Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9263

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
16-11-2020
Zaaknummer
200.277.229/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Formele vereisten aan het verzoek tot echtscheiding (art. 815 Rv). Bevoegdheid van de Nederlandse rechter en toepasselijk recht ten aanzien van echtscheidingsverzoek en verzoek tot éénhoofdig gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.277.229/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 190191)

beschikking van 5 november 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. Velthuis-Muller te Groningen,

en

[verweerder] ,

woonplaats onbekend,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 19 november 2019 en 14 januari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 10 april 2020;

- een journaalbericht van mr. Velthuis-Muller van 11 mei 2020 met productie(s);

- een brief van de raad voor de kinderbescherming van 22 mei 2020;

- een journaalbericht van mr. Velthuis-Muller van 14 september 2020 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Velthuis-Muller van 24 september 2020 met productie(s).

2.2

Namens de vrouw zijn op 25 september 2020 ter griffie gedeponeerd een afschrift van de huwelijksakte en het originele familieboekje, waarvan een akte van depot is opgemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 28 september 2020 plaatsgevonden. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Jeuling, kantoorgenote van mr. Velthuis-Muller. De man is (op juiste wijze) opgeroepen via de Staatscourant en is niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna [de minderjarige] ), geboren [in] 2013 in [A] . [de minderjarige] woont bij de vrouw.

3.2

De vrouw heeft de Nederlandse en Algerijnse nationaliteit en zij woont sinds januari 1998 in Nederland. De man heeft van juni tot en met augustus 2010 bij de vrouw in Nederland verbleven. Het is de vrouw niet bekend waar de man woont en/of verblijft.

3.3

Bij verzoekschrift van 18 februari 2019 en aanvullend verzoekschrift van 20 december 2019 heeft de vrouw de rechtbank verzocht - kort weergegeven - de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben en te bepalen dat de vrouw met het eenhoofdig gezag over haar zal worden belast, dan wel, voorwaardelijk voor het geval het huwelijk van partijen niet kan worden erkend, te verklaren voor recht dat partijen niet zijn gehuwd en dat de vrouw eenhoofdig met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] is belast.

3.4

De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 19 november 2019 onder meer - voor zover hier van belang - de vrouw in de gelegenheid gesteld een afschrift of uittreksel van de huwelijksakte te overleggen dan wel bij akte aan te geven om welke redenen het redelijkerwijs niet mogelijk is om dit te overleggen.

Omdat de vrouw hierin naar het oordeel van de rechtbank binnen de haar daartoe gegeven termijn in onvoldoende mate is geslaagd - en daardoor onder meer niet heeft voldaan aan het voorschrift van artikel 815 lid 5 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) - heeft de rechtbank bij beschikking van 14 januari 2020 de verzoeken van de vrouw afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vrouw verzoekt het hof de beschikking van 14 januari 2020 te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

primair tussen partijen, die [in] 2010 te [B] , Algerije met elkaar zijn gehuwd, de echtscheiding uit te spreken, al dan niet met inachtneming van het bepaalde in artikel 9 lid 1 jo. artikel 10 Haags Huwelijksverdrag 1978 alsmede in artikel 10:31 lid 1 jo. lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW), alsmede te bepalen dat de vrouw voortaan eenhoofdig met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] zal zijn belast,

subsidiair, in het geval het hof van oordeel mocht zijn dat geen sprake is van een in Nederland erkend huwelijk van partijen, te verklaren voor recht dat partijen niet met elkander zijn gehuwd, alsmede te verklaren voor recht dat de vrouw eenhoofdig met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] is belast.

5 De motivering van de beslissing

Ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding

5.1

Ingevolge artikel 3, lid 1, aanhef en onder a, Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 (Brussel II-bis) is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen, nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft en zij een jaar voorafgaand aan het inleidend verzoek in Nederland woonachtig was.

5.2

Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op de echtscheiding van toepassing.

5.3

Ingevolge artikel 815 lid 5 onder a Rv dient, voor zover hier van belang, bij de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding een afschrift of uittreksel van de huwelijksakte te worden overgelegd. Lid 6 van dit artikel bepaalt onder meer dat indien de in het vijfde lid onder a genoemde stukken redelijkerwijs niet kunnen worden overgelegd, kan worden volstaan met overlegging van andere stukken of dat er op andere wijze in kan worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter.

5.4

Het hof stelt vast dat de vrouw in hoger beroep, anders dan bij de rechtbank in eerste aanleg, erin geslaagd is om - naast het originele familieboekje, dat in Algerije van grote betekenis is en waarin onder meer huwelijken en de geboorte van kinderen worden vastgelegd - alsnog op 25 september 2020, via de Algerijnse ambassade in Den Haag, een uittreksel van de huwelijksakte te overleggen. Zowel uit het familieboekje als uit genoemd uittreksel van de huwelijksakte blijkt van het bestaan van het door de vrouw gestelde huwelijk tussen de vrouw en de man.

5.5

In aanmerking genomen dat het hoger beroep er mede toe dient om omissies die in eerste aanleg zijn begaan te herstellen, is het hof van oordeel dat de vrouw, door in hoger beroep alsnog een uittreksel van de huwelijksakte over te leggen, haar eerdere verzuim heeft hersteld en dat daarmee alsnog is voldaan aan het in artikel 815 lid 5 Rv onder a opgenomen vereiste.

5.6

Op grond van artikel 815 lid 2 Rv dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. De verzoeker kan niet-ontvankelijk verklaard worden als het ouderschapsplan ontbreekt, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv). De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd. Aangezien de man voortdurend afwezig is en beperkt telefonisch bereikbaar is, is het voldoende aannemelijk dat het voor de vrouw redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zodat het hof de vrouw zal ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

5.7

De vrouw woont al jaren in Nederland en zij heeft de man al jaren niet gezien. Uit de verklaringen van de vrouw ter mondelinge behandeling volgt naar het oordeel van het hof afdoende dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, zodat het hof de echtscheiding tussen partijen zal uitspreken.

Ten aanzien van het gezag

5.8

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 wordt de vraag of de vader dan wel de moeder dan wel partijen gezamenlijk van rechtswege ouderlijke verantwoordelijkheid heeft/hebben verkregen over de minderjarige beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige. Aangezien de minderjarige in Nederland is geboren, is Nederlands recht van toepassing.

5.9

Op grond van artikel 1:251 BW oefenen de ouders gedurende het huwelijk het gezag

gezamenlijk uit. Partijen zijn derhalve gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .

5.10

De moeder verzoekt om beëindiging van het gezamenlijk gezag en te bepalen dat zij voortaan alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] zal zijn belast.

Op grond van artikel 8 Brussel II-bis is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het onderhavige verzoek, nu [de minderjarige] ten tijde van het indienen van het inleidend verzoekschrift haar gewone verblijfplaats in Nederland had.

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op voornoemd verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.

5.11

In artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek staat dat de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.12

Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de vrouw alleen het gezag over [de minderjarige] heeft, zodat zij (belangrijke) beslissingen aangaande [de minderjarige] zelfstandig en ook met de nodige voortvarendheid kan nemen.

Het hof acht een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening onder de huidige omstandigheden niet mogelijk. De vader verblijft op een voor de moeder onbekend adres en is voor haar niet voldoende bereikbaar voor overleg over [de minderjarige] . Er zijn geen aanwijzingen om te veronderstellen dat daar binnen afzienbare termijn verandering in komt. Door zijn voortdurende afwezigheid is de vader niet op de hoogte van wat zich afspeelt in het leven van [de minderjarige] en geeft hij feitelijk al jaren geen invulling meer aan zijn ouderlijk gezag. Dat, terwijl de moeder de toestemming van de vader nodig heeft voor het nemen van beslissingen over de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , zolang hij mede belast is met het gezag over haar. Als het aankomt op administratieve zaken, zoals het aanvragen van een paspoort voor [de minderjarige] of inschrijving op een nieuwe school, is gebleken dat de huidige situatie niet voldoet. Het hof is van oordeel dat de moeder op deze wijze te zeer wordt belemmerd in de uitoefening van haar gezagsrecht en acht het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en dat de moeder voortaan alleen en daarmee ook voortvarend indien nodig, beslissingen over haar kan nemen. Het hof zal dan ook bepalen dat de moeder, als hoofdverzorger van [de minderjarige] , voortaan alleen met het gezag over haar zal zijn belast.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt het hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna zal worden vermeld.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 14 januari 2020 en opnieuw beschikkende:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn [in] 2010 te [B] , Algerije;

bepaalt dat het ouderlijk gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2013 in [A] , alleen de vrouw toekomt en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, I.A. Vermeulen en E.F. Groot, bijgestaan door mr. Marsnerova als griffier, en is op 5 november 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.