Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9167

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
16-11-2020
Zaaknummer
200.269.401/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Zaak met betrekking tot gezag en omgang gaat opnieuw naar de raad voor aanvullend onderzoek. instanties wordt opgedragen om aan de slag te gaan met het eerder door de raad gegeven advies ten aanzien va de omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.269.401/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 190452)

beschikking van 3 november 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. K.B. Spoelstra te Groningen,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. N. Groeneveld te Hoogezand.

Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Voor het verloop van het geding tot 28 november 2019 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2 Het hof heeft in het kader van de pilot regievoering bij voornoemde tussenbeschikking de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) verzocht om een onderzoek in te (doen) stellen naar de (on)mogelijkheden van het ouderlijk gezag en de zorgregeling ten aanzien van de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2008 (hierna: [de minderjarige] ).

1.3 Het hof heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen ter griffie op 14 november 2019;

- het verweerschrift;

- een brief van mr. Spoelstra van 2 december 2019;

- het journaalbericht van mr. Spoelstra van 20 december 2019 met productie(s);

- een brief van de raad van 17 maart 2020 met productie(s);

- het journaalbericht van mr. Spoelstra van 10 september 2020 met productie(s).

1.4 [de minderjarige] heeft bij brief van 19 augustus 2020 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

1.5 De mondelinge behandeling heeft op 28 september 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de raad is mevrouw [C] verschenen.

2 De feiten

2.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2017 ontbonden door echtscheiding.

2.2

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] .

2.3

Partijen zijn na het uiteengaan een gelijkwaardig co-ouderschap overeengekomen, waarbij [de minderjarige] de ene week bij zijn vader verbleef en de andere week bij zijn moeder. Bij beschikking van 15 maart 2018 heeft dit hof bepaald, voor zover hier van belang, dat [de minderjarige] ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen op het adres van de vader. Het hof zag geen aanleiding deze al bestaande inschrijving te wijzigen. Het hof vond het op dat moment niet nodig om het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij één van de ouders te bepalen.

2.4

Bij (tussen)beschikking van 30 april 2019 heeft de rechtbank Noord-Nederland bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder zal zijn. De vader zat op dat moment in voorlopige hechtenis op verdenking van brandstichting.

De beslissing over de contactregeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft de rechtbank aangehouden in afwachting van het resultaat van de strafzaak in eerste aanleg.

2.5

Bij vonnis van rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2019 is de vader veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 400 dagen voor poging tot het opzettelijk stichten van brand in het appartementencomplex (waar hij woont), waarvan 173 dagen niet ten uitvoer worden gelegd, indien de aan hem opgelegde algemene en bijzondere voorwaarden door hem worden nageleefd. De bijzondere voorwaarden zijn, zakelijk weergegeven, dat vader zich meldt op afspraken bij Reclassering Nederland, zich laat behandelen in de [D] ( [D] ) te [E] (of in een soortgelijke intramurale instelling), zich in het vervolg op de klinische behandeling onder ambulante behandeling zal stellen en zich onthoudt van het gebruik van alcohol.

2.6

De vader heeft zijn straf uitgezeten. Hij verbleef daarna enige tijd in de [D] ( [D] ) te [E] , waaruit hij op 13 augustus 2019 is ontslagen.

2.7

Bij de bestreden beschikking van 17 september 2019 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de moeder voortaan alleen belast zal zijn met het gezag over [de minderjarige] en dat de omgang tussen [de minderjarige] en de vader onder regievoering (begeleiding) van [F] te [B] plaatsvindt, zolang [F] deze regievoering nodig acht.

2.8

De moeder woont met [de minderjarige] in [B] . De vader woont alleen in [A] . [de minderjarige] heeft iedere dinsdag begeleiding van [F] . Er wordt uitvoering gegeven aan een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader, waarbij [de minderjarige] één keer per drie weken omgang heeft met de vader bij [F] , er de week daarop een belmoment met de vader is en [de minderjarige] de derde week een poststuk naar de vader verstuurt.

3. De omvang van het geschil

3.1

Tussen partijen zijn in geschil het ouderlijk gezag en de omgangsregeling ten aanzien van [de minderjarige] .

3.2

De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op het ouderlijk gezag en de tweede op zijn omgang met [de minderjarige] . De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking van 17 september 2019 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de moeder -het hof begrijpt- strekkende tot wijziging van het ouderlijk gezag en de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] alsnog af te wijzen.

3.3

De moeder voert verweer en zij verzoekt het verzoek van de vader af te wijzen en de beschikking van de rechtbank d.d. 17 september 2019 te bekrachtigen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van
28 november 2019, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

4.2

In die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te (doen) stellen naar de (on)mogelijkheden van het ouderlijk gezag en de zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige] . Iedere verdere beslissing daarover heeft het hof aangehouden.

4.3

De raad heeft op 17 maart 2020 gerapporteerd.

In dit rapport wordt onder meer vermeld dat de ouders in het geheel niet rechtstreeks communiceren. De raad verwacht ook niet dat de onderlinge communicatie van de ouders zich binnen afzienbare tijd zal verbeteren, gezien de gezinsgeschiedenis, waarin sprake is geweest van huiselijk geweld, een lange juridische strijd over hoofdverblijf, gezag en/of omgang, die al vanaf 2016 gaande is, en gezien de gedragingen van de vader in het verleden en het wantrouwen van de moeder jegens de vader. [de minderjarige] is in het verleden geconfronteerd geweest met ingrijpende en traumatiserende gebeurtenissen. Het is gedurende een periode niet goed gegaan met de vader en dit heeft zowel op de moeder als op [de minderjarige] een enorme impact gehad. De vader liet namelijk zeer onvoorspelbaar en onveilig gedrag zien.

De raad adviseert het hof in dit rapport om het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] af te wijzen. De raad wijst er daarbij op dat het voor [de minderjarige] duidelijk moet zijn wie de belangrijke beslissingen over hem neemt, temeer nu [de minderjarige] vanwege ASS en ADHD meer dan een ander kind baat heeft bij duidelijkheid en structuur.

4.4

Met betrekking tot de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] adviseert de raad dat een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader wordt vastgelegd die gelijk is aan de huidige regeling, waarbij één keer per drie weken één uur omgang bij [F] plaatsvindt, er in de daarop volgende week een belcontact met de vader is en [de minderjarige] in de derde week een poststuk naar de vader verstuurt.

Volgens de raad dient daarbij onderzocht te worden in hoeverre het in het belang van [de minderjarige] is om de omgang uit te breiden. Gelet op de ervaringen die [de minderjarige] heeft gehad en de impact daarvan op zijn emoties, is echter niet in te schatten welke uitbreiding maximaal haalbaar is en evenmin op welke termijn. Ook heeft [de minderjarige] moeite met de overgang van het contact met de vader naar de situatie met de moeder. Onduidelijk is welke rol zijn ASS-problematiek hierbij speelt en welke hulp eventueel nodig is om te zorgen dat [de minderjarige] beter kan omgaan met zijn emoties. Hier moet meer zicht op komen.

Vooralsnog dient het contact te worden begeleid. De raad is van mening dat onder regievoering van het Sociaal Team, samen met hulpverlening van [F] en hulpverlening van de vader en mogelijk andere experts, van bijvoorbeeld Accare en/of Autisme Team Noord, gekeken moet worden naar de mogelijkheden om de huidige regeling in duur en frequentie uit te breiden. Daarbij moet onder meer worden onderzocht of de vader bij uitbreiding voldoende in staat is om aan te sluiten bij wat [de minderjarige] nodig heeft. Vanwege zijn ASS-problematiek zal een eventuele uitbreiding van het contact met de vader gedoseerd moeten plaatsvinden, temeer nu [de minderjarige] komend schooljaar naar het voortgezet onderwijs gaat en ook dat een verandering is waar hij aan zal moeten wennen.

Hoe dan ook moet het belang van [de minderjarige] bij een eventuele uitbreiding van het contact centraal blijven staan.

4.5

Uit het raadsrapport komt naar voren dat de vader zijn leven nu beter op orde heeft. Hij heeft de behandeling bij de [D] positief afgerond en ook de reclassering en AFPN zijn positief over de vader. Er zijn geen aanwijzingen dat de vader nog afhankelijk is van middelen. De vader ervaart een positief contact met [de minderjarige] en werkt mee aan de hulp die ervoor nodig is om dit voor [de minderjarige] zo goed en veilig mogelijk te laten verlopen.

Verder wordt in het raadsrapport vermeld dat zowel de vader als [de minderjarige] graag meer contact zouden willen.

De moeder verzet zich niet tegen omgang met de vader en vindt dit in het belang van [de minderjarige] . De moeder laat zich door het Sociaal Team en [F] adviseren ten aanzien van het contact tussen [de minderjarige] en de vader. De moeder ervaart moeite met het gedrag van [de minderjarige] na de omgang met de vader. Zij krijgt daarbij ondersteuning van [F] .

4.6

Het hof acht zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen over het gezag en de omgangsregeling.

Het hof constateert dat er inmiddels een paar maanden zijn verstreken sinds het door de raad gegeven advies en dat er heel weinig zicht is op wat er sindsdien is veranderd in het kader van de omgang, terwijl het advies van de raad heel uitdrukkelijk neerkomt op "ga aan de slag". In hoeverre het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), dat gezien wordt als de instantie die de regie voert, uitvoering heeft gegeven (of gaat geven) aan het advies van de raad om te komen tot nadere invulling van omgang, is niet gebleken uit de stukken noch uit de zitting.

Het hof vindt dan ook dat alsnog meer zicht moet worden verkregen op de (on)mogelijkheden van het (gezamenlijk) ouderlijk gezag en de omgangsregeling ten aanzien van [de minderjarige] .

Daarom zal het hof de behandeling van de zaak voor zes maanden aanhouden, met het verzoek aan het CJG om aan de slag te gaan met het advies van de raad wat betreft de omgang, namelijk om te kijken wat de mogelijkheden zijn voor uitbreiding van de omgangsregeling. Het hof vindt het daarbij van belang dat het CJG hierbij Accare betrekt, nu Accare [de minderjarige] goed kent en vanuit haar expertise in deze een rol van betekenis kan spelen.

Uiteraard dient er samenwerking te zijn met [F] , nu die instantie een rol vervult bij de begeleiding van de omgang.

4.7

Het hof zal de raad verzoeken om wat betreft de omgang tussen de vader en [de minderjarige] de vinger aan de pols te houden en zowel ten aanzien van de omgang als het ouderlijk gezag een aanvullend onderzoek in te (doen) stellen.

Hierbij dient ook aandacht te worden besteed aan de wijze waarop de vader geïnformeerd wordt over belangrijke zaken aangaande [de minderjarige] , nu de ouders niet rechtstreeks met elkaar communiceren en bedoelde informatievoorziening, zo leidt het hof af uit hetgeen naar voren is gebracht, mogelijk te wensen overlaat.

De vader stelt namelijk dat hij niet wordt geïnformeerd over de belangrijke zaken aangaande [de minderjarige] , terwijl de moeder zegt dat de vader voldoende wordt geïnformeerd door [de minderjarige] zelf en in ieder geval via derden, zoals [F] en Accare. Het hof verlangt aanvullende rapportage hierover en wil weten hoe en in hoeverre via derden als genoemd (dan wel anderszins) de informatievoorziening over de belangrijke zaken aangaande [de minderjarige] plaatsvindt.

4.8

Het hof verzoekt de raad uiterlijk 3 mei 2021 over de (on)mogelijkheden van het ouderlijk gezag en de omgangsregeling ten aanzien van de minderjarige [de minderjarige] alsook over de informatieverplichting nader te rapporteren en het hof in deze kwesties nader te adviseren. Na ontvangst van het rapport van de raad zullen partijen de gelegenheid hebben om binnen twee weken een schriftelijke reactie in het geding te brengen, waarna het hof schriftelijk zal beslissen dan wel een nieuwe mondelinge behandeling zal bepalen. Iedere verdere beslissing zal het hof aanhouden.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

alvorens verder te beslissen:

verzoekt het centrum voor jeugd en gezin (CJG) te Groningen om de raad voor de kinderbescherming schriftelijk te berichten over de stand van zaken betreffende de omgang met inachtneming van het raadsadvies van 17 maart 2020 als hiervoor onder 4.4. omschreven;

verzoekt de raad een nader onderzoek in te stellen als hiervoor onder 4.6 en 4.7 omschreven en daaromtrent uiterlijk 3 mei 2021 te rapporteren en adviseren;

bepaalt dat partijen binnen twee weken na ontvangst van het raadsrapport hun schriftelijke reactie daarop in het geding kunnen brengen;

bepaalt dat het hof daarna schriftelijk zal beslissen dan wel een nieuwe mondelinge behandeling zal bepalen, waarvoor partijen en de raad in dat geval zullen worden opgeroepen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, A.W. Beversluis en E.F. Groot, bijgestaan door mr. Marsnerova als griffier, en is op 3 november 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.