Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9253

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
12-11-2020
Zaaknummer
200.279.329/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Uitleg van het arrest waarin de veroordeling onder dwangsom is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.279.329/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 197634)

arrest in kort geding van 10 november 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. P.N. Huisman,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],,

advocaat: mr. S.M. Wolfert.

1 Het geding bij de voorzieningenrechter

Voor het geding bij de voorzieningenrechter verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 13 mei 2020 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 16 juni 2020 (met grieven en producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 Waar gaat dit geding over?

3.1

Dit geding gaat over de vraag of [geïntimeerde] heeft voldaan aan veroordelingen die in een huur-/gebruikskwestie aan haar zijn opgelegd in een arrest van dit hof van 4 februari 2020. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] niet aan die veroordelingen voldaan en heeft zij daarom dwangsommen verbeurd. Volgens [geïntimeerde] heeft zij wel aan de veroordelingen voldaan. Zij wil dat het [appellant] wordt verboden om maatregelen te nemen om dwangsommen bij haar te innen. De voorzieningenrechter heeft [geïntimeerde] gelijk gegeven. [appellant] legt zich daar echter niet bij neer. Hij wil dat het vonnis van de voorzieningenrechter wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen.

4 De feiten

4.1

[appellant] en [geïntimeerde] hebben jarenlang een affectieve relatie gehad, die in 2000 is verbroken.

4.2

[appellant] is eigenaar van een boerderij aan de [a-straat] 2/2A te [A] . Het voorste gedeelte (nummer 2) betreft het oorspronkelijke woongedeelte. Het achterste gedeelte (nummer 2A) was de oorspronkelijke schuur/stal. In die ruimte is een woonruimte gebouwd, welke [appellant] in 2006 aan [geïntimeerde] heeft verhuurd.
gebruikte daarnaast ook de overige ruimte in de voormalige schuur/stal. Zij heeft toegang tot haar woonruimte via de voordeur van het perceel 2A en de binnenruimte van de voormalige schuur/stal.

4.3

In 2012 is de relatie tussen partijen ernstig verstoord geraakt. Dat heeft geleid tot een groot aantal procedures. In die procedures is onder andere aan de orde geweest wat [geïntimeerde] nu eigenlijk van [appellant] huurt. Eén van de geschilpunten daarbij was of [geïntimeerde] alleen de woonruimte huurt, of dat ook de overige ruimte, door partijen toen aangeduid als “de bedrijfsruimte”, daartoe behoort. In een vonnis van 28 januari 2015 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de huurovereenkomst van 2006 niet ook de bedrijfsruimte omvat. Wel is volgens de kantonrechter met betrekking tot die ruimte tussen partijen een afzonderlijke huurovereenkomst tot stand is gekomen. Na die uitspraak heeft [appellant] de huur van de bedrijfsruimte opgezegd. [geïntimeerde] heeft daarop een verzoek ingediend tot verlenging van de ontruimingsbescherming, maar dat verzoek is door de kantonrechter op 18 september 2015 afgewezen. Daarvan is geen hoger beroep ingesteld. Partijen zijn het er over eens dat met betrekking tot die bedrijfsruimte geen huurovereenkomst (meer) bestaat.

4.4

Aan [appellant] zijn vanaf 2013 verschillende op elkaar aansluitende verbieds- en contactverboden opgelegd. Als gevolg daarvan is het hem lange tijd verboden geweest om contact te hebben met [geïntimeerde] en om zich te bevinden op het terrein van de boerderij.

4.5

In een arrest van 4 februari 2020 heeft dit hof het gebiedsverbod opgeheven voor de bedrijfsruimte en [geïntimeerde] veroordeeld tot afgifte van de sleutels daarvan en tot ontruiming van die ruimte, alles op verbeurte van een dwangsom. Die veroordelingen luiden als volgt:

(…)
veroordeelt [geïntimeerde] binnen één week na de betekening van deze uitspraak om te gedogen dat [appellant] en door hem ingeschakelde derden het zogenaamde bedrijfsruimtegedeelte van het perceel [a-straat] 2A te [A] betreden, waarin begrepen het terras grenzend aan die bedrijfsruimte dat via openslaande deuren in die ruimte is te betreden, en daarin ongehinderd werkzaamheden kunnen verhinderen, onder de voorwaarden dat:
a) [appellant] ten spoedigste, doch uiterlijk binnen drie maanden na deze uitspraak zal zorgdragen voor het aanbrengen van een voordeur die direct toegang tot de bedrijfsruimte verschaft:
b) [appellant] ten spoedigste, doch uiterlijk binnen drie maanden na deze uitspraak zal zorgdragen voor het aanbrengen van een volledige en dichte afscheidingswand tussen het bedrijfsruimtegedeelte en het woongedeelte van [geïntimeerde] ;

- veroordeelt [geïntimeerde] om binnen één week na de betekening van deze uitspraak aan [appellant] de sleutels ter hand te stellen van de deuren die toegang geven tot de bedrijfsruimte en om, voor zoveel nodig, die bedrijfsruimte te ontruimen en ontruimd te houden en ter vrije beschikking aan [appellant] te stellen;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een dwangsom van € 250,- per keer respectievelijk per dag, dat aan deze veroordelingen niet wordt voldaan, met bepaling dat boven een bedrag van € 50.000,- geen dwangsommen meer verbeurd worden;
(…)

4.6

Het arrest is op 19 februari 2020 door [appellant] aan [geïntimeerde] betekend.
heeft daarna de sleutels van de in de uitspraak bedoelde terrasdeuren aan [appellant] overhandigd

4.7

Op 2 maart 2020 heeft mr. Huisman aan mr. Wolfert geschreven dat [geïntimeerde] niet voldoet aan de veroordeling, dat zij daarom dwangsommen verbeurt en dat [appellant] aanspraak zal maken op de betaling van die dwangsommen. Volgens mr. Huisman zijn de sleutels van de voordeur niet overhandigd en heeft [geïntimeerde] ook de bedrijfsruimte niet ontruimd, afgezien van diverse gereedschappen die van [appellant] zijn en kunnen blijven staan.

4.8

Mr. Wolfert heeft daarop teruggeschreven dat [geïntimeerde] niet gehouden is om ook de sleutels van de voordeur te overhandigen en dat zij het bedrijfsgedeelte weldegelijk ontruimd heeft opgeleverd. Hij schrijft daarbij dat voor zover mr. Huisman doelt op het schuurgedeelte, dit niet tot het bedrijfsgedeelte behoort en derhalve niet ontruimd behoeft te worden.

4.9

Nadere correspondentie heeft niet geleid tot een vergelijk, waarna [geïntimeerde] dit geding is begonnen.

4.10

Inmiddels is in opdracht van [appellant] een aannemer begonnen met werkzaamheden in de bedrijfsruimte. De in het arrest van 4 februari 2020 bedoelde extra voordeur is aangebracht. Verder is onder meer een scheidingswand aangebracht tussen een slaapkamer van de woonruimte en de bedrijfsruimte en is een half afgebouwde muur die zich in de bedrijfsruimte bevond tot aan de nok opgetrokken.

4.11

In een meterkast in de bedrijfsruimte bevindt zich nog een

internetmodem van [geïntimeerde] .

5 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

5.1

[geïntimeerde] heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd dat [appellant] wordt verboden om de door hem aangekondigde executie van het arrest van 4 februari 2020 voor wat betreft de dwangsommen voort te zetten en daartoe maatregelen te treffen, op verbeurte van een dwangsom.

5.2

[appellant] heeft tegen die vordering verweer gevoerd. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [appellant] nog een tegenvordering (reconventionele vordering) ingesteld. Die tegenvordering heeft de voorzieningenrechter echter buiten behandeling gelaten omdat die te laat, minder dan 24 uur (één werkdag) voor de behandeling was ingediend.

5.3

De voorzieningenrechter heeft in haar vonnis van 13 mei 2020 de vordering van [geïntimeerde] toegewezen, onder veroordeling van [appellant] in de proceskosten. De beslissing, voor zover hier van belang luidt als volgt:

7.1.

verbiedt [appellant] om de door hem aangekondigde executie van het tussen partijen

gewezen arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, d.d.

4 februari 2020, voor wat betreft de dwangsommen (…), voort te zetten althans om in dat kader (verdere) executoriale maatregelen jegens [geïntimeerde] te treffen;

7.2.

bepaalt dat [appellant] voor iedere overtreding van het sub 7.1. genoemde verbod

een dwangsom van € 2.000,00 zal verbeuren en verbindt aan het totaal van de te
verbeuren dwangsommen een maximum van € 40.000,00;

6 De vordering in hoger beroep

De vordering van [appellant] in hoger beroep strekt tot vernietiging van het vonnis van

13 mei 2020, afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] en toewijzing alsnog van de tegenvorderingen van [appellant] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

7
7. De motivering van de beslissing in hoger beroep

7.1

[appellant] is in hoger beroep gekomen onder aanvoering van 10 grieven (bezwaren), genummerd 1 tot en met 10. Daarin stelt [appellant] de volgende kwesties aan de orde:

a) is de tegenvordering ten onrechte buiten beschouwing gelaten en dienen de daarin opgenomen vorderingen alsnog toegewezen te worden (grieven 1 en 10);
b) voert [geïntimeerde] ten onrechte aan dat er naast het bedrijfsruimtegedeelte ook nog een schuurgedeelte bestaat, waarvan het gebruik door haar als opslagruimte buiten het bereik valt van de veroordeling tot ontruiming (grieven 2, 3, 4, 5, (gedeeltelijk) 6);
c) had [geïntimeerde] ook de sleutels van de voordeur moeten overhandigen en heeft zij behalve de “schuurruimte” ook de overige ruimte niet ontruimd, onder andere door daarin nog een modem te hebben (grief 6);
d) is de beslissing van de voorzieningenrechter te ruim geformuleerd, in die zin dat daardoor een duurzame verplichting van [geïntimeerde] geheel buiten werking wordt gesteld (grief 7);
e) is de dwangsom op een te hoog bedrag gesteld (grief 8);
f) is [appellant] ten onrechte in de proceskosten veroordeeld ( grief 9)?

Het hof zal de thema’s hieronder achtereenvolgens en voor zoveel nodig bespreken

tegenvordering

7.2

De mondelinge behandeling door de voorzieningenrechter heeft plaatsgevonden op dinsdag 28 april 2020. Op vrijdag 24 april 2020 omstreeks 17.30 uur heeft de griffie van de rechtbank de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie ontvangen van [appellant] , met daarbij gevoegde producties. In een brief van 14 april 2020 had de rechtbank aan partijen meegedeeld dat vanwege Corona de behandeling via een videoverbinding zou plaatsvinden en dat als partijen zich mochten willen bedienen van pleitnotities die uiterlijk vrijdag 24 april 2020 moesten worden toegezonden. De behandeling is uiteindelijk toch in de rechtbank zelf gehouden, omdat videohoren op het kantoor van mr. Huisman niet mogelijk bleek. [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen het toelaten van de conclusie en de producties, omdat die te laat zou zijn ingediend. De voorzieningenrechter heeft dat bezwaar gehonoreerd voor wat betreft de tegenvordering en de overgelegde producties. Volgens [appellant] is dat ten onrechte.

7.3

Het hof verwerpt het bezwaar van [appellant] en is van oordeel dat die weigering gegrond was.

7.3.1

Het “landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie” bepaalt dat stukken (hof: zoals producties) die binnen 24 uur (één werkdag) voor de mondelinge behandeling worden ingediend, in beginsel buiten beschouwing worden gelaten (artikel 6.2). Een overeenkomstige bepaling geldt voor het instellen van een eis in reconventie (artikel 7.2). Maandag 27 april 2020 was een nationale feestdag (Koningsdag). De producties en de tegenvordering waren dus te laat ingediend.

7.3.2

De brief over het op voorhand toezenden van de pleitnoties maakt dit niet anders. Deze heeft betrekking op notities die bij een fysieke zitting pas op de zitting worden uitgedeeld, wat bij een skype-zitting niet kan. Hiermee is de termijn voor het instellen van een tegenvordering niet verkort. Artikel 7.2 van het toepasselijke procesreglement biedt de voorzieningenrechter ruimte voor afwijking (zie ook voetnoot 6 bij die bepaling). [appellant] heeft - door te kiezen voor een te laat moment voor het instellen van zijn tegenvordering - welbewust het risico genomen dat de voorzieningenrechter toepassing zou geven aan de hoofdregel van artikel 7.2. Omstandigheden waarom die beslissing apert onjuist zou zijn, zijn niet gesteld.

7.3.3

[appellant] heeft nog een beroep gedaan op de “tijdelijke regeling vanwege de Coronacrisis”. Hij heeft dat beroep echter niet toegelicht. Zonder die toelichting gaat het hof daaraan voorbij. Daarbij wordt opgemerkt dat de “tijdelijke regeling” ook geen uitzondering inhoudt op voormelde bepalingen. Verder heeft [appellant] geen bijzondere redenen aangevoerd waarom de voorzieningenrechter de producties en de tegenvordering toch had behoren toe te laten. Het hof verenigt zich daarom met het oordeel van de voorzieningenrechter dat het toelaten van de tegenvordering in strijd zou zijn geweest met het beginsel van hoor en wederhoor.

7.4

De producties die bij de conclusie van antwoord waren gevoegd zullen in hoger beroep overigens alsnog worden meegenomen. Inmiddels heeft [geïntimeerde] voldoende gelegenheid gehad om daarop te reageren. De tegenvordering daarentegen dient ook in hoger beroep buiten beschouwing te blijven. Een tegenvordering dient namelijk gelijk bij antwoord ingesteld te worden (artikel 137 Rv) en kan ook niet voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld (art. 353 Rv.). Als de tegenvordering in eerste aanleg buiten beschouwing is gebleven, omdat die niet tijdig was ingediend, dan kan dat gebrek dus niet in hoger beroep worden hersteld.

7.5

De grieven 1 en 10 falen daarmee en de tegenvordering die [appellant] beoogde in te stellen blijft ook in hoger beroep geheel buiten beschouwing.

schuurgedeelte

7.6

Volgens [geïntimeerde] is zij er altijd vanuit gegaan en gaat zij er nog steeds vanuit dat een door haar als “schuurgedeelte” of “schuurruimte” aangeduide ruimte behoort tot het aan haar verhuurde. Daaronder verstaat zij dat gedeelte van de voormalige stal/schuur dat zich bevindt tussen de voordeur van het perceel 2A en haar inpandige toegangsdeur. Uit overgelegde foto’s en tekeningen leidt het hof af dat het gaat om een ruimte met een lengte en breedte van enkele meters. De lengte wordt bepaald door de afstand tussen de voordeur aan de buitenzijde en de inpandige toegangsdeur. De breedte door de ruimte tussen de muur van het voorgedeelte van de boerderij (het oorspronkelijke woninggedeelte) en een half afgebouwde afscheiding die zich evenwijdig aan die muur in de open ruimte bevond, welke afscheiding inmiddels helemaal is opgetrokken (zie rov 4.10). Volgens [geïntimeerde] heeft zij dat schuurgedeelte altijd gebruikt voor de opslag van goederen en heeft zij daarin nog steeds goederen opgeslagen. Omdat dit gedeelte tot het gehuurde behoort, althans zij daarvan uit mocht gaan, overtreedt zij daarmee niet de veroordeling tot ontruiming, zo stelt zij.

7.7

[appellant] betwist dat de schuurruimte behoort tot de aan [geïntimeerde] verhuurde ruimte. Volgens hem gaat het om de ruimte die de gemeenschappelijke toegang vormt tot de bedrijfsruimte en de woonruimte. Hij gebruikte die ruimte vroeger als werkruimte. Daarom staan daarin nog diverse gereedschappen van hem. [geïntimeerde] heeft zich nog nooit eerder op het standpunt gesteld dat deze schuurruimte tot het gehuurde zou behoren.

7.8

De voorzieningenrechter heeft de stelling van [geïntimeerde] dat sprake is van een schuurgedeelte en dat die niet valt onder de veroordeling tot ontruiming, gehonoreerd. Volgens de voorzieningenrechter is ook het hof in zijn arrest van 4 februari 2020 uitgegaan van een onderscheid tussen bedrijfsruimte en schuurruimte. De voorzieningenrechter leidt dat af uit de voorwaarden die het hof heeft verbonden aan de veroordeling van [geïntimeerde] om te gedogen dat [appellant] de bedrijfsruimte betreedt en daar werkzaamheden in mag laten verrichten, te weten:

a) dat [appellant] dient te zorgen voor een voordeur die direct toegang geeft tot de bedrijfsruimte;
b) dat [appellant] een afscheiding dient aan te brengen tussen de bedrijfsruimte en de woonruimte van [geïntimeerde] , waarbij de voorzieningenrechter aanneemt dat het de muur betreft die inmiddels ook is opgetrokken.
Omdat de veroordeling alleen de bedrijfsruimte betreft, behoefde [geïntimeerde] niet ook het schuurgedeelte te ontruimen.

7.9

Het hof deelt deze zienswijze van de voorzieningenrechter niet. Volgens het hof maakt ook de door [geïntimeerde] als schuurgedeelte aangeduide ruimte deel uit van de door het hof in zijn arrest van 4 februari 2020 bedoelde bedrijfsruimte die door [geïntimeerde] ontruimd diende te worden. Het volgende wordt daartoe overwogen.

7.10

Het gaat om uitleg van het arrest van 4 februari 2020 in het kader van het tussen partijen ontstane executiegeschil. Bij die uitleg moet het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer worden genomen, waarbij de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Bij die uitleg mogen maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden gehanteerd.1Daarbij geldt dat een in het dictum van een beslissing opgenomen veroordeling steeds moet worden gelezen in verband met de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen waarop zij steunt.2

7.11

Het arrest van 4 februari 2020 bezien in zijn samenhang komt erop neer dat [appellant] als eigenaar van de boerderij weer de bevoegdheid moet krijgen om gebruik te kunnen maken van de bedrijfsruimte en daarin eventueel aanpassingen aan te brengen. Daarin past niet dat ook [geïntimeerde] gebruik blijft maken van die ruimte (anders dan om van de voordeur naar de inpandige toegang tot haar woonruimte te gaan). Daarom dient zij de bedrijfsruimte ook te ontruimen.

7.12

Dat naast de woonruimte en de bedrijfsruimte nog een aparte schuurruimte zou bestaan die tot de door [geïntimeerde] gehuurde woonruimte zou behoren, valt in het arrest niet te lezen. Ook valt daar niet in te lezen dat [geïntimeerde] het gebruik zou hebben van een aparte schuurruimte als opslagruimte en dat gebruik zou mogen voortzetten.

7.13

Uit verschillende overgelegde vonnissen en arresten valt niet anders op te maken dan dat partijen de bedrijfsruimte, met inbegrip van het “schuurgedeelte”, altijd als één geheel hebben gezien. Dat [appellant] de “schuurruimte” zelf ook wel aanduidt als “gedeelde toegang” danwel “werkruimte”, maakt dat nog niet anders. Het hof verwijst in dit verband nog naar een overweging van de rechtbank Noord-Nederland in haar vonnis van 28 januari 2015 (overgelegd als productie 3 behorend bij productie 12 van de inleidende dagvaarding), waarin de visie van [geïntimeerde] op de bedrijfsruimte wordt weergegeven (rov. 4.13) :

[geïntimeerde] heeft gesteld dat zij vanaf dat zij de woning huurt het bedrijfsgedeelte in gebruik heeft en dat zij een tegenprestatie levert. Zij gebruikt deze bedrijfsruimte als opslagplaats bij haar woning. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij de ruimte heeft verbouwd. Het was volgens
bij aanvang een kale ruimte. Zij heeft er muren geplaatst en de ruimte ingedeeld. Verder heeft [geïntimeerde] gesteld dat zij plannen heeft om in deze ruimte een bedrijf te starten. (..)

Daaruit blijkt ondubbelzinnig dat ook [geïntimeerde] de bedrijfsruimte als één geheel zag.

7.14

In die eerdere procedures is wel aangenomen dat er met betrekking tot de bedrijfsruimte een afzonderlijke huurovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Vast staat echter dat aan die huurverhouding inmiddels een einde is gekomen (zie ook rov 4.3). Uit niets blijkt dat niettemin [geïntimeerde] wel het recht op gebruik van een gedeelte van de bedrijfsruimte is blijven behouden.

7.15

Dat valt ook niet af te leiden uit de aan de “gedoogveroordeling” verbonden twee voorwaarden. De voorwaarde van het aanbrengen van een afscheiding tussen de bedrijfsruimte en de woonruimte ziet alleen op het aanbrengen van een afscheiding tussen een slaapkamer en de bedrijfsruimte (zie rov 2.3 van het arrest van 4 februari 2020). Volgens [appellant] is die scheiding inmiddels ook gemaakt (overigens door de heer Swieringa, de partner van [geïntimeerde] ). Het arrest biedt geen aanknopingspunten voor de aanname (van ook de voorzieningenrechter) dat het hier gaat om de onafgebouwde muur tussen de “schuurruimte” en de bedrijfsruimte (hiervoor bedoeld in rov. 7.6). Dat [appellant] die muur inmiddels kennelijk wel tot aan de nok heeft opgetrokken, geeft [geïntimeerde] nog geen gebruiksrecht op de “schuurruimte”. Ook uit de voorwaarde van het aanbrengen van een afzonderlijke deur voor de bedrijfsruimte blijkt niet van het onderscheid. Die voorwaarde kan worden begrepen in het licht van de omstandigheid dat [appellant] de ruimte anders wilde gaan indelen en dat hinder daarvan voor [geïntimeerde] in haar persoonlijke levenssfeer –zij moet de ruimte in ieder geval wel kunnen blijven gebruiken voor de toegang tot haar woonruimte- zoveel mogelijk beperkt/voorkomen diende te worden. De inmiddels opgetrokken muur tussen bedrijfsruimte en “schuurruimte” kan daar overigens ook aan bijdragen.

7.16

[geïntimeerde] had na haar veroordeling tot ontruiming dus ook “het schuurgedeelte” moeten ontruimen en zij had dat ook behoren te begrijpen. Uit de omstandigheid dat [geïntimeerde] erkent dat zij die ruimte nog steeds gebruikt voor de opslag van goederen volgt dat zij de veroordeling niet naleeft. [geïntimeerde] verbeurt dus dwangsommen zolang zij uit die ruimte niet haar goederen verwijdert. Voor zover er verschil van mening over mocht bestaan welke dat precies zijn, ligt voor de hand dat [appellant] de goederen merkt of verwijdert die volgens hem van hem zijn en dat [geïntimeerde] de overige goederen verwijdert. Over de door [appellant] gemerkte of verwijderde goederen kunnen partijen dan nog verder debatteren zonder dat [appellant] aan [geïntimeerde] het verwijt kan maken dat zij de veroordeling niet naleeft en dwangsommen verbeurt. De grieven 2, 3, 4, 5 en (gedeeltelijk) 6 slagen dus.

7.17

Met betrekking tot de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] de veroordeling ook niet naleeft doordat zij ook het overige deel van de bedrijfsruimte niet heeft ontruimd, overweegt het hof het volgende.

7.17.1

Er bevinden zich kennelijk nog een aantal goederen in de overige ruimte. Partijen twisten over wie die goederen toebehoren. Uit foto’s kan het hof niet meer afleiden dan dat het om een beperkt aantal goederen gaat. [appellant] kan de goederen voor zover die volgens hem van [geïntimeerde] zijn (terwijl [geïntimeerde] dat dus betwist) eenvoudig zelf verwijderen. Daarbij past niet dat [geïntimeerde] ook dwangsommen verbeurt.

7.17.2

Dat er zich nog een modem van [geïntimeerde] bevindt in de bedrijfsruimte acht het hof van zo weinig gewicht dat geen verbeuring van dwangsommen rechtvaardigt. Overigens heeft [geïntimeerde] verklaard dat zij inmiddels een ander modem heeft, zodat [appellant] het modem zelf probleemloos kan verwijderen.

7.17.3

[appellant] heeft niet onderbouwd dat [geïntimeerde] de uitvoering van werkzaamheden hindert, anders dan door het niet verwijderd hebben van goederen, waarover het hof al zijn oordeel heeft gegeven. Er bestaat vooralsnog dus geen grond voor het oordeel dat [geïntimeerde] daarnaast ook dwangsommen zou verbeuren op deze grond.

7.18

Voor de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] de veroordeling ook niet naleeft door niet ook de sleutels van de voordeur te overhandigen, geldt dat [appellant] daarin op zichzelf gelijk heeft gehad. Omdat [appellant] een afzonderlijke voordeur heeft geplaatst, heeft hij zijn belang bij naleving van die veroordeling inmiddels echter verloren, zodat [geïntimeerde] ten aanzien daarvan geen dwangsommen verbeurt (nadat zij zal hebben voldaan aan de veroordeling tot ontruiming).

7.19

De vraag of het maximum aan dwangsommen - ten gevolge van het niet volledig ontruimen van de bedrijfsruimte - inmiddels al is bereikt, ligt buiten de reikwijdte van deze zaak.

8 De slotsom

8.1

De grieven slagen grotendeels. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen.
zal worden veroordeeld tot terugbetaling aan [appellant] van alles wat [appellant] ter uitvoering van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald.

8.2

Omdat het bestreden vonnis vernietigd zal worden en de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen zullen worden, heeft [appellant] geen belang meer bij zijn grieven 7 en 8.

8.3

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen. Daarmee slaagt ook grief 9.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 304,- aan verschotten en op € 980,- voor salaris advocaat. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 432,89 aan verschotten

(€ 100,89 voor dagvaarding en € 332,- voor griffierecht) en op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief ( 1 punt x tarief II).

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

9 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter te Groningen van 13 mei 2020 en doet opnieuw recht:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover van de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 304,- aan verschotten en € 980,- voor salaris van de advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 432,89 aan verschotten en op € 1.074,- voor salaris advocaat;

te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, J.H. Kuiper en M.W. Zandbergen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

10 november 2020.

1 ECLI:NL:HR:2002:AE9400

2 ECLI:NL:HR:2016:369