

- een brief van mr. Beuving van 19 oktober 2020.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van
24 september 2019, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die beschikking heeft het hof de raad verzocht een nader onderzoek in te (doen) stellen naar de vraag of het op dit moment in het belang van de kinderen is om contact (in welke vorm dan ook) op te starten tussen de moeder en de kinderen en of gezamenlijk gezag van de beide ouders aangewezen is. De raad is in dat kader gevraagd antwoord te geven en advies uit te brengen over de door het hof gestelde vragen. Het hof heeft het daarbij aangewezen geacht dat de raad voor het verkrijgen van de nodige informatie en het afwegen van de belangen van de kinderen, gelet op de ernst en de duur van de gebeurtenissen, ook een (trauma)deskundige raadpleegt. Daarnaast heeft het hof:

- bepaald dat de behandeling van de zaak wordt voortgezet op een na ontvangst van het
rapport van de raad te bepalen datum;

- een voorlopige informatieregeling bepaald in die zin dat de vader, op ieder moment dat de kinderen een (nieuw) schoolrapport krijgen, (desgewenst via een (professionele) derde) de moeder informeert over de ontwikkelingen en de gezondheid van de kinderen, onder bijvoeging van recente foto’s, een en ander uitvoerbaar bij voorraad, onder aanhouding van iedere verdere beslissing.

2.3

Bij de voortgezette mondelinge behandeling heeft het hof de raad verzocht om nader toe te lichten waarom de raad – in afwijking van de onderzoeksopdracht – geen traumadeskundige heeft ingeschakeld. Nadien heeft het hof bij brief van 9 oktober 2020 de raad aanvullend verzocht om ook nog nader in te gaan op het door de moeder overgelegde psychologische rapport en te berichten of dit rapport aanleiding geeft om het raadsadvies aan te vullen of te wijzigen.

2.4

De raad heeft in zijn nadere toelichtingen verklaard geen traumadeskundige te hebben ingeschakeld vanwege de door het hof gestelde beperking aan het onderzoek (het niet onnodig belasten van de kinderen), de verwachting dat een traumadeskundige niet in staat is om enkel op basis van mondelinge en/of schriftelijke informatie zich weloverwogen uit te laten over de meest passende stappen in het contactherstel, nu deze per situatie en per persoon verschillend zijn en ook vanwege het feit dat de (voormalige) speltherapeute van [de minderjarige1] die bekend met haar is, een visie op haar belangen heeft kunnen geven en dat bij de besluitvorming rond het advies ook een gedragsdeskundige vanuit de raad betrokken is geweest. Verder zag de raad geen meerwaarde in het raadplegen van een traumadeskundige, gezien de vele contra-indicaties in het systeem die maken dat contactherstel nu niet in het belang van de kinderen wordt geacht. De raad heeft het hof verder bericht dat het proces en de voortgang van de behandelingen niet voor iedereen gelijk zijn en dat het feit dat het nu beter gaat met de moeder, niet betekent dat er binnen afzienbare tijd contact gelegd kan worden tussen de kinderen en de moeder, omdat zowel de vader als de kinderen last ervaren van het verleden en tijd nodig hebben om het gebeurde te verwerken en een plek te geven.

De raad blijft, ondanks de verbeterde situatie aan de kant van de moeder, derhalve bij de adviezen zoals opgenomen in het onderzoeksrapport van 29 januari 2020, te weten om het verzoek betreffende de wijziging van gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag van de vader toe te wijzen en het verzoek van de moeder om een contactregeling met de kinderen vast te stellen af te wijzen, met dien verstande dat de raad in de nadere toelichting heeft aangegeven dat de raad denkt dat op een termijn van 2-3 jaar opnieuw gekeken kan worden of het dan mogelijk is om over te gaan tot contactherstel.

De raad acht het van belang om de inmiddels aan de vader opgelegde informatieverplichting voort te zetten (en indien mogelijk op termijn uit te breiden). Verder adviseert de raad de vader om hulp te zoeken om zijn verleden met de moeder te verwerken en om handvatten te krijgen bij hoe hij de moeder een rol kan geven in het leven van de kinderen. De raad adviseert de moeder om met hulpverlening zo stabiel mogelijk te zijn/worden en haar inzicht in haar aandeel en het effect op de kinderen te vergroten. Hulpverlening aan de kinderen dient gericht te zijn op het vergroten van hun weerbaarheid, het verwerken van traumatische gebeurtenissen, het bespreekbaar maken van het onderwerp ‘moeder’ en de familie van moederszijde.

2.5

Het hof vindt de nadere toelichting van de raad voor wat betreft het niet inschakelen van een traumadeskundige afdoende en ziet geen aanleiding om, zoals door de moeder verzocht, alsnog een traumadeskundige te betrekken bij deze zaak. De moeder, de vader en de kinderen hebben een extreem heftige periode achter de rug en zijn allen, op verschillende manieren, slachtoffer van het ziektebeeld van de moeder. Met de moeder lijkt het inmiddels bergopwaarts te gaan. Zij is onder behandeling bij het FACT team in verband met haar stemmingsstoornis, krijgt medicatie en begeleiding en zij is bezig haar leven verder vorm te geven. De vader is hertrouwd en het gezin is verhuisd. De vader heeft met zijn nieuwe partner, die zelf drie minderjarige kinderen heeft uit een eerdere relatie, een baby gekregen en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] maken sinds de verhuizing deel uit van dit nieuwe, grote, samengestelde gezin. Zij gaan sinds de verhuizing ook naar een andere school. Uit het rapport van de raad en de naderhand gegeven toelichting van de raad maakt het hof op dat de vader en de kinderen meer tijd nodig hebben om te herstellen van hun traumatische ervaringen in de voormalige gezinssituatie met de moeder. Dit is ook bij de voortgezette mondelinge behandeling gebleken. Voor [de minderjarige1] is de situatie thuis extreem onveilig geweest en wel zodanig dat haar onbevangenheid naar volwassenen toe is verdwenen. Zij heeft geruime tijd speltherapie gehad om haar traumatische ervaringen te verwerken, maar dit proces is nog niet voltooid. Praten over haar moeder lukt nog niet en traumaverwerking door middel van gerichte therapie als EMDR kan ook nog niet gestart worden. [de minderjarige1] reageerde nog dermate heftig op de moeder, dat de vader de foto van de moeder in huis heeft weggehaald. Haar angst voor de moeder is nog groot. Ook [de minderjarige2] heeft traumatische ervaringen met de moeder. Ook hij spreekt niet over haar. Ondanks dat het nu relatief goed met hem lijkt te gaan, is het waarschijnlijk dat die ervaringen later, in meer of mindere mate, zijn weerslag zullen hebben op zijn ontwikkeling. Hij heeft nu (nog) geen therapie maar zijn ontwikkeling wordt door de mensen om hem heen, ook vanuit de school, nauwlettend gevolgd zodat, indien nodig, hulp kan worden ingezet.

De vader geeft aan dat hij sinds de traumatische ervaringen tijdens de huwelijkse periode met de moeder nog geen rust heeft ervaren. Er is sindsdien ook veel gebeurd. Niet alleen rond de (begeleiding van de) eigen kinderen maar ook het nieuwe gezin, de verhuizing, de nieuwe baby etc. Ook de onderhavige procedure levert onrust en spanningen bij de vader op. De vader is nog niet aan zijn eigen verwerkingsproces van de traumatische ervaringen uit de huwelijkse periode met de moeder toegekomen. Voordat hij de kinderen zou kunnen ondersteunen, in hun verhouding tot hun moeder, heeft hij, zo geeft de vader aan, eerst zelf behoefte aan rust. Hij heeft daarnaast ook geen enkel vertrouwen in een blijvende verbeterde situatie bij de moeder, gelet op zijn ervaringen met haar uit het verleden, en vreest voor herhaling van stalking door de moeder.

gezag

2.6

Ingevolge artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

2.7

Het hof is, mede gelet op de overwegingen onder 2.4 en 2.5 en evenals de raad van oordeel dat de in het verleden plaatsgevonden heftige traumatische gebeurtenissen die verband hielden met het ziektebeeld van de moeder, in de weg staan aan een gezamenlijk ouderlijk gezag over de kinderen. De vader ervaart op grond van die gebeurtenissen een diepgaande verstoorde verhouding met de moeder en van enige communicatie tussen hen is geen sprake. Het hof deelt bovendien de zorgen van de raad dat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem en verloren raken tussen de ouders, als er wel contact is tussen de ouders, omdat dit contact bij de vader zal leiden tot grote spanningen, die hun weerslag zullen hebben op de kwetsbare gezinssituatie. De vader heeft immers zijn handen overvol aan de begeleiding van zijn getraumatiseerde kinderen, zijn nieuwe woonsituatie, zijn nieuwe gezin en zijn werk. Aan eigen traumaverwerking is de vader nog niet toegekomen. Van de vader kan onder deze omstandigheden in redelijkheid dan ook niet gevergd worden dat hij in gezamenlijkheid met de moeder het ouderlijk gezag over de kinderen uitoefent. Het hof verwacht bovendien ook niet dat de geschetste situatie binnen afzienbare tijd zal verbeteren Daar komt nog bij dat de moeder geen direct zicht heeft op de kinderen en zij daarom geen weloverwogen beslissingen over hen zal kunnen nemen. Concluderend zal het hof het advies van de raad volgen ten aanzien van het ouderlijk gezag en het eenhoofdig gezag van de vader handhaven.

omgang

2.8

De moeder wil graag het contact met de kinderen herstellen en heeft verzocht om een omgangsregeling vast te stellen.

De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Ingevolge 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van

het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang

met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

2.9

Het hof overweegt dat de ontwikkeling van de moeder op dit moment weliswaar een stijgende lijn laat zien, maar dat los van de mogelijkheden van de moeder, er met name op dit moment contra-indicaties zijn bij zowel [de minderjarige1] , [de minderjarige2] als bij de vader, die maken dat het hof contactherstel tussen de moeder en de kinderen niet in het belang van de kinderen acht. Deze contra-indicaties betreffen de psychische problemen van de moeder en haar onvermogen om bij de kinderen aan te sluiten, de opgelopen trauma’s bij de kinderen en de onvoltooide verwerking daarvan, de kwetsbaarheid van [de minderjarige1] en het totale gebrek aan vertrouwen van de vader in de moeder en zijn onvermogen om de kinderen te stimuleren en te begeleiden in het contact met de moeder. Met de raad is het hof van oordeel dat zowel de vader als de kinderen meer tijd nodig hebben om hun trauma’s te verwerken. Het proces van speltherapie voor [de minderjarige1] is nog niet voltooid en zij is nog niet toegekomen aan traumaverwerking. Dit zal eerst moeten plaatsvinden, voordat er enig contact kan zijn tussen de moeder en [de minderjarige1] en dit heeft tijd nodig. Mogelijk is voor [de minderjarige2] ook (nu of later) traumabehandeling wenselijk. Verder heeft de vader hulpverlening nodig bij de verwerking van het verleden en om handvatten te krijgen bij de begeleiding van de kinderen om hun moeder een rol te geven in hun leven. De angst van de vader voor herhaling en voor stalking door de moeder is op dit moment nog zo groot dat hij met de kinderen op een voor de moeder geheim adres woont en niet in staat zal zijn de kinderen zonder spanningen contact met de moeder te laten hebben, zodat naar het oordeel van het hof ook de uitvoering van een omgangsregeling in de weg staat aan het verkrijgen van de benodigde rust en stabiliteit bij de vader en de kinderen. Een omgangsregeling levert daarmee ernstig nadeel op voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de kinderen en is ook anderszins in strijd met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Daarom zal het hof de beslissing van de rechtbank voor wat betreft het verzoek van de moeder om een omgangsregeling vast te stellen, bekrachtigen. Het hof gaat er hierbij wel van uit dat de vader in de door de raad genoemde “rustperiode” de door de raad geadviseerde en ook door het hof noodzakelijk geachte hulpverlening voor hemzelf zal inschakelen. De moeder kan deze periode dan gebruiken voor verdere bestendiging van de stabiliteit van haar situatie en vergroting van haar inzicht in haar aandeel in de ontstane situatie en het effect op de kinderen (en de vader).

informatieregeling

2.10

Volgens artikel 1:377b BW is de met het gezag belaste ouder gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden- over daaromtrent te nemen beslissingen.

2.11

Het hof heeft bij zijn tussenbeschikking van 24 september 2019 ambtshalve al een voorlopige informatieregeling bepaald. De raad heeft bij de voortgezette mondelinge behandeling geadviseerd een definitieve informatieregeling te bepalen. Bij de voortgezette mondelinge behandeling is het hof gebleken dat de moeder graag vier keer per jaar wil worden geïnformeerd en de vader dit liever beperkt tot twee keer per jaar op vaste data. Nu de moeder geen contact kan hebben met de kinderen, zal het hof ambtshalve de hierna te melden informatieregeling bepalen, waarbij de frequentie naar het oordeel van het hof redelijk is en tegemoet komt aan de wensen van zowel de vader als de moeder. Het hof vindt, dat aan de moeder het vertrouwen moet worden gegund dat zij geen misbruik zal maken van de informatie en foto’s zoals naar haar toegezonden en dat dat niet zal leiden tot het (zonder toestemming van de vader) opzoeken van en in contact treden met de kinderen zoals de vader vreest. Het hof betrekt in deze afweging dat de moeder na het verbreken van alle contacten tussen haar en de kinderen en de vader in oktober 2018 geen pogingen heeft ondernomen om in contact te komen met de vader en de kinderen.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen (gezag en omgang), bekrachtigen, de bestreden beschikking aanvullen en beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
4 december 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

vult de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
4 december 2018 als volgt aan:

bepaalt dat de vader (desgewenst via een (professionele) derde) de moeder drie keer per jaar met een frequentie van eens per vier maanden uiterlijk op 1 april, 1 augustus en 1 december, zal informeren over het wel en wee van de kinderen (waaronder hun sociale ontwikkeling, hun gezondheid en hun schoolrapporten) waarbij alle keren een recente gelijkende foto van de kinderen wordt meegezonden, waarvan één keer per jaar een schoolfoto;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, M.P. den Hollander en A.W. Beversluis, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier, en is op 12 november 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.