Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9065

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
19/01263
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3657, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking. Proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-11-2020
V-N Vandaag 2020/2789
FutD 2020-3385
NTFR 2020/3482
V-N 2021/8.25.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/01263

uitspraakdatum: 3 november 2020

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 augustus 2019, nummer AWB 18/3661, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft met dagtekening 3 november 2017 ten aanzien van belanghebbende een informatiebeschikking vastgesteld als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) wegens het niet voldoen aan de verplichtingen vervat in artikel 47 van de AWR. De informatiebeschikking heeft betrekking op de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2004 tot en met 2014.

1.2.

Het tegen deze beschikking door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en belanghebbende een termijn gesteld van zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop haar uitspraak onherroepelijk is geworden, om alsnog de in de informatiebeschikking verzochte informatie te verstrekken met inachtneming van hetgeen in overweging 23 van die uitspraak is bepaald.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming gegeven zonder mondelinge behandeling van de zaak uitspraak te doen. Het Hof heeft het onderzoek vervolgens op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gesloten.

2 Overwegingen

2.1.

De Rechtbank heeft in haar uitspraak onder meer het volgende overwogen, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:

Verzoek om aanhouding

5. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat de door verweerder gevraagde stukken inmiddels langzaam van [A] worden ontvangen. De gemachtigde heeft verweerder, en thans de rechtbank, verzocht de behandeling aan te houden zodat partijen de zaak in onderling overleg kunnen oplossen.

6. De informatiebeschikking dateert van 3 november 2017. Sinds dat moment zijn 18 maanden verstreken waarin partijen veelvuldig met elkaar hebben gecorrespondeerd. Op zichzelf kan de ontvangst van nieuwe stukken voor de rechtbank aanleiding zijn partijen de gelegenheid te geven onderling overeenstemming te bereiken. In dit geval echter heeft verweerder verklaard geen aanleiding te zien de zaak aan te houden mede gelet op de lange behandelduur. Bovendien heeft de gemachtigde desgevraagd verklaard dat hij de stukken van [A] ‘recent’ had ontvangen, maar wilde hij niet concreet aangeven op of omstreeks welke datum dat is geweest. Ook moest de gemachtigde desgevraagd het antwoord schuldig blijven welke specifieke stukken hij van [A] heeft ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat in de omstandigheden van dit geval het belang bij een voortvarende behandeling van de zaak zwaarder weegt dan het belang van eiser om (alsnog) met verweerder in overleg te treden (vergelijk Hoge Raad 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011 :BN3529). De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien de behandeling van de zaak aan te houden.

(…)

Informatiebeschikking

(…)

20. Ter zitting (zie ook 5. hiervoor) heeft de gemachtigde van eiser (…) verklaard dat hij de door verweerder gevraagde stukken inmiddels van [A] (ten dele) heeft ontvangen. De gemachtigde heeft verklaard dat hij inmiddels in elk geval de bankafschriften over alle jaren heeft ontvangen maar deze (nog) niet aan de Belastingdienst heeft doorgestuurd omdat hij eerst de rechtspositie van eiser wil bepalen. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank de stelling van eiser dat de informatiebeschikking onrechtmatig is en dat eiser de door verweerder gevraagde informatie niet kan en hoeft te verstrekken. De informatiebeschikking is terecht gegeven en het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is ongegrond.

(…)

22. Verweerder heeft op zijn verzoek ook nadere informatie ontvangen van [A] over de rekening van eiser en deze nadere informatie op 3 januari 2019 doorgestuurd naar de rechtbank. Op basis van die informatie bestaat thans, zo heeft verweerder ter zitting verklaard, geen belang meer bij de informatiebeschikking voor de jaren 2011 tot en met 2014.

23. De rechtbank stelt eiser een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden, om alsnog de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken. Gelet op het standpunt van verweerder zoals in 22. hiervoor omschreven hoeft eiser niet meer te voldoen aan de verplichtingen uit de informatiebeschikking voor zover die zien op de jaren 2011 tot en met 2014.

Slotoverwegingen

24. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

25. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De informatiebeschikking heeft weliswaar haar belang ten dele verloren maar naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een informatiebeschikking die bij het opleggen ervan geheel of gedeeltelijk onrechtmatig was of hangende bezwaar of beroep geheel of gedeeltelijk onrechtmatig is bevonden.”

2.2.

In hoger beroep heeft de Inspecteur aangegeven dat hij op 25 mei 2020 (nieuwe) gegevens van de gemachtigde van belanghebbende heeft ontvangen en dat hij na bestudering van die gegevens tot de conclusie is gekomen dat de vragen in de informatiebeschikking zijn beantwoord. De informatiebeschikking kan om die reden worden vernietigd, aldus de Inspecteur. De Inspecteur heeft het Hof vervolgens expliciet verzocht het hoger beroep gegrond te verklaren en de informatiebeschikking te vernietigen.

2.3.

Het Hof overweegt dat het alsnog verstrekken van informatie waar in een informatiebeschikking om is verzocht, er niet toe leidt dat die informatiebeschikking vervalt en er niet aan in de weg staat dat die informatiebeschikking onherroepelijk wordt (HR 10 februari 2017, nr. 16/02729, ECLI:NL:HR:2017:130). In deze zaak hebben partijen het Hof evenwel eenduidig verzocht de informatiebeschikking te vernietigen. Het Hof zal de informatiebeschikking daarom vernietigen. Daarbij zij nog opgemerkt dat belanghebbende aan de standpuntbepaling van de Inspecteur vertrouwen mag ontlenen dat de informatiebeschikking wordt vernietigd.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

3 Griffierecht en proceskosten

3.1.

De Inspecteur heeft verzocht een veroordeling in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht achterwege te laten omdat belanghebbende pas in de loop van de procedure de in de informatiebeschikking gevraagde informatie heeft verstrekt. Belanghebbende heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het Hof.

3.2.

Aangezien het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigt, dient de Inspecteur aan belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden (artikel 8:114, eerste lid, van de Awb). Omdat het Hof ook het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaart, geldt dit eveneens voor het griffierecht dat voor het beroep is betaald (artikel 8:113, eerste lid, in verbinding met artikel 8:74, eerste lid, van de Awb). Die vergoedingen volgen uit de wet. Het standpunt van de Inspecteur met betrekking tot het griffierecht kan derhalve niet worden gevolgd.

3.3.

Het Hof ziet echter geen aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Weliswaar geldt als regel dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld door de rechter, dat de door de belanghebbende gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komen, maar van deze regel wordt afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van (hoger) beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende (vgl. HR 12 mei 2006, nr. 42.449, ECLI:NL:HR:2006:AX0985). Van deze uitzonderingssituatie is in het onderhavige geval naar het oordeel van het Hof sprake omdat, zo heeft de Inspecteur onweersproken gesteld, de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende en belanghebbende de in de informatiebeschikking opgenomen vragen niet eerder dan in (hoger) beroep heeft beantwoord. Voor een proceskostenvergoeding bestaat dan geen aanleiding.

3.4.

Voor een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase bestaat evenmin aanleiding aangezien het besluit (de informatiebeschikking) niet wordt herroepen wegens een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid.

4 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur,

– vernietigt de informatiebeschikking en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 46 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 128 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. I. Linssen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 3 november 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 november 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.