Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:908

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
06-02-2020
Zaaknummer
200.248.827/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen campingeigenaar en gebruikers van kavels op die camping over diverse posten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.248.827/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, 5340938)

arrest van 4 februari 2020

in de zaak van:

1 [appellant] ,

wonende te [A] ,

2. [appellante] ,

wonende te [A] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. H.J. Berends, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde] Camping Service B.V.,

gevestigd te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: BCS,

advocaat: mr. J.W. de Vries, die zich heeft onttrokken.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

29 november 2016, 3 oktober 2017 en 31 juli 2018 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 3 oktober 2018;

- de memorie van grieven, met vermeerdering van eis en producties van 12 februari 2019;

- de memorie van antwoord, tevens van incidenteel hoger beroep en met producties, van

23 april 2019;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van 2 juli 2019;

- het tussenarrest van 24 september 2019 waarin, met instemming van partijen, een enkelvoudige comparitie is bepaald;
- het H12 formulier van mr. Berends van 25 november 2019 met een productie;

- het onttrekkingsbericht van mr. De Vries van 27 november 2019;

- de op 10 december 2019 ontvangen fax waarin BCS bericht zich “terug te trekken uit de zaak [appellanten] , dit omdat wij geen vertrouwen meer hebben in de zaak”;

- de op 10 december 2019 gehouden comparitie van partijen, waarvoor [appellanten] c.s. nog producties hebben overgelegd en waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2.2

Ter comparitie is arrest gevraagd op de overgelegde stukken, aangevuld met het proces-verbaal en de toevoeging van incompleet aangeleverde stukken zoals in dat p-v is opgenomen. Het hof heeft arrest bepaald op 18 februari 2020 of zoveel eerder als mogelijk is.

3 Het geschil en de van belang zijnde feiten

3.1

Dit geschil gaat over de vraag of [appellanten] c.s. nog huur en kosten van water, elektra en servicekosten verschuldigd zijn voor het gebruik van percelen op [geïntimeerde] Camping en of BCS de in 2014 door [appellanten] c.s. ter beschikking gestelde zeecontainer zonder betaling mag behouden.

3.2

De kavels 6 en 24 op de camping zijn eigendom van [appellanten] c.s. Kavel 6 vanaf

juni 2000 en kavel 24 vanaf oktober 2006. De kavels 7 en 1B zijn van BCS.

Het bestuur van BCS was aanvankelijk in handen van familieleden [geïntimeerde] : vader [C] , overleden in 2008, en zijn echtgenote [D] , en later, tot 29 december 2014, hun zoon [E] . Vanaf die datum is Stichting Anloo Recreatiebeheer bestuurder en daarvan is [F] voorzitter, [G] penningmeester en [H] secretaris.

3.3

Volgens de aktes van levering van de kavels 6 en 24 is de eigenaar jaarlijks servicekosten, die nader in die aktes omschreven zijn, verschuldigd aan BCS.

BCS heeft op 8 juli 2015 aan [appellanten] c.s. een overzicht verstrekt van volgens haar administratie niet ontvangen servicekosten over de jaren 2010 tot en met 2015 voor de kavels 6 en 24 en verzocht het verschuldigde bedrag binnen 5 dagen te betalen.

Eveneens op 8 juli 2015 heeft BCS gemeld dat zij nog geen betaling heeft ontvangen voor het gebruik van water en elektra voor de kavels 6 en 24 over de jaren 2010 tot en met 2015 en om betaling verzocht.

In augustus 2016 heeft BCS ook aanspraak gemaakt op onbetaalde servicekosten over de jaren 2001 (respectievelijk 2006) tot en met 2009 voor die percelen en een ‘laatste herinnering’ gestuurd voor kosten van water en elektra voor die percelen over de jaren 2001 (respectievelijk 2006) tot en met 2009.

[appellanten] c.s. hebben niet betaald.

3.4

BCS heeft op 8 juli 2015 twee facturen, allebei voor een bedrag van € 2.140,-, gestuurd naar [appellanten] c.s. voor huur (staangeld) voor het gebruik van de kavels 7 en 1B in 2015. Op perceel 7 stond een schuur/blokhut van [appellanten] c.s. en op perceel 1B hun te koop staande stacaravan.

4. De vordering in eerste aanleg en de beoordeling door de kantonrechter

4.1

BCS heeft betaling gevorderd van € 20.662,- in hoofdsom voor servicekosten, water en elektra en staangeld, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten.

4.2

[appellanten] c.s maken aanspraak op betaling van een restantbedrag van € 5.000,- als overeengekomen vergoeding voor verhuur van hun perceel 24 door BCS tot en met 2016. Ook vorderen zij de onbetaalde koopprijs van € 3.250,- voor een door hen in 2014 aan BCS geleverde zeecontainer.

4.3

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis overwogen dat de vorderingen betreffende servicekosten, water en elektra over de jaren tot en met 2011 zijn verjaard en dat het staangeld voor perceel 7 toewijsbaar is.

[appellanten] c.s. mochten bewijzen dat:

a. a) zij volgens afspraak met [C] geen servicekosten en kosten van water en elektra verschuldigd zijn voor perceel 6;

b) dergelijke kosten voor perceel 24 door huurders van dat perceel zijn betaald;

c) zij recht hebben op een jaarlijkse vergoeding van € 600,- voor verhuur van perceel 24 door BCS en

d) zij de zeecontainer hebben verkocht aan BCS voor € 3.250,- en dat BCS die koopprijs niet heeft betaald.

BCS mocht bewijzen dat [appellanten] c.s. perceel 1B in gebruik hebben gehad.

4.4

Bij eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat partijen niet zijn geslaagd in hun bewijsopdrachten. [appellanten] c.s. zijn veroordeeld tot betaling van € 5.800,- voor servicekosten, water en elektra voor de percelen 6 en 24 vanaf 2012 tot en met 2015 en van € 2.140,- staangeld voor perceel 7, te vermeerderen met € 772,- buitengerechtelijke kosten. De overige vorderingen zijn afgewezen. In conventie zijn de proceskosten gecompenseerd en in reconventie zijn [appellanten] c.s. in de proceskosten veroordeeld.

5 De beoordeling in hoger beroep

De vermeerdering van eis en de omvang van het hoger beroep

5.1

[appellanten] c.s. vorderen in hoger beroep dat de vordering van BCS alsnog wordt afgewezen en dat hun vorderingen worden toegewezen, waarbij zij tijdig hun eis met betrekking tot de zeecontainer hebben gewijzigd. Zij eisen nu subsidiair teruggave op verbeurte van een dwangsom, omdat niet juist is dat zij de container om niet aan BCS hebben verstrekt. BCS heeft zich, terecht, niet tegen deze wijziging verzet en het hof zal van de gewijzigde eis uitgaan.

BCS vordert in incidenteel hoger beroep alsnog betaling van het staangeld van € 2.140,- voor plaats 1B over 2015, te vermeerderen met wettelijke rente.

5.2

BCS heeft zich neergelegd bij het oordeel over de verjaring. [appellanten] c.s. hebben geen grief ingediend tegen de afwijzing van hun tegenvordering van € 5.000,- huurvergoeding.

Met de grieven 1 tot en met 6 komen [appellanten] c.s. op tegen de toewijzing van servicekosten en kosten van water en elektra voor de percelen 6 en 24. Grief 7 is gericht tegen toewijzing van staangeld voor kavel 7, grief 8 tegen de afwijzing van de vordering met betrekking tot de

zeecontainer en de grieven 9 tot en met 11 tegen de beslissing omtrent incassokosten en proceskosten.

BCS klaagt in incidenteel hoger beroep over de afwijzing van staangeld voor perceel 1B en tegen de compensatie van kosten in conventie.

Het hof zal de grieven thematisch behandelen.

Verschuldigdheid van servicekosten en kosten van water en elektra

5.3

Volgens [appellanten] c.s. is omstreeks 2001 met [C] afgesproken dat zij voor perceel 6 geen door BCS gemaakte en te maken servicekosten en kosten van water en elektra hoeven te betalen, ter compensatie van de door [appellant] verleende bijstand met raad en daad. Die afspraak blijkt ook uit ontbrekende facturen voor die kosten, aldus [appellanten] c.s.

Zij hebben in eerste aanleg een schriftelijke verklaring overgelegd van [I] over die afspraak, maar [I] heeft die verklaring later ingetrokken.

BCS heeft de gestelde afspraak betwist.

In eerste aanleg hebben [appellanten] c.s. afgezien van bewijslevering. In hoger beroep bieden zij alsnog aan [E] en [appellant] zelf te horen als getuige.

5.4

Het hof passeert dat bewijsaanbod omdat [appellanten] c.s. onvoldoende duidelijk hebben gesteld en onderbouwd dat [C] zodanige toezeggingen namens BCS heeft gedaan dat BCS ook na zijn overlijden in 2008 geen recht heeft op betaling van deze kosten. Het aanbod om [E] te horen ‘over de inhoud van de gemaakte afspraak’ is te vaag. Ter zitting bij het hof hebben [appellanten] c.s. ook niet duidelijk kunnen maken welke tegenprestatie (in de vorm van bijstand met raad en daad) zij hebben geleverd, die een dergelijke vrijstelling (tot sint-juttemis) aannemelijk maakt.

5.5

[appellanten] c.s. voeren aan dat zij de kosten voor kavel 24 niet hoeven te betalen omdat zij in 2006 met BCS hebben afgesproken dat BCS dit perceel zou verhuren en dat de huurder aan BCS de huur met bedoelde kosten zou afdragen. BCS heeft deze kavel tot en met 2014 verhuurd aan [J] , daarna aan [K] en vervolgens aan [L] . [J] heeft schriftelijk verklaard dat hij vanaf 1978 tot en met 2013 op deze camping heeft gestaan en ‘alle kosten voor gas, water, electra enz tot en met 2013’ aan BCS heeft betaald.

BCS heeft de gestelde afspraak betwist.

[appellanten] c.s. hebben afgezien van bewijslevering van de afspraak, maar wel gewezen op de verklaring van [J] , die in de loop van de procedure is overleden, over de rechtstreeks betaalde kosten. Die mag BCS dan niet nogmaals van [appellanten] vorderen.

In hoger beroep hebben [appellanten] c.s. alsnog een factuur overgelegd van 15 oktober 2013 waarop onder ‘gastnaam’ de naam van [K] staat. Het factuurbedrag bedraagt € 195,78 voor water en elektra van plaats 24 met omschrijving: energiekosten Camping Anloo 2013. Zij hebben alsnog aangeboden [K] en zichzelf als getuige te horen over die huurovereenkomst en de in rekening gebrachte kosten.

BCS betwist dat zij die factuur heeft verzonden; deze is ook niet door [K] aan haar voldaan.

5.6

Het hof merkt op dat de handgeschreven verklaring van [J] niet ziet op de jaren na 2013. De factuur met de gastnaam van [K] heeft evenmin betrekking op latere jaren. Het hof wil op grond van deze stukken wel aannemen dat de kosten voor water en elektra en servicekosten voor kavel 24 tot en met 2013 aan BCS zijn betaald.

Het nadere bewijsaanbod ziet niet op die kosten over 2014 en 2015. Het hof gaat er daarom

van uit dat [appellanten] c.s. voor kavel 24 nog de servicekosten en de kosten voor water en elektra vanaf 2014 moeten voldoen.

Omvang van de kosten

5.7

[appellanten] c.s. hebben de omvang van de in rekening gebrachte kosten betwist: er is geen specificatie van de servicekosten en geen eigen meter. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de servicekosten bij besluit van de VvE zijn vastgesteld en jaarlijks worden geïndexeerd. Er is wel een Belangenvereniging Recreatiecentrum Anloo, maar gesteld noch gebleken is op welke grond [appellant] aan besluiten daarvan gebonden is, aldus [appellanten] c.s.

5.8

[appellanten] c.s. hebben niet betwist dat zij op grond van de leveringsaktes gehouden zijn servicekosten te betalen voor bepaalde voorzieningen. De akte betreffende kavel 6 bevat daarvoor geen procedurevoorschrift, maar de akte voor kavel 24 bevat de bepaling dat die kosten jaarlijks worden vastgesteld bij eensluidende beslissing van de Belangenvereniging Recreatiecentrum Anloo en BCS, welke beslissing in de akte een bindend advies wordt genoemd. [appellanten] c.s. hebben niet betwist dat de Belangenvereniging indertijd is opgericht door [C] met onder meer het doel in overleg met de campingbewoners tot vaststelling te komen van de verschuldigde servicekosten per kavel.

De servicekosten vanaf 2013 hebben betrekking op stroom, verlichting, belasting, huisvuil, werkzaamheden en loon beheerder en de reservepot, aldus BCS.

[appellanten] c.s. hebben niet betwist dat de kosten van water en elektra voor kavels zonder eigen meter volgens afspraak worden omgeslagen.

5.9

[appellanten] c.s. hebben ter zitting bij het hof geen antwoord gegeven op de vraag of er reden is om aan te nemen dat voor hen andere kosten gelden dan voor anderen of dat zij zijn aangeslagen voor een groter deel dan de omslag per kavel. De voor de comparitie ingediende productie 4 is niet nader toegelicht. Daarmee hebben [appellanten] c.s. in dit specifieke geval onvoldoende gemotiveerd betwist dat de in rekening gebrachte servicekosten en omslagkosten voor water en elektra onjuist zijn vastgesteld.

Het hof gaat daarom van de in rekening gebrachte bedragen uit.

Eerste tussenconclusie

5.10

Voor kavel 6 zijn [appellanten] c.s. vanaf 2012 tot en met 2015 de in rekening gebrachte servicekosten van € 1.209,- en kosten voor water en elektra van € 1.554,- verschuldigd, samen € 2.763,-.

Voor kavel 24 zijn zij verschuldigd over 2014 en 2015: € 628,- servicekosten en € 807,- kosten van water en elektra, samen € 1.435,-.

Het totaal bedraagt € 4.198,-.

Staangeld kavel 7

5.11

Volgens [appellanten] c.s. heeft de kantonrechter hen ten onrechte veroordeeld tot betaling van staangeld over 2015. Zij hadden geen overeenkomst met BCS die tot deze betaling verplichtte. Er waren eind 2014 plannen om kavel 7 van BCS met gesloten beurzen te ruilen tegen kavel 24 van [appellanten] . Daarvoor is een convenant opgesteld, waarin staat dat hiervoor een notariële akte zou worden opgemaakt (productie 11 bij dagvaarding, ondertekend door [E] en [D] maar niet door [F] en [G] ). Uitvoering daarvan is uiteindelijk niet doorgegaan omdat er in november 2014 beslag werd gelegd op kavel 7 ten laste van BCS. Ondertussen had [appellanten] wel alvast met instemming van de familie [geïntimeerde] een blokhut op kavel 7 gebouwd. Subsidiair hebben [appellanten] c.s. de omvang van de vordering betwist.

5.12

BCS heeft aangevoerd dat het plan tot kavelruil niet is geaccordeerd door [G] en [F] ; [E] en [D] waren niet zelfstandig bevoegd te beslissen en er is ook geen notariële akte opgemaakt. [appellanten] c.s. hadden kavel 7 in gebruik genomen waardoor deze niet aan een ander verhuurd kon worden en een gebruiker dient staangeld te betalen. BCS kwalificeert de verhouding tussen partijen als een huurovereenkomst waarvoor geen schriftelijke vorm vereist is. Het staangeld is overeenkomstig de gebruikelijke prijs.

5.13

Uit het feit dat het door [appellanten] c.s. zelf opgestelde convenant niet op de daarvoor aangegeven plaats is getekend door [G] en [F] leidt het hof af, dat [appellanten] c.s. rond de tijd dat zij op kavel 7 de blokhut lieten plaatsen wisten dat voor de nakoming van de ruil hun instemming en medewerking vereist was. Dat [G] en [F] ook toestemming hadden gegeven alvast de blokhut te plaatsen is gesteld noch gebleken.

Daarmee hebben [appellanten] c.s. het risico genomen dat, als de ruil niet door zou gaan, het perceel in 2015 zonder de toestemming van de nieuwe bestuurder gebruikt werd.

Kennelijk hebben [appellanten] c.s., nadat was gebleken dat de ruil niet zou plaatsvinden, geen nadere afspraken met de nieuwe bestuurder gemaakt over dat gebruik of de beëindiging daarvan. Onder die omstandigheden is het redelijk dat BCS voor dat gebruik een redelijke gebruiksvergoeding verlangt en het hof ziet niet in waarom het gebruikelijke staangeld voor een kavel in 2015 niet redelijk is. Dat het in rekening gebrachte staangeld destijds op de camping gebruikelijk was, is door [appellanten] c.s. niet voldoende gemotiveerd betwist.

Tweede tussenconclusie

5.14

[appellanten] c.s. zijn terecht veroordeeld tot betaling van € 2.140,- staangeld voor perceel 7 in 2015.

De zeecontainer

5.15

De vordering tot betaling van een koopprijs van € 3.250,- is door de kantonrechter afgewezen omdat [appellanten] c.s. hebben afgezien van bewijslevering. In hoger beroep bieden zij alsnog bewijs aan door het horen van zichzelf en [M] , van wie een schriftelijke verklaring is overgelegd waaruit echter niet blijkt dat een koopprijs is afgesproken. Het hof passeert het bewijsaanbod, nu niet is aangegeven wat [M] meer of anders kan verklaren.

5.16

Beide partijen gaan ervan uit dat de eigendom van de zeecontainer is overgedragen. De stelling van BCS dat zij de zeecontainer om niet heeft gekregen is door [appellanten] c.s. betwist en BCS heeft van haar stelling geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan.

Nu de koopprijs niet vaststaat zal het hof een redelijke prijs bepalen, zoals bedoeld in artikel 7:4 BW. Onweersproken is dat de container in 2008 is aangeschaft voor ruim € 4.000,- inclusief btw. Het hof schat de waarde in 2014 op € 2.000,- inclusief btw en zal BCS veroordelen tot betaling van dat bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 november 2016, de datum waarop de vordering in reconventie is ingediend.

Staangeld voor perceel 1B

5.17

BCS kan zich niet vinden in de motivering waarmee de kantonrechter het door haar gevorderde staangeld voor perceel 1B heeft afgewezen.

Ook als deze grief juist is, leidt dat niet tot toewijzing van de vordering. BCS heeft immers niet betwist dat zij de caravan van [appellant] die in 2015 op die plaats stond, daarheen heeft verplaatst of doen verplaatsen met het oog op de verkoop van die caravan, waarbij zij zou bemiddelen. Die caravan hadden [appellant] , volgens hun conclusie van antwoord, aangeschaft voor de door ruil te verkrijgen kavel 7 en de caravan is vervolgens van kavel 7 verplaatst naar wat BCS 1B noemt.

Onder deze omstandigheden ziet het hof niet in dat BCS, naast staangeld voor kavel 7, recht heeft op staangeld voor 1B. Gesteld noch gebleken is dat partijen hierover een afspraak hebben gemaakt in aanvulling op de bemiddelingsafspraak.

Deze grief in incidenteel hoger beroep faalt.

De buitengerechtelijke kosten

5.18

Omdat niet is gebleken dat BCS voor haar vorderingen, die dateren van na de inwerkingtreding van het Besluit normering buitengerechtelijke kosten, een zogenoemde ‘veertiendagenbrief’ heeft gestuurd, zijn deze kosten niet toewijsbaar.

De slotsom en de proceskosten

5.19

Het vonnis van de kantonrechter in conventie kan niet in stand blijven. In conventie wordt een bedrag van € 6.338,- toegewezen (zie eerste en tweede tussenconclusie), met wettelijke rente als gevorderd. De kantonrechter heeft terecht de kosten van conventie gecompenseerd omdat slechts een deel van de vordering is toegewezen.

In reconventie is de vordering met betrekking tot de zeecontainer alsnog voor een deel toewijsbaar. In eerste aanleg zijn [appellanten] c.s. wel terecht in de proceskosten van reconventie veroordeeld. De tegen de proceskostenveroordeling gerichte grieven falen.

In principaal hoger beroep zijn partijen over en weer in het ongelijk gesteld. Dat rechtvaardigt compensatie van kosten. In incidenteel hoger beroep wordt slechts een deel van de vordering van [appellanten] c.s. toegewezen. Dat rechtvaardigt ook compensatie van kosten.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van en 31 juli 2018, behoudens ten aanzien van de kosten, en in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt [appellanten] c.s. in conventie hoofdelijk tot betaling aan BCS van € 6.338,- met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 augustus 2016 tot voldoening;

veroordeelt BCS in reconventie tot betaling aan [appellanten] c.s. van € 2.000,- inclusief btw, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 november 2016 tot voldoening;

bekrachtigt de vonnissen voor het overige;

compenseert de proceskosten in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.E.L. Fikkers, J.H. Kuiper en O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

4 februari 2020.