Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9325

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
21-001401-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2019:807, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte was door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld wegens het plegen van ontucht met een toen vijftienjarig meisje tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. Het hof bevestigt het vonnis met uitzondering van de strafoplegging. Het beroep op AVAS wordt verworpen. Het hof legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001401-19

Uitspraak d.d.: 13 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle en Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 maart 2019 met parketnummer 18-830134-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis voor wat betreft de bewezenverklaring en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal zich gerefereerd ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. L.S. Slinkman, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het hem onder 2 tenlastegelegde. Hoger beroep tegen deze vrijspraak staat voor de verdachte niet open. Het hof zal de verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 1 maart 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00 met vermeerdering met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot een andere beslissing omtrent de strafbaarheid van verdachte, maar het hof zal wel responderen op het in hoger beroep gevoerde verweer dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof zal het vonnis aldus bevestigen behalve voor zover het betreft de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van deze onderdelen van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Voor het overige zal het hof het vonnis met de volgende aanvulling bevestigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft de raadsman – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Verdachte was in de veronderstelling dat [benadeelde] zestien jaar oud was, nu [medeverdachte] ongeveer een half jaar tot een jaar eerder tegen hem had gezegd dat [benadeelde] vijftien of zestien jaar was en zij gelet op haar taalgebruik volwassen overkwam. Verdachte heeft aldus verontschuldigbaar gedwaald ten aanzien van de leeftijd van [benadeelde] .

Blijkens de wetsgeschiedenis strekt artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die, gelet op hun jeugdige leeftijd, in het algemeen geacht moeten worden niet dan wel onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Deze bescherming strekt zich ook uit tot eventuele door dergelijke minderjarigen zelf geïnitieerde gedragingen. De leeftijd van de minderjarige vormt in dit wetsartikel, juist vanwege die bescherming, een geobjectiveerd bestanddeel en opzet of schuld is daaromtrent dus niet vereist. Dit betekent dat op betrokkenen een vergaande onderzoeksplicht rust om achter de (werkelijke) leeftijd van de minderjarige te komen. Een beroep op afwezigheid van alle schuld heeft dan ook slechts in zeer uitzonderlijke gevallen een kans van slagen.

Het hof overweegt dat verdachte onvoldoende heeft gedaan om zich van het leeftijd van het slachtoffer te vergewissen zodat niet kan worden gesproken van afwezigheid van alle schuld. Naar het oordeel van het hof leidt hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd niet tot een uitzondering als hiervoor bedoeld. Verdachte heeft in het geheel geen onderzoek gedaan naar de werkelijke leeftijd van aangeefster. Het hof verwerpt het verweer.

Aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn acht het hof verdachte strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Bij het bepalen van de straf in deze zaak neemt het hof de strafdoeleinden als uitgangspunt, te weten de vergelding, generale en speciale preventie. In dat licht overweegt het hof, deels in overeenstemming met hetgeen de rechtbank heeft overwogen, als volgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een

meisje van vijftien jaar oud door zich door haar oraal te laten bevredigen in een auto.

Verdachte, die zelf 38 jaar oud was ten tijde van het feit, heeft onvoldoende gedaan om zich

te vergewissen van de leeftijd van het slachtoffer. Kinderen van vijftien jaar verdienen bescherming van hun seksuele integriteit, ook als zij zichzelf aanbieden. Dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat zij ouder was doet aan het strafbare karakter van zijn handelen dan ook niet af. Door zijn handelen heeft verdachte het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Verdachte heeft hierdoor inbreuk gemaakt op de lichamelijke en emotionele integriteit van het slachtoffer en haar ongestoorde (seksuele) ontwikkeling. De ervaring leert dat (jeugdige) slachtoffers van zedendelicten in een later stadium psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is overkomen.

De zaak van verdachte maakt onderdeel uit van een groter onderzoek, waaraan het hof – gelijk de rechtbank – enkele woorden zal wijden ten behoeve van een completer beeld van de zaak, de impact ervan op het slachtoffer, maar ook van de rol van verdachte. Het slachtoffer waarmee verdachte ontucht heeft gepleegd, werd langere tijd door haar oom misbruikt. Vanaf enig moment moest zij ter bevrediging van diens lustgevoelens seks hebben met andere mannen, waarvan verdachte er één was. Onder druk van haar oom heeft het slachtoffer advertenties geplaatst op sekswebsites waarop zowel zij als haar oom (onder haar naam) chatte en seksafspraken maakte met diverse mannen. Ook heeft het slachtoffer onder druk van haar oom verdachte benaderd via Facebook en hem gezegd dat ze seks met hem wilde hebben, waaraan verdachte – uiteindelijk – heeft toegegeven. Verdachte heeft zich toen door het slachtoffer laten pijpen. Verdachte heeft aldus bijgedragen aan de immense ellende die het slachtoffer heeft moeten meemaken.

Gelet op de aard en de ernst van het feit, de gevolgen voor het slachtoffer, de straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd en gelet op de generale preventie acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Het hof houdt er rekening mee dat verdachte niet op de hoogte was van de afschuwelijke achtergrond waartegen deze zaak zich afspeelde. Verdachte kende [benadeelde] echter al wel langer. Hij wist dat zij het nichtje was van [medeverdachte] . Hij wist ook dat [benadeelde] niet uit een ideale gezinssituatie kwam en dat zij kwetsbaar was. Daarbij komt dat [medeverdachte] [benadeelde] ook al eerder had aangeboden aan verdachte, waarbij [medeverdachte] had gezegd dat zij minderjarig was. Ongeveer een half jaar tot een jaar daarna werd verdachte via Facebook Messenger benaderd door [benadeelde] . Verdachte heeft verklaard dat toen alle alarmbellen afgingen en dat hij het idee had dat hij in de val werd gelokt. Desondanks heeft verdachte maandenlang via Facebook Messenger seksueel getinte chat- en webcamgesprekken met het slachtoffer gehad, waarbij de woordkeuze en de grove seksuele termen hem volgens verdachte ook nog soms deden denken aan [medeverdachte] . Uiteindelijk is het tot een ontmoeting gekomen waarbij het slachtoffer hem heeft gepijpt. Verdachte heeft aldus gebruik gemaakt van de kwetsbaarheid van het slachtoffer en toegegeven aan zijn eigen lustgevoelens, in plaats van haar in bescherming te nemen. Daar komt nog bij dat verdachte geen condoom heeft gebruikt.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 september 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Het hof heeft eveneens gelet op het reclasseringsadvies van 16 oktober 2018 opgemaakt door Reclassering Nederland, het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 4 september 2020 en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen. Zo houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdenking en de veroordeling verregaande negatieve consequenties voor de verdachte en zijn gezin hebben gehad, alsook met het feit dat hij deel heeft genomen aan een diagnostiektraject binnen AFPN en een behandeling wil ondergaan.

Uit de door de verdediging overgelegde stukken van AFPN van 1 oktober 2020 volgt dat uit de risicotaxatie naar voren komt dat er een laag recidiverisico wordt ingeschat op het wederom plegen van een zedendelict. Het risico op delictgedrag in het algemeen wordt momenteel, gezien ook de vele dynamische risicofactoren die een rol spelen, als matig ingeschat. Dat maakt dat behandeling van de geconstateerde persoonlijkheidsstoornis wel zinvol wordt geacht. In het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 4 september 2020 wordt – hoewel doordat verdachte niet wilde meewerken er geen volledig onderzoek heeft plaatsgevonden – het recidiverisico ingeschat als laag. Er lijkt sprake te zijn van veel beschermende factoren. Verdachte is intelligent, heeft een daginvulling, heeft een intieme relatie en een zoon, beschikt over empathie en veerkracht en heeft levensdoelen.

Het hof is van oordeel dat het uit oogpunt van speciale preventie nodig is om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het hof gaat er enerzijds vanuit dat verdachte door deze vervolging voldoende maatregelen in acht zal nemen om herhaling te voorkomen. Het hof ziet anderzijds echter ook dat verdachte op een gegeven moment, ondanks het feit dat er aanwijzingen waren van minderjarigheid en misbruik van het slachtoffer, toch een afspraak heeft gemaakt met het slachtoffer. In eerste aanleg heeft hij daarover verklaard dat hij door [benadeelde] werd bestookt en op gegeven moment niet meer standvastig kon blijven in zijn afwijzing van het seksuele contact.

Gelet op het voorgaande acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De voorwaardelijke straf dient daarbij tevens als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00 (bestaande uit immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Zoals reeds is overwogen ten aanzien van de op te leggen straf werd de benadeelde partij gedurende een langere tijd door haar oom misbruikt en moest zij vanaf enig moment – ter bevrediging van diens lustgevoelens – seks hebben met andere mannen, waarvan verdachte er één was. Verdachte heeft zich eenmalig door de benadeelde partij oraal laten bevredigen in een auto.

Op zichzelf staat wat het hof betreft buiten twijfel dat de benadeelde partij door hetgeen in dit onderzoek aan het licht is gekomen een aanzienlijke schade lijdt. Het hof is echter van oordeel de door de benadeelde partij geleden schade mede – en in zeer aanzienlijke mate - het gevolg is van gedragingen die zijn toe te rekenen aan haar oom. Hierdoor dient zich naar het oordeel van het hof de vraag aan of en, zo ja, in hoeverre de schade redelijkerwijs kan worden toegerekend aan verdachte, zoals bedoeld in artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof is van oordeel dat dit in het kader van dit strafproces onvoldoende kan worden vastgesteld en dat hierover een gedegen partijdebat, ten overstaan van de civiele rechter, dient te (kunnen) worden gevoerd. Het hof is aldus van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. M.C. Fuhler, voorzitter,

mr. J.D. den Hartog en mr. R.J. Bokhorst, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I. Vugs, griffier,

en op 13 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.C. Fuhler is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 13 november 2020.

Tegenwoordig:

mr. J.D. den Hartog, voorzitter,

mr. E.W. van den Heuvel en mr. R.J. Bokhorst, raadsheren,

mr. S.H. Diepeveen, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. S.T.C. van der Werf, advocaat-generaal.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter sluit het onderzoek en spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.