Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9122

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
Wahv 200.245.121
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op de enkele stelling dat de officier van justitie zijn beslissing niet goed heeft gemotiveerd, hoeft de kantonrechter niet te responderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.245.121/01

CJIB-nummer

: 211211822

Uitspraak d.d.

: 5 november 2020

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder van een rijdend motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 augustus 2017 om 15.30 uur op het Damrak in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. De gemachtigde stelt dat dat de officier van justitie en de kantonrechter niet zijn ingegaan op de ene inhoudelijke grond die was aangevoerd, en stelt dat om die reden sprake is van een motiveringsgebrek. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de verbalisant wel verklaart dat betrokkene over een fietspad zou hebben gereden, maar is in het dossier geen feitelijke grondslag aanwezig voor een duidelijk zichtbaar aanwezig bord.

3. De gemachtigde - een professionele rechtsbijstandsverlener - heeft in de procedure bij de kantonrechter met betrekking tot het motiveringsbeginsel slechts aangevoerd dat de beroepsgronden niet deugdelijk zijn behandeld en dat de officier niet of niet adequaat ingaat op de gemotiveerd gemaakte punten. De kantonrechter heeft onder 3. van zijn beslissing opgenomen dat de gemachtigde aanvoert dat de beslissing van de officier van justitie ondeugdelijk gemotiveerd is en voorts onder 5. dat gelet op de inhoud van het tegen de initiële beschikking gerichte beroepschrift, de motivering van verweerder niet als ontoereikend dan wel als onvoldoende kan worden aangemerkt. Deze overweging van de kantonrechter is juist, in aanmerking genomen hetgeen de officier van justitie in zijn beslissing in reactie op de door de gemachtigde aangedragen gronden heeft overwogen en hetgeen de gemachtigde hiertegen heeft aangevoerd. Gelet hierop had het op de weg van de gemachtigde gelegen om nader aan te geven waarom die motivering van de kantonrechter niet volstaat. De klacht wordt verworpen.

4. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van het bepaalde in artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Dit artikel houdt - voor zover hier van belang - in dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan dienen te gebruiken.

5. Artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990 bepaalt dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken en dat zij voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten mogen gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder ad, van het RVV 1990 wordt onder "rijbaan" verstaan: elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden.

6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik zag (…) een motor over het fietspad rijden. Ik zag de bestuurder een geschatte afstand van 200 meter over het fietspad rijden.”

8. In het dossier bevindt zich voorts een aanvullend proces-verbaal van 6 december 2017 waarin de ambtenaar onder meer het volgende verklaart:

“Ik zag (…) het genoemde voertuig op de Damrak rijden Ik zag dat de betrokkene met zijn motorvoertuig het fietspad op ging ter hoogte van de stoplichten. Ik zag dat de betrokkene fietspad bleef volgen rechtsaf de Prins Hendrikkade op. De betrokkene reed een geschatte afstand van 200 meter over het fietspad.”

Bij dit proces-verbaal is een foto van het Damrak afkomstig uit Google Maps gevoegd.

9. Vaststaat dat de motorfiets van de betrokkene de door de ambtenaar gereden route heeft gereden, te weten over het Damrak en bij de kruising rechtsaf de Prins Hendrikkade op. Ter discussie staat de vraag of de betrokkene zich daarbij over het fietspad heeft verplaatst.

10. Het RVV 1990 bevat geen definitie of omschrijving van de begrippen “trottoir”, “voetpad”, “fietspad”, “fiets/bromfietspad” of “ruiterpad”. Van belang is met name hoe het betreffende weggedeelte zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet.

11. Naar aanleiding van de door de ambtenaar overgelegde foto heeft het hof zich ook via Google Maps streetview georiënteerd op de situatie ter plaatse. Hieruit blijkt dat zich op het Damrak naast het trottoir een (fiets)strook bevindt, die wordt begrensd met een doorgetrokken streep en waar op meerdere plekken een tegel met een fiets is aangebracht. Naast deze strook bevindt zich een voor auto’s bestemd gedeelte van de rijbaan en daarnaast bevindt zich de trambaan. Op enige afstand voor de verkeerslichten op de kruising met de Prins Hendrikkade gaat de doorgetrokken streep over in een breder wit vlak en daarna in een smal trottoir, waardoor vanaf dat punt tot aan de kruising sprake is van een van de rijbaan afgezonderd, vrijliggend fietspad.

12. Het hof ziet in hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de waarneming van de ambtenaar dat hij zag dat de motor van de betrokkene ter hoogte van de stoplichten bij de kruising met de Prins Hendrikkade op het fietspad reed. Dat de ambtenaar niet verklaart over de aanwezigheid van een bord, doet daar niet aan af. Gelet op de hiervoor omschreven weginrichting doet dit weggedeelte zich naar het oordeel van het hof voor de gemiddelde weggebruiker voor als een fietspad.

13. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft het beroep dan ook terecht ongegrond verklaard. Het hof zal deze beslissing daarom bevestigen.

14. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.