Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9165

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
21-005624-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2020:4815, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW. Op weghelft tegemoetkomend verkeer belanden en tegen auto botsen als gevolg van in slaap vallen. Verweer dat er geen sprake was van aanmerkelijke onoplettendheid en onachtzaamheid verworpen. Van verontschuldigbare onmacht, in die zin dat verdachte geen relevant verwijt treft, is geen sprake. Toepassing oriëntatiepunten. Taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005624-19

Uitspraak d.d.: 6 november 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2019 met parketnummer 16-012007-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 25 september 2020 en 23 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw,

mr. D. van den Broek, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 11 oktober 2018 te Amerongen, gemeente Utrechtse Heuvelrug als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Bergweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden, door niet (voortdurend) de controle over haar auto te hebben en/of te houden en/of in slaap te vallen en daardoor op de verkeerde weghelft te (blijven) rijden (waardoor haar voertuig in botsing kwam met het voertuig van het slachtoffer), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken knieschijf, een gebroken voet, een gebroken ribben en/of een gebroken nek, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair

zij op of omstreeks 11 oktober 2018 te Amerongen, gemeente Utrechtse Heuvelrug als bestuurder van een voertuig, daarmee rijdende op de weg, Bergweg, in slaap te vallen en daardoor op de verkeerde weghelft te (blijven) rijden (waardoor haar voertuig in botsing kwam met het voertuig van het slachtoffer), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De advocaat-generaal concludeert ter terechtzitting van het hof van 23 oktober 2020 dat de vrijspraak door de rechtbank van het schuldmisdrijf onjuist is en heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. De verkeersfout van de verdachte bestaat er uit dat zij in een flauwe bocht naar rechts niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, maar min of meer rechtdoor is gegaan en op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer is gaan rijden. Aldaar is zij frontaal gebotst tegen een tegemoetkomende automobiliste. Het uiterlijk waarneembare onjuiste weggedrag van verdachte op 11 oktober 2018 moet worden aangemerkt als een sterke indicatie voor schuld aan het ontstaan van het verkeersongeval. Dat is alleen anders als er sprake was van een uitzonderlijke omstandigheid die de subjectieve verwijtbaarheid van het gedrag wegneemt. Vermoeidheid en het achter het stuur in slaap vallen kunnen moeilijk worden gezien als een uitzonderlijke omstandigheid in de sfeer van de strafuitsluitingsgronden. Het achter het stuur in slaap vallen leidt wel tot een vorm van onmacht, maar die is bepaald niet verontschuldigbaar. Het kader van de normatieve beoordeling van de verontschuldigbaarheid van het in slaap vallen komt belangrijke betekenis toe aan de algemeen geldende ongeschreven norm dat een bestuurder van een motorrijtuig tijdens het besturen in staat moet zijn om datgene te doen en laten wat voor een goede en veilige deelname aan het verkeer nodig is. Het tijdens het rijden door vermoeidheid in slaap vallen komt geheel voor rekening van de verdachte en werkt niet verontschuldigend. Enkel en alleen een waarnemingsfout in een ‘split second’ is onvoldoende voor het bewijs van schuld (HR 29 april 2008, NJ 2008, 440). Om tot dat bewijs te komen moeten bijkomende omstandigheden worden vastgesteld, die de momentane onoplettendheid naar de aanmerkelijke schuld kunnen tillen. De verdachte is zonder dat zij dat bemerkte op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer terechtgekomen en aldaar in botsing gekomen met een tegenliggers die zij in het geheel niet heeft zien naderen. Dat is geen momentane onoplettendheid, maar een zodanige onoplettendheid en onachtzaamheid dat er overeenkomstig HR 1 juni 2004, VR 2005/30, NJ 2005/252 sprake is van aanmerkelijke schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. Volgens de advocaat-generaal moet worden bewezenverklaard dat de verdachte ‘aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam heeft gereden’.

De raadsvrouw heeft bepleit verdachte vrij te spreken van het haar primair tenlastegelegde. Zij heeft daartoe, kort gezegd, het volgende aangevoerd. Verdachte is achter het stuur in slaap gevallen en heeft hierdoor een ongeluk veroorzaakt. Onvoorzichtig of onoplettend handelen is op zichzelf niet voldoende om tot een bewezenverklaring van ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW te kunnen komen. Het verwijt moet stevig zijn. Het in de auto stappen terwijl ze slecht geslapen had levert niet zonder meer verwijtbaarheid op in de zin van artikel 6 WVW. Op het moment dat verdachte in de auto stapte voelde ze zich niet vermoeid. De vermoeidheid kwam plotseling opzetten en heeft verdachte overvallen. Ze heeft geen rekening kunnen en/of moeten houden met de mogelijkheid dat ze in de auto in slaap zou kunnen vallen. Toen verdachte moe werd was het geen optie om haar auto snel aan de kant te zetten, omdat ze al op de Amerongseberg reed. Daar de auto neerzetten zou ook tot een gevaarlijke situatie hebben geleid. Ze kon niet anders dan proberen wakker te blijven en te zoeken naar een veilige plek om de auto te kunnen parkeren.

Mocht het hof voornemens zijn het standpunt van het openbaar ministerie te volgen dat er wel mogelijkheden waren om de auto te parkeren nadat verdachte werd overvallen door de slaap, dan verzoekt de raadsvrouw om het onderzoek aan te houden en een schouw ex artikel 318 Sv te houden op de Amerongseberg.

Het hof is van oordeel dat het primair tenlastegelegde is bewezen en dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak daarvan dient te worden verworpen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Uit het dossier volgt dat verdachte op 11 oktober 2018 omstreeks 12.50 uur met haar personenauto (BMW) over de Bergweg te Amerongen in de richting van Amerongen reed. De verdachte naderde een flauwe bocht naar rechts. Zij volgde niet het verloop van de weg, maar reed als het ware rechtdoor. Hierdoor kwam zij uiteindelijk geheel op de linker weghelft te rijden. Op dat moment naderde uit tegenovergestelde richting een door [slachtoffer] bestuurde personenauto (Seat). Zij zag verdachte op de verkeerde weghelft naderen. [slachtoffer] liet het gaspedaal los, remde en maakte een noodstop. Desondanks volgde een frontale botsing aan de linkerzijde van de rijbaan. Zelf heeft verdachte verklaard dat zij tijdens het rijden ineens overvallen werd door slaap. Ze is nog gaan zingen om te voorkomen dat ze in slaap viel, maar dat heeft niet mogen baten. Ze heeft niet gemerkt dat ze op de verkeerde weghelft terecht was gekomen en heeft de auto van [slachtoffer] in het geheel niet zien naderen.

Het verkeersgedrag van verdachte kan in dit geval in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet te wijten is. Met de advocaat-generaal is het hof echter van oordeel dat verdachte weliswaar in onmacht verkeerde doordat zij kennelijk in slaap is gevallen, maar dat dit niet verontschuldigbaar is. Doordat zij geheel op de andere weghelft terecht is gekomen, het tegemoetkomende verkeer niet heeft gezien en daarvoor niet is uitgeweken is het hof van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Het hof acht dit ook verwijtbaar. Verdachte heeft verklaard dat zij onderweg overvallen werd door de slaap. Ze is, ondanks dat ze die nacht ervoor maar zeer kort geslapen had, toch in de auto gestapt. Van bestuurders wordt echter in beginsel verwacht dat zij voldoende fit zijn als zij aan het verkeer deelnemen. Nu van verontschuldigende omstandigheden bij het van haar weghelft raken en hetgeen daarop is gevolgd niet is gebleken, is van verontschuldigbare onmacht, in die zin dat verdachte geen relevant verwijt treft, geen sprake. Het hof is voorts van oordeel dat in het geval als het onderhavige niet kan worden gesproken van een ‘kort moment van onoplettendheid’ waardoor de schuld aan het ongeval kan komen te ontvallen (vergelijk HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0544). Daarvan kan immers pas sprake zijn bij een enkele waarnemingsfout bij verder verkeersgedrag volgens de regels. Zoals hiervoor overwogen is dat hier niet het geval. Bewezen kan worden dat verdachte ‘aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam heeft gereden’, zoals gevorderd door de advocaat-generaal.

Door het ongeval heeft slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, hetgeen door de verdediging niet wordt betwist. Het hof verwijst naar de bewijsmiddelen, waarmee het arrest zal worden aangevuld in het geval cassatie wordt ingesteld.

Voorwaardelijk verzoek om schouw

Voor het geval het openbaar ministerie zou volharden in het standpunt dat er mogelijkheden waren om de auto te parkeren en het hof voornemens is dat standpunt te volgen verzoekt de raadsvrouw voorwaardelijk om het houden van een schouw ter plaatse. Het hof wijst dit verzoek af nu de voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan zich niet heeft voorgedaan en het hof een schouw ook overigens niet noodzakelijk vindt. Het hof betrekt in zijn oordeel immers niet of er al dan niet mogelijkheden waren de auto te parkeren.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


zij op of omstreeks 11 oktober 2018 te Amerongen, gemeente Utrechtse Heuvelrug als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Bergweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden, door niet (voortdurend) de controle over haar auto te hebben en/of te houden en/of in slaap te vallen en daardoor op de verkeerde weghelft te (blijven) rijden (waardoor haar voertuig in botsing kwam met het voertuig van het slachtoffer), waardoor aan een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken knieschijf, een gebroken voet, een gebroken ribben en een gebroken nek, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte wegens het primair tenlastegelegde te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen.

De raadsvrouw heeft verzocht bij strafoplegging rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte is erg geschrokken van het ongeval en voelt zich vreselijk schuldig. Verdachte was en is bereid aan het slachtoffer excuses aan te bieden. Nu daar geen behoefte aan is heeft verdachte daar respect voor. Mocht het slachtoffer in de toekomst hier ooit wel behoefte aan hebben, dan staat verdachte daarvoor open. Verdachte heeft het financieel niet breed. Een taakstraf is minder belastend dan een boete. Ze heeft haar rijbewijs nodig voor het oppassen bij haar kleinkinderen. Verzocht wordt om geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Het hof overweegt als volgt.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft, door met haar personenauto op het weggedeelte van het tegemoetkomende verkeer te raken, een ongeval veroorzaakt. Ze is in botsing gekomen met een tegenligger, [slachtoffer] . Het slachtoffer heeft ten gevolge van het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een verbrijzelde voet, gebroken nekwervel, gebroken ribben en een gebroken knieschijf. Hoe groot de impact van het ongeval op haar leven is blijkt eens temeer uit haar schriftelijke slachtofferverklaring en de verklaring die zij ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd. Na de behandeling bij de rechtbank is er nog meer letsel ontdekt. Ook haar knie is beschadigd en ze is recent voor de vijfde keer geopereerd. De gevolgen van het ongeval bepalen haar leven sinds twee jaar en zullen de rest van haar leven bepalen. Ze heeft het er heel moeilijk mee. Voor een jonge vrouw die, zoals zij het zelf heeft verwoord, eerst actief in het leven stond en die door de letsels is gedegradeerd tot toeschouwer aan de zijlijn, is het contrast tussen het leven vóór en na het ongeval erg groot en bijzonder schrijnend.

Verdachte heeft ter zitting haar spijt betuigd. Zij heeft tevergeefs geprobeerd in contact te komen met het slachtoffer. Ze heeft dit ongeluk en de ernstige gevolgen niet gewild en zij voelt zich verantwoordelijk.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 augustus 2020 blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is. Ook na het onderhavige feit is verdachte niet met politie of justitie in aanraking gekomen.

Het hof komt, anders dan de rechtbank, tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en komt daarom tot een hogere straf. Het hof heeft gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting passend bij zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer en aanmerkelijke schuld bij de verdachte. Deze houden voor een dergelijk geval een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging voor de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden onvoorwaardelijk als uitgangspunt in.

Gelet op al het vorenstaande en in het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, ziet het hof geen reden om en hogere of lagere taakstraf op te leggen. Wel ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om de ontzegging van de rijbevoegdheid niet onvoorwaardelijk maar voorwaardelijk op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. M.L. Plas en mr. M.B.T.G. Steeghs, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H.D. de Roo, griffier,

en op 6 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.B.T.G. Steeghs is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 6 november 2020.

Tegenwoordig:

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. J. van Onna, advocaat-generaal,

mr. N.E. Versloot, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.