Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9262

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
12-11-2020
Zaaknummer
21-005287-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en diefstal. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van voorarrest en wijst de vordering van de benadeelde partij ter zake van de diefstal toe, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005287-18

Uitspraak d.d.: 11 november 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 19 september 2018 met parketnummer 18-820368-18 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-027822-15, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

thans uit anderen hoofde verblijvende in Detentiecentrum Rotterdam te Rotterdam.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts vordert de advocaat-generaal toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit en toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. T.T.H.M. Bruers, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het door verdachte ingestelde hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde feit, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering tenuitvoerlegging toegewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - om proceseconomische redenen vernietigen. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 7 september 2018, te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , [slachtoffer] heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer] in/tegen diens hoofd te slaan/stompen.

3.
hij op of omstreeks 13 augustus 2018, te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij2] , heeft bewogen tot de afgifte van een tas met inhoud, althans van enig goed, door zich ten opzichte van genoemde [benadeelde partij2] , die zich als medewerker van [naam] bevond achter de balie van de vestiging van [naam] aan de [straatnaam] , voor te doen als eigenaar van een tas, die zich achter de balie bevond en/of bedoelde tas heeft aangewezen en/of [benadeelde partij2] heeft verzocht hem, verdachte, bedoelde tas te overhandigen;

en/of

hij op of omstreeks 13 augustus 2018, te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand aan de [straatnaam] heeft weggenomen een tas en/of een telefoon en/of een hoeveelheid geld en/of een USB-stick en/of een oplader, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte aangever heeft geslagen als reactie op een klap die hij eerder die avond van aangever had gekregen en vanwege de dreiging om opnieuw in elkaar geslagen te worden. Verdachte heeft aangegeven dat hij drie jongens tegenkwam die cocaïne aan het snuiven waren. Hij vroeg of hij wat van ze kon kopen en gaf de jongens € 20,-. Verdachte kreeg daarop niets van de jongens. De jongens hadden geld van verdachte gestolen, hem mishandeld en wilden dit opnieuw gaan doen toen ze verdachte later weer tegenkwamen. Verdachte heeft zich toen tegen hen verdedigd omdat hij bang was opnieuw te worden geslagen.

Oordeel van het hof

Het dossier bevat onder meer de verklaring van aangever [slachtoffer] , een proces-verbaal van aanhouding, alsook de bekennende verklaring van verdachte.

Het hof overweegt dat geen enkele aanwijzing in het dossier aanwezig is dat de door verdachte genoemde gebeurtenissen, die volgens hem aan het tenlastegelegde vooraf zouden zijn gegaan, hebben plaatsgevonden. Het hof volgt verdachte dan ook niet in zijn lezing.

Gelet op de inhoud van bovenstaande bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] heeft mishandeld door hem tegen zijn hoofd te slaan.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte zijn spullen in een restaurant was vergeten. Het restaurant heeft de spullen naar de stichting [naam] opgestuurd. Bij [naam] is een fout gemaakt doordat de tas van verdachte in de fietstas van iemand anders is gestopt. Verdachte heeft die fietstas meegenomen naar de spreekkamer om zijn spullen eruit te halen en heeft vervolgens de fietstas in de wachtkamer laten staan. Verdachte heeft tegen een medewerker gezegd dat de fietstas niet van hem was en nog in de wachtkamer lag. De medewerker begreep verdachte niet. Daarna riep iemand dat hij zijn spullen kwijt was en werd verdachte gefouilleerd door twee medewerkers. Er werden geen spullen bij verdachte aangetroffen. Verdachte heeft de tas slechts laten staan in de wachtkamer, maar heeft er verder niets mee gedaan. Hij is niet de hele tijd in de wachtkamer geweest. Verdachte heeft aangegeven dat er de hele tijd mensen in en uit de wachtkamer liepen. Hij heeft alleen zijn eigen tas uit de tas gehaald en de fietstas weggelegd.

Oordeel van het hof

Het dossier bevat onder meer de verklaring van aangever [benadeelde partij1] , de getuigenverklaring van [benadeelde partij2] waarin hij onder meer aangeeft op aanwijzing van verdachte de fietstas van [benadeelde partij1] van achter de balie aan verdachte te hebben overhandigd, en een beschrijving van de camerabeelden. Gelet op de inhoud van deze bewijsmiddelen komt het hof tot de conclusie dat verdachte de tas van aangever [benadeelde partij1] eerst heeft ontvangen van [benadeelde partij2] en vervolgens heeft meegenomen naar de wachtkamer, aldaar de spullen van aangever [benadeelde partij1] uit de tas heeft gepakt en zich aldus de tas én deze spullen wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Verdachte heeft zowel bij de politie als bij de politierechter alsook tijdens de zitting van het hof telkens wisselende verklaringen afgelegd. Zo heeft verdachte bijvoorbeeld ter zitting van het hof eerst verklaard dat hij een verkeerde tas overhandigd kreeg van de baliemedewerker. Later ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij twijfelde of het toch misschien wél zijn tas was die hij bij de balie overhandigd kreeg.

Al deze door verdachte afgelegde verklaringen vinden stuk voor stuk op geen enkele wijze steun in het dossier. Het hof zal daar dan ook geen acht op slaan. Anders dan verdachte heeft gesteld blijkt evenmin op geen enkele wijze uit het dossier dat verdachte aan zijn lichaam en/of kleding is gefouilleerd; uitsluitend de spullen van verdachte zijn gecontroleerd.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 3 tenlastegelegde diefstal heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 7 september 2018 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer] tegen diens hoofd te slaan.

3.
hij op 13 augustus 2018 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand aan de [straatnaam] heeft weggenomen een tas, een telefoon, een hoeveelheid geld, een USB-stick en een oplader, toebehorende aan [benadeelde partij1] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [slachtoffer] . Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Dergelijk geweld zorgt voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan diefstal van een tas met inhoud, te weten een telefoon, een hoeveelheid geld, een USB-stick en een oplader, toebehorende aan [benadeelde partij1] . Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van [benadeelde partij1] , die onder meer veel last heeft van het feit dat op de USB-stick foto’s stonden van zeer emotionele waarde voor hem en zijn familie.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 september 2020 blijkt dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld, onder meer voor soortgelijke feiten als de onderhavige.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 771,86. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De raadsvrouw heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde € 200,- aan immateriële schade geen onderbouwing in het dossier aanwezig is.

Het hof overweegt dat uit het ingevulde schadeonderbouwingsformulier voldoende duidelijk naar voren komt dat de benadeelde partij emotionele schade heeft geleden door het verlies van de gestolen goederen, met name de hierboven genoemde USB-stick met dierbare familiefoto’s.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is aldus voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 771,86, bestaande uit € 571,86 aan materiële schade en € 200,- aan immateriële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 18-027822-15

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 december 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Uit de inhoud van het dossier en het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 september 2020 blijkt niet dat verdachte de betreffende gevangenisstraf reeds heeft uitgezeten, zoals de verdediging ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 36f, 57, 63, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij1] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 771,86 (zevenhonderdeenenzeventig euro en zesentachtig cent) bestaande uit € 571,86 (vijfhonderdeenenzeventig euro en zesentachtig cent) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij1] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 771,86 (zevenhonderdeenenzeventig euro en zesentachtig cent) bestaande uit € 571,86 (vijfhonderdeenenzeventig euro en zesentachtig cent) materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en immateriële schade op 13 augustus 2018.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 december 2016, parketnummer 18-027822-15, te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Aldus gewezen door

mr. F. van der Maden, voorzitter,

mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. L.J. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier,

en op 11 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.