Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9110

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
200.271.550
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging, omgangsregeling, klare taal, artikel 1:266 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.271.550

(zaaknummer rechtbank Overijssel 225508)

beschikking van 5 november 2020

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

en

[verzoeker] (de vader),

allebei wonende in [A] ,
advocaat: mr. R.F.P. Scheele te Rotterdam,

en

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

gevestigd in Almelo.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd in Amsterdam,

en

[de pleegouders] (de pleegouders).

1 De rechtszaak bij de rechtbank

De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft op 15 februari 2019 en 21 oktober 2019 beslissingen genomen. In die beslissingen staat hoe de rechtszaak bij de rechtbank is gegaan.

2 De rechtszaak in hoger beroep

2.1.

In het dossier van het hof zitten de volgende stukken:

- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 30 december 2019;

- het verweerschrift.

2.2.

De zitting bij het hof was op 25 september 2020. Die dag zijn gekomen:

  • -

    de ouders samen met hun advocaat;

  • -

    de heer [B] namens de raad;

  • -

    mevrouw [C] namens de William Schrikker Stichting.

3 De feiten

3.1.

De vader en de moeder zijn getrouwd met elkaar. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2010 in [D] . De ouders hadden tot de beslissing van de rechtbank samen het gezag over [de minderjarige] .

3.2.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] op 14 december 2010 onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting. Deze ondertoezichtstelling is steeds verlengd.

3.3.

De kinderrechter heeft op 30 oktober 2012 bepaald dat [de minderjarige] uit huis geplaatst moest worden. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd.

3.4.

[de minderjarige] woont sinds 31 mei 2013 in het gezin van de pleegouders.

4 Waar het nu over gaat

4.1.

De rechtbank heeft in de beschikking van 21 oktober 2019 het gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd en de William Schrikker Stichting tot voogd benoemd. Verder heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld tussen [de minderjarige] en de ouders van één keer in de maand gedurende twee uur onder begeleiding. In de ene maand zal de begeleide omgang bij [E] zijn en in de daaropvolgende maand bij de ouders thuis. Die beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de beslissing uitgevoerd mag worden, ook als er hoger beroep is ingesteld.

4.2.

De ouders zijn het niet eens met deze beslissingen van de rechtbank. Zij verzoeken het gezag van de ouders in stand te laten en een andere omgangsregeling vast te stellen. Als dat niet kan, willen de ouders een andere voogd. Hun voorkeur gaat uit naar het Leger des Heils als voogd over [de minderjarige] .

4.3.

De raad is het niet eens met de verzoeken van de ouders en vraagt deze verzoeken af te wijzen. De raad is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de omgang. De raad wil een omgangsregeling waarbij [de minderjarige] op neutraal terrein ( [E] ) omgang met haar ouders heeft.

5 De redenen voor de beslissing

de gezagsbeëindiging

wat er in de wet staat

5.1.

In artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter het gezag van een ouder kan beëindigen indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding niet kan dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

5.2.

Ook de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind zijn van belang voor deze zaak. Daaruit volgt dat de belangen van het kind voorop staan bij het nemen van een beslissing over de beëindiging van het gezag van de ouders. Een kind dat niet in het eigen gezin verblijft, heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3.

Ten slotte is het belangrijk dat een ouder bereid is (en blijft) om de kinderen in het pleeggezin te laten opgroeien. Maar ook dan staat het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie voorop en kan beëindiging van het gezag nog steeds nodig zijn.

wat het hof vindt

5.4.

Het hof vindt dat de rechtbank een goede beslissing heeft genomen. Het hof ziet twee ouders die veel om [de minderjarige] geven, maar die op dit moment niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen en het hof verwacht ook niet dat de ouders dat op (korte) termijn wel kunnen.

5.5.

De ouders geven aan dat zij instemmen met het verblijf van [de minderjarige] bij de pleegouders, waardoor een gezagsbeëindiging volgens hen niet nodig is. Deze wens van de ouders is begrijpelijk, maar bij de beoordeling of er wel of geen gezagsbeëindiging moet komen, zal het hof ook moeten kijken naar de bedoeling van de wetgever. Bij het maken van de wet over gezagsbeëindiging heeft de wetgever duidelijk aangegeven dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in principe tijdelijk moeten zijn. Bij een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is het de bedoeling dat wordt toegewerkt naar een terugplaatsing bij de ouders. Voor [de minderjarige] is een terugkeer naar huis niet mogelijk. Door haar persoonlijke problemen heeft [de minderjarige] veel rust, structuur, regelmaat en duidelijkheid nodig en gebleken is dat de ouders haar dit niet (genoeg) kunnen bieden.

5.6.

Ook is van belang dat [de minderjarige] inmiddels langer dan zeven jaar bij de pleegouders woont. Zij heeft een goede band met haar pleegouders en zij voelt zich veilig bij haar pleegouders. Een verhuizing naar de ouders is niet in het belang van [de minderjarige] . De periode van onzekerheid over de plek waar [de minderjarige] mag opgroeien, is verstreken (de aanvaardbare termijn). Voor [de minderjarige] is het belangrijk dat zij weet waar zij in de toekomst mag opgroeien. Dit zal haar rust en duidelijkheid geven en dat is voor haar belangrijk om zich verder te kunnen ontwikkelen.

5.7.

De ouders verklaren zich neer te leggen bij de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de pleegouders, maar zij laten dit in hun gedrag niet altijd zien, waardoor het voor [de minderjarige] soms nog steeds onduidelijk is waar zij in de toekomst mag opgroeien. Ook zal de jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onrust en onzekerheid bij [de minderjarige] opleveren. Zij zal namelijk vanaf het moment dat zij twaalf jaar oud is door de kinderrechter uitgenodigd moeten worden om haar mening te geven.

5.8.

Het belang van [de minderjarige] om duidelijkheid te krijgen over de vraag waar zij mag opgroeien en de rust die daardoor zal ontstaan, weegt zwaarder dan het belang van de ouders om met het gezag belast te blijven en daarmee makkelijker procedures over de omgang te kunnen starten. Het hof is het daarom eens met de beslissing van de rechtbank over de gezagsbeëindiging. Het hof vindt een gezagsbeëindiging ook niet in strijd met de verdragen die de advocaat van de ouders noemt (IVRK en EVRM).

de voogd

5.9.

Gebleken is dat het contact tussen de ouders en de William Schrikker Stichting niet goed loopt. Om die reden willen de ouders een andere voogd. Het wantrouwen vanuit de ouders naar de William Schrikker Stichting is vooral ontstaan doordat de omgang steeds erg weinig is gebleven. Ook de vele wisselingen van gezinsvoogden hebben tot grote frustraties bij de ouders geleid.

5.10.

Hoewel de wens van de ouders heel begrijpelijk is, volgt het hof de ouders niet. De William Schrikker Stichting is gespecialiseerd in het bieden van hulp aan ouders met een beperking. De William Schrikker Stichting is daardoor de meest geschikte organisatie om voogd te zijn voor [de minderjarige] . Het hof vindt het belangrijk dat de William Schrikker Stichting aandacht blijft besteden aan de relatie met de ouders. Tijdens de zitting is gebleken dat de zaak is overgedragen naar de William Schrikker Stichting in Gelderland en dat de moeder meer vertrouwen lijkt te hebben in de voogd die nu bij [de minderjarige] betrokken is. Het hof heeft er daarom vertrouwen in dat de William Schrikker Stichting in staat is de voogdij over [de minderjarige] uit te voeren. Het hof zal het verzoek van de ouders om de voogdij over te dragen aan een andere organisatie afwijzen.

de omgangsregeling

5.11.

De ouders zijn het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling. De ouders willen graag een ruimere omgangsregeling en wijzen hierbij op het rapport van het NIFP. De ouders vinden het absoluut niet goed dat de William Schrikker Stichting nog steeds niets met de conclusies uit het rapport heeft gedaan, waardoor de omgang nog steeds heel minimaal is.

5.12.

Het hof leest in het rapport van het NIFP dat een uitbreiding van de omgang in de toekomst misschien mogelijk is, maar ook dat het daarvoor nodig is dat aan bepaalde voorwaarden moet worden voldaan. Uit het rapport van het NIFP volgt dat, zolang er onduidelijkheid is over de vraag waar [de minderjarige] mag opgroeien, een omgangsregeling van eenmaal in de maand onder begeleiding het beste voor [de minderjarige] is. Ook al zeggen de ouders dat deze onduidelijkheid er al een tijdje niet meer is, omdat zij instemmen met het wonen van [de minderjarige] bij de pleegouders, blijkt dit uit hun gedrag niet altijd. Vooral de vader laat zien dat hij er veel moeite mee heeft dat [de minderjarige] bij de pleegouders opgroeit. Het hof gaat ervan uit dat de gezagsbeëindiging de nodige rust en duidelijkheid zal geven, zodat daarna gewerkt kan worden aan een eventuele uitbreiding van de omgang.

5.13.

In het NIFP rapport wordt daarnaast nog een aantal voorwaarden genoemd waaraan de ouders moeten voldoen, voordat uitbreiding van de omgang mogelijk is. Zo noemt het NIFP dat het heel belangrijk is dat de ouders gaan samenwerken met de pleegouders, waarbij zij op een goede en vriendelijke manier met elkaar omgaan, zodat het adres van de pleegouders niet meer geheim hoeft te zijn. Ook is het nodig dat de vader hulp zoekt bij zijn agressieproblemen. Als ook aan die voorwaarden is voldaan, kan bekeken worden hoe de omgang er in de toekomst uit moet zien.

5.14.

Gebleken is dat de ouders nog niet aan deze voorwaarden hebben voldaan. Omdat [de minderjarige] voor haar gevoel van veiligheid haar pleegmoeder in de buurt nodig heeft, gaat de pleegmoeder mee naar de bezoeken bij de ouders thuis. Tijdens deze bezoeken maakt de vader ruzie met de pleegmoeder, waarbij hij aangeeft dat hij de pleegmoeder de volgende keer niet meer wil binnenlaten. Daarnaast is de boosheid van de vader ook nog steeds aanwezig en ook [de minderjarige] merkt dit. Zo geeft zij aan dat de vader tijdens een van de bezoeken boos was en dat zij dit niet fijn vond.

5.15.

Het hof ziet op dit moment geen mogelijkheden de omgangsregeling uit te breiden. Het is aan de voogd om met ouders te werken aan de genoemde voorwaarden en van daaruit te kijken naar mogelijkheden voor uitbreiding van de omgangsregeling.

5.16.

De raad verzoekt de omgangsregeling aan te passen in die zin dat de omgang altijd op neutraal terrein plaatsvindt en niet langer voor een deel bij de ouders thuis. Gelet op het feit dat er, zoals ter zitting is gebleken, een basis lijkt te zijn gelegd voor een betere samenwerking tussen de ouders en de voogd, wil het hof die samenwerking vanuit de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling een kans geven. Dat betekent dat het verzoek van de raad zal worden afgewezen.

conclusie

5.17.

Het hof is het eens met de beslissingen van de rechtbank en zal daarom de beschikking van de rechtbank in stand laten (bekrachtigen).

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 21 oktober 2019;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, J.U.M. van der Werff en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. M. Knipping-Verbeek als griffier, en is op 5 november 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.