Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9323

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
21-001160-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2019:804, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte was door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld wegens het meermalen plegen van ontucht met een meisje dat bij aanvang daarvan 13 jaar oud was tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Het hof bevestigt de bewezenverklaring met verwerping van een beroep op AVAS. Het hof legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001160-19

Uitspraak d.d.: 13 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle en Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 maart 2019 met parketnummer 18-830384-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Ghana) op [geboortedag] 1993,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis voor wat betreft de bewezenverklaring en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan veertien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met algemene en bijzondere voorwaarden. Voorts heeft de advocaat-generaal zich gerefereerd ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. W.G. ten Have, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 1 maart 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 7.500,00 met vermeerdering met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste gronden heeft beslist. Het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot een andere beslissing omtrent de strafbaarheid van verdachte, maar het hof zal wel responderen op het in hoger beroep gevoerde verweer dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof zal het vonnis aldus bevestigen behalve voor zover het betreft de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van deze onderdelen van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Voor het overige zal het hof het vonnis met de volgende aanvulling bevestigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft de raadsman – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Verdachte was in de veronderstelling dat [benadeelde] meerderjarig was gelet op haar volwassen voorkomen en het feit dat zij tegen hem had gezegd dat zij op het MBO zat. Daar komt nog bij dat verdachte, zoals blijkt uit het psychologisch onderzoek Pro Justitia, beneden-gemiddeld intelligent is. Verdachte heeft aldus verontschuldigbaar gedwaald ten aanzien van de leeftijd van [benadeelde] .

Blijkens de wetsgeschiedenis strekt artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die, gelet op hun jeugdige leeftijd, in het algemeen geacht moeten worden niet dan wel onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Deze bescherming strekt zich ook uit tot eventuele door dergelijke minderjarigen zelf geïnitieerde gedragingen. De leeftijd van de minderjarige vormt in dit wetsartikel, juist vanwege die bescherming, een geobjectiveerd bestanddeel en opzet of schuld is daaromtrent dus niet vereist. Dit betekent dat op betrokkenen een vergaande onderzoeksplicht rust om achter de (werkelijke) leeftijd van de minderjarige te komen. Een beroep op afwezigheid van alle schuld heeft dan ook slechts in zeer uitzonderlijke gevallen een kans van slagen.

Het hof overweegt dat verdachte onvoldoende heeft gedaan om zich van de leeftijd van het slachtoffer te vergewissen zodat niet kan worden gesproken van afwezigheid van alle schuld. Naar het oordeel van het hof leidt hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd niet tot een uitzondering als bedoeld. Het hof verwerpt het verweer.

Aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn acht het hof verdachte strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Bij het bepalen van de straf in deze zaak neemt het hof de strafdoeleinden als uitgangspunt, te weten de vergelding, generale en speciale preventie. In dat licht overweegt het hof, deels in overeenstemming met hetgeen de rechtbank heeft overwogen, als volgt.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar meermalen

schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje dat bij aanvang

van de periode dertien jaar oud was. Verdachte heeft zich onder andere door haar laten

pijpen en heeft vaginale seks met haar gehad. Tevens heeft verdachte een trio gehad met het

slachtoffer en een andere man. Verdachte, die zelf 22 jaar oud was bij aanvang van de periode, heeft onvoldoende gedaan om zich te vergewissen van de leeftijd van het slachtoffer, dat hij via een sekswebsite heeft leren kennen. Kinderen van dertien jaar verdienen een bescherming van de seksuele integriteit, ook als zij zichzelf via een sekswebsite aanbieden. Dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat zij ouder was doet aan het strafbare karakter van zijn handelen dan ook niet af. Door zijn handelen heeft verdachte het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Verdachte heeft hierdoor inbreuk gemaakt op de lichamelijke en emotionele integriteit van het slachtoffer en haar ongestoorde (seksuele) ontwikkeling. De ervaring leert dat (jeugdige) slachtoffers van zedendelicten in een later stadium psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is overkomen.

De zaak van verdachte maakt onderdeel uit van een groter onderzoek, waaraan het hof – gelijk de rechtbank – enkele woorden zal wijden ten behoeve van een completer beeld van de zaak, de impact ervan op het slachtoffer, maar ook van de rol van verdachte. Het slachtoffer met wie verdachte ontucht heeft gepleegd, werd langere tijd door haar oom misbruikt. Vanaf enig moment moest zij ter bevrediging van diens lustgevoelens seks hebben met andere mannen (ook tegelijkertijd), waarvan verdachte er één was. Onder druk van haar oom heeft het slachtoffer advertenties geplaatst op (seks- en) datingwebsites waarop zowel zij als haar oom (onder haar naam) chatte en seksafspraken maakte met diverse mannen. Het slachtoffer moest zorgen dat de seks werd gefilmd en dat de filmpjes zo snel mogelijk ter beschikking van haar oom werden gesteld. Verdachte had zelf een advertentie op een sekswebsite en werd benaderd door (het account van) het slachtoffer, waarna meerdere seksafspraken volgden. Verdachte had ook eenmaal samen met een andere (hem onbekende) man seks met het slachtoffer en de seks werd door het slachtoffer gefilmd. Door meermalen seks met het slachtoffer te hebben, heeft verdachte bijgedragen aan de immense ellende die het slachtoffer heeft moeten meemaken.

Gelet op de aard en de ernst van het feit, de gevolgen voor het slachtoffer, de straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd en gelet op de generale preventie acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Het hof houdt er rekening mee dat verdachte niet op de hoogte was van de afschuwelijke achtergrond waartegen deze zaak zich afspeelde, hij niet actief op zoek was naar seks met een minderjarig meisje en dat verdachte in eerste instantie door het slachtoffer werd benaderd. Ook in het vervolgcontact werd verdachte steeds door het slachtoffer benaderd. Hij kon zelf geen contact met haar leggen, omdat haar account steeds van de sekswebsite was verdwenen en hij dus moest wachten tot zij hem – vanuit steeds een ander account – een berichtje stuurde. Verdachte vond dit raar en had hierdoor soms wel zijn twijfels, maar heeft daar verder niets achter gezocht. In die berichtjes die vanaf het account van [benadeelde] aan verdachte werden gestuurd werd vaak zeer grove taal gebruikt en er werden instructies gegeven over hoe (gewelddadig) verdachte seks moest hebben met het slachtoffer. Daarbij werd verdachte ook verzocht om voor of tijdens de seks (hard)drugs te gebruiken en om (hard)drugs aan het slachtoffer te geven. Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer tijdens de afspraken zelf nooit instructies gaf, maar dat alles van tevoren via de chat werd afgesproken. Ook heeft verdachte verklaard dat hij wel eens dacht dat hij met een man aan het chatten was en had hij soms het vermoeden dat het slachtoffer de seks voor iemand anders filmde. Verdachte had gezien deze vermoedens gealarmeerd moeten zijn. Dat hij desondanks doorging en gedurende langere tijd seksueel contact heeft gehad met het slachtoffer neemt het hof hem kwalijk.

Het hof houdt voorts rekening met de in het dossier opgenomen beschrijvingen van de door het slachtoffer gemaakte filmpjes waaruit kan worden afgeleid dat het slachtoffer de seks met verdachte tijdens een van de afspraken pijnlijk en naar vond, en dat verdachte zich tijdens een trio respectloos en dwingend opstelde ten opzichte van het slachtoffer en geen enkele boodschap had aan wat zij op dat moment aangaf (niet) te willen. Daar komt nog bij dat verdachte nooit een condoom heeft gebruikt, met alle risico’s voor de gezondheid van het slachtoffer van dien.

Ondanks dat verdachte verschillende dingen raar vond en er aldus alarmbellen af hadden moeten gaan heeft hij meermalen (op een gewelddadige manier) seks met het slachtoffer gehad. Op grond van de chatberichten en het aantal aangetroffen filmpjes acht het hof aannemelijk dat verdachte op zijn minst elf keer seks met het slachtoffer heeft gehad. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de chatgesprekken niet valt af te leiden dat verdachte nadat hij op de hoogte was van de jonge leeftijd van verdachte nog een seksafspraak met haar heeft gemaakt, maar dat uit die chatgesprekken wel blijkt dat hij het slachtoffer daarna nog wel wilde zien en ook dat hij nog een seksafspraak met haar wilde maken.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 september 2020, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden wel eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten. Het hof heeft eveneens gelet op het reclasseringsadvies van 7 september 2020 opgemaakt door Reclassering Nederland, het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 8 september 2020 en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen. Zo houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdenking en de veroordeling verregaande negatieve consequenties voor verdachte heeft gehad, en met het feit dat hij een gezin, een eigen woning en een baan heeft en dat hij werkt aan zijn schuldenproblematiek.

Uit het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 8 september 2020 komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van borderline- en narcistische persoonlijkheidstrekken veroorzaakt door zijn onveilige hechting, maar niet in die mate dat sprake van een stoornis is. Door zijn borderline- en narcistische persoonlijkheidstrekken, is verdachte impulsief en geneigd (ook potentieel risicovol) grensoverschrijdend seksueel gedrag te vertonen. Het recidiverisico wordt als matig ingeschat en wordt vooral gevormd door verdachtes moeite om een relatie te onderhouden, hetgeen weer samenhangt met hetgeen hij in zijn opvoeding heeft gemist en vanuit zijn cultuur denkt te hebben meegekregen over de verhoudingen tussen mannen en vrouwen. De rapporteur adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij als bijzondere voorwaarde een ambulante behandeling wordt opgelegd waarin verdachte meer zicht krijgt op intimiteit en seksualiteit en leert omgaan met zijn kwetsbaarheden daarin. Verdachte geeft aan gemotiveerd te zijn voor een dergelijke behandeling en lijkt ook leerbaar te zijn.

Uit het reclasseringsadvies van 7 september 2020 opgemaakt door Reclassering Nederland waaruit volgt dat de reclassering problemen signaleert op diverse gebieden, zoals financiën, relatie met partner, gezin en familie, middelengebruik en mogelijk psychosociaal functioneren en houding. Daarnaast plaatst de reclassering vraagtekens bij de denkwijze en vaardigheden van verdachte, mogelijk voortkomend vanuit culturele aspecten. Het algemeen risico en het risico op geweld wordt gemiddeld tot hoog ingeschat. Gelet op de culturele verschillen, de bij hem vastgestelde hechtingsproblematiek en eerdere traumatische ervaringen, ziet de reclassering mogelijkheden voor een behandeling die is gericht op educatie en de verdere ontwikkeling van verdachte.

Mede gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het uit oogpunt van speciale preventie nodig is om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het hof gaat er enerzijds vanuit dat verdachte door deze vervolging voldoende maatregelen in acht zal nemen om herhaling te voorkomen. Het hof houdt anderzijds echter rekening met het feit dat verdachte impulsief is en geneigd (ook potentieel risicovol) grensoverschrijdend seksueel gedrag te vertonen. Het hof zal bij de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden opleggen zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarbij oplegging van bijzondere voorwaarden passend en geboden. Deze bijzondere voorwaarden houden in ambulante behandeling en een meldplicht bij de reclassering. De voorwaardelijke straf dient daarbij tevens als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens zoals bepleit door de verdediging is naar oordeel van het hof geen sprake.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 35.000,00 (bestaande uit immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Zoals reeds is overwogen ten aanzien van de op te leggen straf werd de benadeelde partij gedurende een langere tijd door haar oom misbruikt en moest zij vanaf enig moment – ter bevrediging van diens lustgevoelens – seks hebben met andere mannen, waarvan verdachte er één was. Verdachte heeft meermalen (op een gewelddadige manier) seks met de benadeelde partij gehad. Tevens heeft verdachte een trio gehad met de benadeelde partij en een andere man.

Wat het hof betreft staat buiten twijfel dat de benadeelde partij door hetgeen in dit onderzoek aan het licht is gekomen een aanzienlijke schade lijdt. Het hof is van oordeel dat de door de benadeelde partij geleden schade mede het gevolg is van gedragingen die zijn toe te rekenen aan haar oom. Naar oordeel van het hof is het eveneens aannemelijk dat het handelen van verdachte schade bij het slachtoffer heeft veroorzaakt. Het hof zal dit bedrag schatten op een bedrag van € 5.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de ernst, de aard en de frequentie van het handelen van de verdachte (een frequentie die aanmerkelijk lager ligt dan door de benadeelde partij ten grondslag is gelegd aan de vordering), de gevolgen voor de benadeelde partij, alsook rekening houdend met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor wat betreft de overige gevorderde vergoeding aan immateriële schade zal het hof deze afwijzen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 1 januari 2017.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  • -

    Verdachte zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van het arrest meldt bij de telefonische bureaudienst (op werkdagen tussen 9.00 en 11.00 uur) van Reclassering Nederland op telefoonnummer 088-801400. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Hij volgt de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering gegeven worden voor zover niet in een andere voorwaarden reeds benoemd;

  • -

    Verdachte werkt mee aan een intake en indien nader geïndiceerd aan een behandeling bij De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Aandachtspunt van de behandeling is de seksualiteit, normen en waarden hierin en de algemene en persoonlijke seksuele ontwikkeling. De behandeling start na aanmelding door de reclassering en de behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering tot schadevergoeding ter zake van immateriële schade voor het overige (€ 30.000,00) af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 januari 2017.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. J.D. den Hartog en mr. M.C. Fuhler, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I. Vugs, griffier,

en op 13 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.C. Fuhler is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 13 november 2020.

Tegenwoordig:

mr. J.D. den Hartog, voorzitter,

mr. E.W. van den Heuvel en mr. R.J. Bokhorst, raadsheren,

mr. S.H. Diepeveen, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. S.T.C. van der Werf, advocaat-generaal.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter sluit het onderzoek en spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.