Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9109

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
200.256.795
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag, artikel 1:253c lid 1 BW, zorgregeling, artikel 1:253a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.256.795

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 434774 en 434775)

beschikking van 5 november 2020

inzake

[de moeder] ,

wonende te [A] ,
verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D.G.M. Ceder te Amsterdam,

en

[de vader] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. Q. Overeijder te Monnickendam, gemeente Waterland.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen: de GI.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Voor het verloop van het geding tot 14 november 2019 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van de raad voor de kinderbescherming van 4 juni 2020 met als productie het raadsrapport van 29 mei 2020;

- een journaalbericht van mr. Ceder van 19 september 2020 met producties;

- een journaalbericht van mr. Ceder van 24 september 2020 met spreekaantekeningen.

1.3.

Op 25 september 2020 is de mondelinge behandeling voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI zijn verschenen [C] en [D] .

2 De motivering van de beslissing

2.1.

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 14 november 2019, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2.

In die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over het gezag en de omgang.

2.3.

De raad heeft in zijn rapport van 29 mei 2020 geadviseerd het gezamenlijk gezag in stand te laten en een zorgregeling vast te stellen, waarbij [de minderjarige] , geboren [in] 2013 te [E] , bij de vader verblijft:

  • -

    eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] op school ophaalt of in geval van studiedagen en vakanties op een neutrale plek en waarbij de vader [de minderjarige] op zondag terugbrengt naar de moeder dan wel naar een neutrale plek;

  • -

    een evenredig deel van de schoolvakanties, waarbij [de minderjarige] ten minste twee aaneengesloten weken in de zomervakantie bij de vader verblijft;

  • -

    een deel van de feestdagen, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de reguliere zorgregeling en met zo min mogelijk overdrachtsmomenten.

De raad geeft het hof in overweging om dwangmiddelen aan het nakomen van de zorgregeling te verbinden.

2.4.

Bij beschikking van 22 juli 2020 heeft de kinderrechter, op verzoek van de raad, [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 22 juli 2021.

Het ouderschapsplan

2.5.

De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de vader te laten meewerken aan het opstellen van een ouderschapsplan. Voor dit verzoek van de moeder is geen wettelijke basis, zodat het hof dit verzoek alleen daarom al zal afwijzen.

Het gezag

2.6.

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel deze alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

2.7.

Vast staat dat de vader een rol speelt in het leven van [de minderjarige] . Daarbij past dat de vader samen met de moeder is belast met het gezag over [de minderjarige] , in lijn met het uitgangspunt van de wetgever. Het hof ziet in deze zaak geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

2.8.

Uit het rapport van de raad en de reacties daarop van partijen leidt het hof af dat in het verleden, toen de moeder nog alleen belast was met het gezag over [de minderjarige] , er ook problemen waren tussen de ouders. Bepaalde beslissingen van de moeder in die periode, zoals haar beslissing om gedurende langere tijd de omgang met de vader te stoppen hebben ingrijpende en nadelige gevolgen voor [de minderjarige] gehad. Het hof is het eens met de raad dat dit niet in het belang van [de minderjarige] is. In de beleving van de moeder is het onveilig bij de vader thuis en handelt de vader niet in het belang van [de minderjarige] . De vader weerspreekt dit en de door de moeder genoemde zorgen worden niet door derden (huisarts en school) ondersteund. Uit het raadsrapport blijkt dat er geen zorgen zijn over de (opvoed)situatie bij de vader thuis. Door aan haar eigen beeld over de situatie bij de vader vast te houden en daaraan gevolgen te verbinden zoals het stopzetten van de omgang, belast de moeder [de minderjarige] . De uitingen van vermoeidheid en stress die [de minderjarige] na terugkeer bij de moeder vertoont, moeten volgens de raad niet worden geïnterpreteerd als signalen van onveiligheid bij de vader, maar als last van de angst en spanning van de moeder en de onduidelijkheid over de omgang. Voortduring van de situatie zal grote gevolgen hebben voor de emotionele- en identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] . Met de raad acht het hof de kans reëel dat [de minderjarige] haar vader dan wederom een (lange) periode niet zal zien. Het risico van het uit beeld raken van de vader, en in het ergste geval zelfs ouderverstoting, zal bij handhaving van het eenhoofdig gezag groter zijn.

2.9.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verhouding tussen de ouders en met name ook de visie van de moeder op de (opvoed)situatie bij de vader [de minderjarige] ernstig belast, maar dat uit die problematiek niet volgt dat [de minderjarige] ten gevolge van het gezamenlijk gezag van de ouders klem en verloren dreigt te raken en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen. Zoals hiervoor overwogen, acht het hof gezamenlijk gezag het juist in het belang van [de minderjarige] om te voorkomen dat de vader bij haar uit beeld raakt. Het hof hoopt dat de op 22 juli 2020 uitgesproken ondertoezichtstelling er toe zal kunnen leiden dat de verhouding tussen de ouders in het belang van [de minderjarige] zal verbeteren.

De zorgregeling

2.10.

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.

2.11.

De vader heeft op basis van de bestreden beschikking contact met [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur. De moeder is het niet met deze beslissing van de rechtbank eens. Volgens de moeder zijn begeleide contacten op zijn plaats en moet er bij de vaststelling van de zorgregeling rekening worden gehouden met haar positie als slachtoffer.

2.12.

Het hof ziet geen aanleiding om de zorgregeling in te perken of onder begeleiding te laten plaatsvinden. [de minderjarige] heeft een goede band met haar vader en halfzus en –broers. Hoewel de moeder zorgen heeft over het verblijf van [de minderjarige] bij de vader, worden deze zorgen niet door anderen onderschreven. Het raadsonderzoek heeft uitgewezen dat van fysieke onveiligheid bij de vader geen sprake is (geweest) en dat geen sprake is van een gedragsverandering bij [de minderjarige] door haar contacten met de vader. [de minderjarige] heeft behoefte aan contact met haar vader op regelmatige basis. Zo heeft zij tegenover de raadsonderzoeker verklaard dat zij het niet leuk vond dat zij haar vader langere tijd niet heeft gezien. Voortzetting van de huidige zorgregeling acht het hof dan ook in het belang van [de minderjarige] .

De moeder geeft aan moeite te hebben met de overdracht en wijst daarbij op traumatische gebeurtenissen in het verleden, waardoor contact met de vader haar een onveilig gevoel geeft. Vooral als de overdracht bij haar thuis plaatsvindt, vindt zij dit moeilijk. Volgens de huidige regeling haalt de vader [de minderjarige] op vrijdag op uit school. Vanwege het vervallen van de zwemles op zondag, haalt de moeder [de minderjarige] al enige tijd op bij de vader thuis. Ondanks de moeite die de moeder hiermee heeft, verloopt dit goed.

Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat deze manier van overdacht wordt voortgezet. Het is aan de ouders om [de minderjarige] te laten zien dat de ouders als volwassenen op een normale manier met elkaar omgaan. [de minderjarige] moet niet worden belast met de onderlinge problemen van de ouders. Daarbij kan een overdracht op een neutrale plek juist het gevoel van onveiligheid versterken. De enkele keer dat de vader [de minderjarige] op vrijdag niet op school kan ophalen vanwege vakantie of een studiedag, dient hij [de minderjarige] bij de moeder thuis op te halen. Daarbij weegt naar het oordeel van het hof het belang van [de minderjarige] op een normale overdracht zwaarder dan het door de moeder gestelde belang van haar positie als slachtoffer.

2.13.

Ten aanzien van de verdeling van de vakanties en feestdagen zal het hof aansluiten bij het advies van de raad. Het hof acht deze regeling in het belang van [de minderjarige] . Het is aan de ouders om in samenspraak met de jeugdbeschermer nadere afspraken te maken over de concrete invulling van de vakantie- en feestdagenregeling.

De dwangsom

2.14.

Het hof ziet geen aanleiding een dwangsom op te leggen. Partijen hebben beiden ter zitting in hoger beroep aangegeven te zullen meewerken aan de uitvoering van de zorgregeling en tot op heden hebben zij dat gedaan. Naar het oordeel van het hof bestaat er op dit moment dan ook geen noodzaak tot oplegging van een dwangsom.

3 De slotsom

3.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het de zorgregeling betreft, vernietigen en beslissen als hierna te noemen.

3.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft. Het hof ziet geen aanleiding over te gaan tot een proceskostenveroordeling zoals de moeder heeft verzocht.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 december 2018, voor zover het de beslissing over de zorgregeling betreft,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat [de minderjarige] , geboren [in] 2013 te [E] bij de vader verblijft:

  • -

    eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt op school of in geval van studiedagen en vakanties bij de moeder thuis en waarbij de moeder [de minderjarige] op zondag bij de vader thuis ophaalt;

  • -

    een evenredig deel van de schoolvakanties, waarbij [de minderjarige] ten minste twee aaneengesloten weken in de zomervakantie bij de vader verblijft;

  • -

    een deel van de feestdagen, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de reguliere zorgregeling en met zo min mogelijk overdrachtsmomenten;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 december 2018, voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, A. Smeeïng-van Hees en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. M. Knipping-Verbeek als griffier, en is op 5 november 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.