Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9060

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
200.280.269/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag ‘genormaliseerde’ ambtenaar. Hoogleraar RUG laat voor de universiteit bestemde Europese gelden en andere bijdragen naar de rekening van een eigen stichting overmaken en geeft deze gelden zelf uit. Ontslag op de e-grond (‘verwijtbaar handelen’) terecht. Tekortkomingen in het toezicht van de universiteit doen aan de verwijtbaarheid niet af. Hof ziet in de omstandigheden van het geval (persoonlijke bevoordeling stond niet voorop) reden om wel een gedeeltelijke transitievergoeding toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1343
JAR 2020/304
RAR 2021/27
TAR 2021/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.280.269/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 8267102)

beschikking van 3 november 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

bij de kantonrechter: verweerder die ook een (deels voorwaardelijk) tegenverzoek heeft gedaan,

hierna: [verzoeker],

advocaat: mr. A.A. Kootstra, die kantoor houdt in Groningen,

tegen

Rijksuniversiteit Groningen,

gevestigd te Groningen,

verweerster in hoger beroep,

bij de kantonrechter: verzoekster, tevens verweerster in het (voorwaardelijke) tegenverzoek,

hierna: RUG,

advocaat: mr. D. Lacevic, die kantoor houdt in Groningen.

1 De procedure bij de kantonrechter

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van 26 maart 2020 die de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gegeven.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift in hoger beroep (met bijlagen), bij het hof binnengekomen op 25 juni 2020, met daarin een incidenteel verzoek (art. 843a Rv);

- de beslissing op dit incidentele verzoek van 9 oktober 2020;

- het verweerschrift in hoger beroep (met bijlagen), ontvangen op 29 september 2020;

- de op 12 oktober 2020 ontvangen producties 19 tot en met 22 van [verzoeker] ;

- de op 19 oktober 2020 ontvangen producties K en L van RUG. Deze stukken zijn door het hof geweigerd omdat ze te laat zijn ingediend;

- de mondelinge behandeling van 21 oktober 2020 waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2.2

Vervolgens hebben partijen het hof om een beslissing gevraagd en heeft het hof bepaald dat de beschikking zal worden gegeven op 7 december 2020 of zoveel eerder als mogelijk is.

3 Waar het in deze zaak om gaat

De centrale vraag is of RUG [verzoeker] terecht heeft ontslagen omdat hij (Europese) gelden bestemd voor RUG op de rekening van een eigen stichting heeft laten storten en heeft uitgegeven. Het hof is van oordeel dat [verzoeker] ernstig over de schreef is gegaan en dat RUG de arbeidsovereenkomst mocht beëindigen. Wel ziet het hof aanleiding om [verzoeker] met toepassing van artikel 7:673 lid 8 BW een gedeelte van de transitievergoeding toe te kennen.

Het hof zal die beslissingen hierna motiveren.

4 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

4.1

[verzoeker] (geboren [in] 1963) is [in] 1995 in dienst getreden van RUG als universitair docent Internationale Betrekkingen. Vanaf 1 april 2012 is hij aangesteld als hoogleraar 2 op de leerstoel ‘Globalisation Studies and Humanitarian Action’ binnen de Faculteit der Letteren van RUG. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 8.127,- bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). [verzoeker] is sinds 2011 directeur van Globalisation Studies Groningen binnen RUG en vanaf 2015 voorzitter van het dagelijks bestuur van de afdeling IBIO (Internationale Betrekkingen en Internationale Organisatie) van de letterenfaculteit.

4.2

Een aantal samenwerkende universiteiten biedt, gefaciliteerd door de Europese Unie (EU), een gezamenlijke masteropleiding op het terrein van humanitaire acties aan onder de naam NOHA (Network on Humanitarian Action). RUG neemt daaraan vanaf 1999 deel. Studenten kunnen per semester kiezen aan welke deelnemende universiteit zij onderwijs volgen.

4.3

De deelnemende universiteiten hebben in 2001 een vereniging naar Belgisch recht opgericht onder de naam NOHA AISBL (verder: NOHA Brussel) voor de coördinatie van de gezamenlijke activiteiten. Basis van de samenwerking is een tussen de deelnemende universiteiten gesloten “consortium agreement”, die voor het laatst in 2017 is vernieuwd.

4.4

De jaarlijks door de EU (DG Echo) verstrekte subsidiegelden worden door NOHA Brussel verdeeld over de deelnemende universiteiten. Studenten moeten voor het volgen van de opleiding een vast bedrag betalen (laatstelijk € 12.000,- per student onder de noemer “participation costs/tuition fees”) aan NOHA Brussel. Dit bedrag wordt, na inhouding van een deel ter bestrijding van de kosten van NOHA Brussel, aan de deelnemende universiteiten uitgekeerd waar de student (per semester) het onderwijs volgde.

4.5

In 2003 werd [verzoeker] directeur van het NOHA-programma van RUG. [verzoeker] vertegenwoordigde RUG in NOHA Brussel en werd in 2005 penningmeester van NOHA Brussel. In 2014 werd hij voorzitter van NOHA Brussel. Gedurende zijn penningmeesterschap was een aanzienlijk bedrag op de Fortisrekening van NOHA Brussel geaccumuleerd dat bestemd was voor de opleidingen aan de individuele deelnemende universiteiten. Degene die [verzoeker] als penningsmeester opvolgde, wilde deze Fortisrekening opschonen.

4.6

Op 9 juli 2014 heeft [verzoeker] de Stichting NOHA Groningen (verder: SNG) opgericht met hemzelf als voorzitter en als medebestuursleden een promovendus van [verzoeker] en een administratief medewerkster, beiden werkzaam bij RUG.

4.7

Het bedrag op de Fortisrekening van NOHA Brussel dat tot en met 2013 voor de opleiding aan RUG was bestemd is op verzoek van [verzoeker] in 2015 op de rekening van SNG gestort. Dit betrof € 192.865,-. Daarnaast is ook de vaste subsidie van DG Echo voor organisatiekosten voor RUG voor het jaar 2015 op rekening van SNG overgemaakt.

Verder zijn in de volgende jaren de voor RUG bestemde participation costs/tuition fees op rekening van SNG gestort. SNG betaalde daarvan aan RUG de wettelijke collegegelden voor de studenten die deelnamen aan het NOHA-programma bij RUG. Tussen augustus 2014 en maart 2019 bedroegen de ontvangsten van SNG aan participation costs € 1.061.454,-. In totaal is door SNG in die periode € 1.901.495,- ontvangen aan DG Echo subsidies, participation costs, vergoeding van declaraties, restitutie collegegelden en overige bedragen.

4.8

Vanaf 2016 organiseerde RUG jaarlijks een Humanitarian Engineering Workshop

(HEW) voor studenten van Texas A&M University locatie Qatar (verder: Texas University). Op briefpapier van RUG heeft SNG meerdere malen betalingsverzoeken gedaan aan de Texas University. Sommige van deze verzoeken zijn ondertekend door [verzoeker] . In deze verzoeken staan de bankgegevens van SNG vermeld. Texas University heeft de gevraagde bedragen overgemaakt op de bankrekening van SNG.

4.9

Op 26 juni 2017 is een overeenkomst gesloten tussen Globalization Studies Groningen (zie rechtsoverweging 4.1) en the Russian Presidential Academy of National Economy and Public Administration (hierna: Ranepa). In die overeenkomst staat het bankrekeningnummer van SNG vermeld. De overeenkomst is namens RUG ondertekend door [verzoeker] . Daarbij is gebruik gemaakt van een stempel van de Faculteit der Letteren van RUG.

4.10

In februari 2019 is, bij de voorbereiding van een audit bij NOHA Brussel, gebleken dat SNG niet formeel verbonden was aan RUG. [verzoeker] heeft naar aanleiding daarvan op 11 maart 2019 aan het bestuur van de letterenfaculteit geschreven dat hij al veel eerder met het faculteitsbestuur in gesprek had moeten gaan, maar dat dit er vanwege overmatig drukke werkzaamheden niet van was gekomen. [verzoeker] wilde graag dat RUG een verklaring afgaf ten behoeve van de auditors van NOHA Brussel dat de voor het NOHA-programma van RUG gereserveerde gelden daadwerkelijk aan dat programma waren besteed.

4.11

Op 8 maart 2019 heeft [verzoeker] de bedrijfsarts bezocht en deze heeft hem arbeidsongeschikt beoordeeld en hem geadviseerd zich ziek te melden. [verzoeker] is vanaf dat moment volledig arbeidsongeschikt als gevolg van, naar hij zelf stelt, stelselmatige overbelasting.

4.12

RUG heeft [verzoeker] op 19 maart 2019 op non-actief gesteld (met behoud van bezoldiging) omdat hij, voor zover men op dat moment begrijpt, gelden die bestemd waren voor RUG aan de zeggenschap van RUG heeft onttrokken. Hem werd de toeging tot de universiteit ontzegd en zijn e-mailaccount werd geblokkeerd.

4.13

In de pers zijn vervolgens berichten verschenen dat RUG een onderzoek zal laten instellen naar mogelijke fraude van drie RUG-medewerkers die banden hebben met SNG.

4.14

RUG heeft aan Ernst & Young Forensic & Integrity Services (verder: EY) opdracht gegeven voor (samengevat) een nader feitenonderzoek naar de financiële stromen rond SNG in de periode 2014 - 1 maart 2019. EY heeft op 30 november 2019 de resultaten van haar onderzoek aan RUG verstrekt. [verzoeker] is door EY in het kader van het onderzoek een aantal maal gehoord en is in de gelegenheid gesteld commentaar te leveren op (delen van) het conceptrapport.

4.15

Op 13 januari 2020 is namens RUG aan [verzoeker] meegedeeld dat bij de kantonrechter een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden ingediend.

4.16

Op diezelfde dag heeft RUG een persbericht doen uitgaan waarin wordt vermeld dat een medewerker na onderzoek naar de financiering van het NOHA-programma wordt ontslagen. Op 16 januari 2020 is in het dagblad NRC een interview met de bestuursvoorzitter van RUG gepubliceerd waarin wordt vermeld dat een hoogleraar globalisering en humanitaire hulp en twee van zijn medewerkers voor 1,2 miljoen euro hebben gefraudeerd.

4.17

RUG heeft aangifte gedaan bij de politie van het handelen van [verzoeker] . Daarnaast is conservatoir beslag gelegd op het privévermogen van [verzoeker] . RUG heeft een procedure tegen [verzoeker] en SNG aangespannen tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad voor 1,2 miljoen euro. Ook NOHA Brussel heeft een schadevergoedingsprocedure tegen [verzoeker] gestart voor een vordering van 1,9 miljoen euro.

5 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

5.1

RUG heeft aan de kantonrechter - samengevat - verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden, primair op de e-grond van artikel 7:669 lid 3 BW (‘verwijtbaar handelen’) en subsidiair op de g-grond (‘verstoorde arbeidsverhouding’), met de bepaling dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding.

5.2

[verzoeker] heeft de afwijzing van dit verzoek bepleit en bij tegenverzoek gevraagd dat RUG wordt veroordeeld om over te gaan tot re-integratie van [verzoeker] en, subsidiair, dat bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst RUG aan [verzoeker] de transitievergoeding

(€ 78.609,67) en een billijke vergoeding (€ 1.129.205,60) moet betalen.

5.3

De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 mei 2020 en geoordeeld dat de handelwijze van [verzoeker] met betrekking tot SNG, Texas University en Ranepa zeer laakbaar en daarom ernstig verwijtbaar is. Het ernstig verwijtbare handelen van [verzoeker] staat eraan in de weg dat hij aanspraak heeft op de transitievergoeding en een billijke vergoeding.

6 De beoordeling van het verzoek in hoger beroep

Het verzoek in hoger beroep

6.1

[verzoeker] verzoekt in hoger beroep dat het hof de arbeidsovereenkomst tussen partijen herstelt en voorzieningen treft omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst en, subsidiair, voor recht verklaart dat [verzoeker] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en RUG veroordeelt tot re-integratie op grond van artikel 7 ZANU, onder opheffing van de non-actiefstelling en veroordeling van de RUG tot betaling van de volledige bezoldiging vanaf de tiende maand na ziekmelding.

Meer subsidiair verzoekt [verzoeker] betaling van de transitievergoeding en een billijke vergoeding, nu gesteld op € 1.209.817,-. Daarnaast maakt [verzoeker] nog aanspraak op wettelijke rente en op vergoeding van proceskosten.

6.2

Het hof zal op dit, ten opzichte van het tegenverzoek in eerste aanleg, licht gewijzigde verzoek recht doen. De wijzigingen zijn op het processueel juiste tijdstip ingesteld, RUG heeft er geen bezwaar tegen gemaakt en het hof ziet ook geen strijd met de eisen van een goede procesorde.

de grieven van [verzoeker]

6.3

heeft 24 genummerde en als grief aangeduide bezwaren tegen de beschikking van de kantonrechter geformuleerd. Het hof zal die grieven hierna thematisch bespreken.

de vaststelling van de feiten

6.4

Het hof heeft de relevante feiten hiervoor zelfstandig vastgesteld. De grieven van [verzoeker] tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter (de nummers 1 tot en met 6) behoeven daarmee geen verdere bespreking. Het hof merkt met betrekking tot grief 4 - die ziet op brieven verzonden aan Texas University, zie hiervoor onder 4.8 - nog op dat op de zitting van het hof door RUG een van die brieven op digitale wijze aan [verzoeker] is getoond waarna [verzoeker] heeft erkend dat zijn digitale handtekening daar onder staat.

de ontvankelijkheid van RUG in haar inleidende verzoek. Hoorplicht?

6.5

[verzoeker] was vanaf 1 januari 2020 geen ambtenaar meer. Dat volgt uit de wet van 27 september 20191 waarbij, via een wijziging van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra), artikel 2 van de Ambtenarenwet 2017 zodanig is gewijzigd dat in lid 2 onder d is bepaald dat universiteiten als RUG geen overheidswerkgever (meer) zijn. Voor zover de kantonrechter anders heeft geoordeeld, is grief 14 terecht voorgedragen. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak, omdat de kantonrechter terecht niet de gevolgtrekking heeft gemaakt dat RUG de ambtenarenrechtelijke ontslagroute had moeten volgen.

6.6

[verzoeker] betoogt dat de procedurevoorschriften die vóór 1 januari 2020 golden voor een (disciplinair) ontslag ondanks de inwerkingtreding van de Wnra van toepassing zijn gebleven en dat het College van Bestuur van RUG [verzoeker] had moeten horen over de bevindingen van EY voordat RUG een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter had kunnen indienen. Het hof volgt [verzoeker] daarin niet. Met de inwerkingtreding van de Wnra is op de daarin aangewezen werknemers van overheidsinstellingen het ‘gewone’ arbeidsrecht zoals geregeld in het BW van toepassing geworden. Een algemene verplichting voor de werkgever om een werknemer te horen voordat een ontbindingsverzoek op de e-grond of de g-grond wordt ingediend, komt daarin niet voor. Van een niet te repareren gebrek zoals [verzoeker] dat heeft aangeduid, is dan ook geen sprake.

6.7

Een en ander neemt niet weg dat de eisen van goed werkgeverschap wel kunnen meebrengen dat de werknemer moet worden gehoord voordat een werkgever een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter indient. De kantonrechter heeft terecht overwogen dat in dit geval ook in de rede had gelegen dat het College van Bestuur [verzoeker] eerst had gehoord over de gevolgtrekkingen die dat college had gemaakt uit het feitenonderzoek dat EY had verricht. Dat EY in het kader van dat feitenonderzoek [verzoeker] (meermalen) had gehoord en (delen van) haar conceptrapport aan hem voor commentaar had voorgelegd, is daarmee niet op één lijn te stellen.

Dat het College van Bestuur [verzoeker] niet zelf heeft gehoord, betekent echter niet dat het ontbindingsverzoek moet worden afgewezen. Dit is een omstandigheid die het hof zal meewegen in de beoordeling van de voorliggende verzoeken van [verzoeker] . Het hof deelt de verwachting van de kantonrechter dat, ook als het College van Bestuur [verzoeker] tevoren had gehoord, dit niet zou hebben geleid tot het afzien van indiening van het ontbindingsverzoek, gelet op de ernst van de verwijten die RUG [verzoeker] maakt.

6.8

Het hof merkt in dit verband nog op dat EY feitenonderzoek moest verrichten en dat het trekken van conclusies daaruit was voorbehouden aan RUG. [verzoeker] betoog dat, omdat er in het rapport van EY geen waardeoordelen staan, RUG die ook niet zou mogen trekken, gaat dan ook niet op.

Het opzegverbod van artikel 7:670 BW

6.9

De kantonrechter heeft opgemerkt dat het opzegverbod wegens ziekte (artikel 7:670 lid 1 aanhef en onderdeel a BW), gelet op artikel 7:671b lid 6 BW niet in de weg aan een ontbinding staat indien het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de omstandigheid waarop het opzegverbod betrekking heeft. De kantonrechter heeft geoordeeld dat in dit geval niet is aangetoond dat er een verband is tussen de ziekte van [verzoeker] en de gedragingen die hem worden verweten. Deze gedragingen zien op de periode vanaf 2014.

6.10

[verzoeker] vindt dat de kantonrechter het opzegverbod te makkelijk heeft gepasseerd en dat het hem verweten gedrag niet ziet op een periode die begint in 2014. Het oprichten van SNG was niet verboden.

Het hof is het met de kantonrechter eens dat het verwijt dat RUG [verzoeker] maakt wel ziet op een lange periode vanaf tenminste 2014. [verzoeker] heeft ter zitting bij het hof ook erkend dat hij in 2014 niet ziek was. Het oprichten van SNG is op zichzelf geen verboden handeling, maar [verzoeker] heeft EY als reden voor oprichting opgegeven dat hij (tijdelijk) een flexibele structuur wilde creëren voor tijdige betaling van collegegelden en vreesde dat de NOHA-gelden anders niet ten goede zouden komen aan het NOHA-programma. Van het bestaan van SNG, zijn betrokkenheid en die van medewerkers daarbij en van het plan om de geldstroom te verleggen heeft [verzoeker] geen mededeling gedaan aan RUG. Dat de kernverwijten die RUG [verzoeker] maakt - het laten lopen van de financiering van de NOHA-opleiding in Groningen via SNG, het eigenmachtig uitgeven van die gelden en het op de rekening van SNG laten storten van bijdragen van Ranepa en Texas University - gedragingen betreffen die het gevolg zijn van de ziekte van [verzoeker] , is niet aannemelijk geworden.

6.11

Grief 8 gaat niet op.

De oprichting van SNG

6.12

Het verwijt dat RUG [verzoeker] maakt is dat hij SNG heeft opgericht, daarop aanzienlijke aan RUG toekomende bedragen heeft laten storten en hiervan voor 11 maart 2019 nooit melding heeft gemaakt aan RUG.

6.13

Het verweer van [verzoeker] dat hij op zich een stichting mocht oprichten en dat stichtingen binnen de universitaire wereld ook niet ongewoon zijn, gaat eraan voorbij dat voor aan RUG gelieerde stichtingen de verplichting gold om van het bestaan melding te maken aan het betrokken faculteitsbestuur met een IBV-verklaring (IBV= Interne Bedrijfsvoering) in het kader van de RUG-brede jaarrekeningcontrole. Uit het EY rapport blijkt dat [verzoeker] hiermee bekend was. [verzoeker] heeft nooit zo’n verklaring opgesteld en ingediend. RUG heeft op 16 oktober 2017 de Gedragscode integriteit vastgesteld waarin onder meer is geregeld dat nevenfuncties moeten worden gemeld en op de medewerkerspagina moeten worden vermeld. Daarvoor gold een soortgelijke verplichting op grond van de Regeling nevenwerkzaamheden RUG 2009. [verzoeker] heeft zijn voorzitterschap van SNG nooit aangemeld en ook niet op zijn medewerkerspagina vermeld.

6.14

In hoger beroep heeft [verzoeker] de stelling betrokken dat de door SNG van NOHA Brussel ontvangen gelden - zowel de betaling van de opgepotte gelden op de Fortisrekening als de betalingen uit de door NOHA Brussel geïncasseerde participation costs/tuition fees - niet aan RUG toekwamen. Dit met uitzondering van een bedrag corresponderend met het wettelijke Nederlandse collegegeld. Deze bedragen zouden uitsluitend aan het bestuur van NOHA Brussel, en derhalve aan [verzoeker] als voorzitter toekomen om dit te besteden aan het NOHA-programma. Ter zitting van het hof heeft [verzoeker] aangegeven dat het daarbij niet uitsluitend om het door RUG (in Groningen) verzorgde NOHA-programma hoefde te gaan.

6.15

Het hof verwerpt dit standpunt. Zowel het consortium agreement van de deelnemende universiteiten aan de gezamenlijke NOHA-masteropleiding uit 2009 en het amendement daarop uit 2015 als de nieuwe consortium agreement uit 2017 wijzen er niet op dat anderen dan de deelnemende universiteiten gerechtigd zijn tot de participation costs. De overeenkomst uit 2009 bepaalt in artikel 9.4: “Participation costs will be distributed among the Partner Institutions in accordance with national legislation and Financial Agreement”. De overeenkomst uit 2017 bevat in artikel 11 een uitgewerkte regeling voor de participation costs en de bijbehorende annex bevat regels voor de verdeling van deze bedragen en wat daaruit betaald moet worden. In de annex staat onder meer: “All participating ‘home’ universities receive an equal amount to cover for tuition fees and other costs related to the delivery of the Masters programme (…). This includes local registration, coordination and support, teaching, assessment and issuing the transcript of records to the NOHA joint examination office and all other costs normally involved with studying at the university”.

Deze overeenkomsten bieden geen steun voor de stelling van [verzoeker] dat RUG, als participerende universiteit, alleen recht had op vergoeding van het collegegeld.

RUG heeft verder aangetoond dat [verzoeker] uitsluitend als vertegenwoordiger van RUG zitting had in het bestuur van NOHA Brussel. Dat [verzoeker] als bestuurslid van NOHA Brussel op eigen titel een soort budgetrecht had met betrekking tot het grootste deel van de geïncasseerde participation costs of van de onder zijn penningmeesterschap niet aan de RUG uitgekeerde bedragen, blijkt uit niets. Evenmin blijkt uit niets dat een particuliere stichting als de SNG, buiten RUG om, op enigerlei wijze kon participeren in het internationale NOHA-programma en in enigerlei opzicht aanspraak kon maken op gelden afkomstig van NOHA Brussel.

6.16

De grieven 10, 11 en 12 gaan niet op.

De besteding van de gelden binnen SNG

6.17

Buiten discussie is dat SNG geen periodieke administratie heeft bijgehouden in de vorm van een (jaarlijkse boekhouding) en dat SNG evenmin jaarrekeningen heeft opgesteld. De geldstromen binnen SNG zijn door EY in kaart gebracht (“gereconstrueerd”) aan de hand van bankafschriften, waarbij zij heeft gerapporteerd dat zij in veel gevallen niet heeft kunnen beschikken over onderliggende brondocumenten. Voor zover [verzoeker] in zijn grief 13 aanvoert dat ook de administratie van RUG ondoorgrondelijk zou zijn, baat hem dat niet en doet dat niet af aan het verwijt dat de administratie van zijn stichting ontbrak.

6.18

Uit het onderzoek door EY kan de conclusie worden getrokken dat een substantieel deel van de door SNG ontvangen middelen wel is besteed aan posten die zijn gerelateerd aan het NOHA-programma in Groningen, maar dat bij een aantal niet onaanzienlijke betalingen grote vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de rechtmatigheid en doelmatigheid daarvan.

6.19

EY heeft vastgesteld dat SNG in totaal voor € 118.188,- aan ‘renumeraties en per diem-vergoedingen’ aan medewerkers van RUG heeft verstrekt, door de kantonrechter betiteld als bonussen. [verzoeker] keert zich tegen het gebruik van het woord bonus, maar heeft ook op de zitting van het hof niet duidelijk kunnen maken wat het verschil is tussen een bonus en een renumeratie die hij gerechtvaardigd achtte voor medewerkers die volgens hem extra gepresteerd hadden. RUG heeft terecht aangevoerd dat het niet aan [verzoeker] was om dergelijke beloningen buiten de werkgever om te verstrekken. Daarbij zijn door RUG en de kantonrechter ook terecht vraagtekens geplaatst bij de hoogte van de individuele toegekende bedragen. Eén van de in het oog springende betalingen is die van in totaal € 19.000,- voor zijn secretaresse - van Mexicaanse afkomst - die (naar [verzoeker] zeggen) onder meer een onderzoek naar mogelijkheden voor het NOHA-netwerk in Mexico mocht combineren met een familiebezoek. Ook heeft [verzoeker] een renumeratie toegekend aan zijn echtgenote (€ 6.025,-) die als projectleider bij NOHA werkzaam was. Verder heeft hij een relatief geringe tegemoetkoming (€ 1.400,-) aan zichzelf toegekend. [verzoeker] heeft niet stilgestaan bij de fiscale complicaties van deze betalingen en ook niet bij de integriteitsproblemen bij toekenning van bedragen aan zichzelf en zijn partner.

6.20

Een andere opvallende post is de door SNG aan [verzoeker] vergoede reis- en verblijfkosten, door EY in de onderzochte periode berekend op € 122.523.-. In die periode heeft [verzoeker] rechtstreeks bij RUG ook nog een bedrag van € 24.179,- voor dergelijke kosten gedeclareerd. EY heeft in dat verband enige dubbel gedeclareerde bedragen aangetroffen. Verder is daarover in hoger beroep ter zitting gebleken dat een deel van die reis- en verblijfkosten ziet op het bezoeken van de andere universiteiten die deelnemen aan het NOHA-programma. Dat het afleggen van dergelijke bezoeken noodzakelijk is voor het door RUG in Groningen uitgevoerde NOHA-programma is niet door [verzoeker] aannemelijk gemaakt; het gaat waarschijnlijk eerder om reisgedrag dat in verband staat met [verzoeker] functie van voorzitter van NOHA Brussel. Dat de daarmee samenhangende kosten uit de voor het NOHA-programma in Groningen bestemde gelden dienden te worden voldaan, althans voorgeschoten, laat zich zonder toelichting, die ontbreekt, niet inzien. Daarnaast springt in het oog dat voor € 7.713,- aan kosten voor ‘upgrades’ van vliegtickets naar business class is gedeclareerd. De reiskostenregeling van de RUG voorzag niet in de vergoeding voor businessclass. Datzelfde gold voor de regeling van NOHA Brussel. [verzoeker] heeft daarover erkend dat hij anders had moeten handelen.

6.21

Voor zover [verzoeker] in grief 15 erover klaagt dat de kantonrechter vindt dat hij met betrekking tot SNG laakbaar heeft gehandeld, is zijn klacht onterecht. De kantonrechter heeft ook terecht opgemerkt dat het niet aan [verzoeker] was om te bepalen hoe de van NOHA Brussel ontvangen gelden werden besteed maar dat dit aan RUG was. Dat RUG deze gelden wel aan de NOHA-opleiding moest besteden, maakt dit niet anders. RUG had de gelden van NOHA Brussel ook mogen aanwenden voor het (deels) dekken van de kosten van haar NOHA-programma die zij nu heeft bekostigd uit de zogenoemde eerste geldstroom (de algemene bijdrage van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen).

De gelden van Ranepa en Texas University

6.22

Tegen de vaststelling door de kantonrechter dat [verzoeker] laakbaar heeft gehandeld door buiten RUG om een overeenkomst met Ranepa te sluiten en de betalingen te laten binnenkomen op het rekeningnummer van SNG terwijl in de brieven de indruk wordt gewekt dat het om RUG gaat, zijn geen grieven gericht.

6.23

Ook het laten lopen van de betalingen van Texas University via SNG acht het hof laakbaar. Ook in dit geval heef [verzoeker] brieven ondertekend die de indruk wekken dat het om een betaling aan RUG zal gaan. Dat de eerste brief aan Texas University door een collega van [verzoeker] is ondertekend, maakt niet dat hem van deze handelwijze geen verwijt valt te maken; vast staat dat een latere brief wel zijn (digitale) handtekening draagt.

6.24

Beide derdegeldstroomprojecten hadden via RUG moeten lopen en het stond [verzoeker] niet vrij om deze gelden via SNG naar zijn welgevallen te besteden. Grief 16 faalt.

De verwijtbaarheid van de gedragingen van [verzoeker]

6.25

heeft in eerste aanleg als rechtvaardiging voor zijn handelwijze aangevoerd dat de werkwijze van SNG feitelijk een voortzetting was van de financiële gang van zaken toen hij penningmeester van NOHA Brussel was, dat de bestuurders van RUG weinig interesse hadden in de financiering van het programma en dat hij bang was dat de NOHA-gelden door het faculteitsbestuur aan andere doeleinden zouden worden besteed als de geldstroom via de faculteit zou lopen. Daarbij heeft hij gewezen op de financiële problemen binnen de letterenfaculteit. Daarnaast vreesde hij de bureaucratie en stroperigheid van de letterenfaculteit.

6.26

Deze rechtvaardigingsgronden zijn door de kantonrechter terecht van de hand gewezen. Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat het standpunt van [verzoeker] dat de participation costs boven het niveau van het wettelijke collegegeld aan NOHA Brussel toekwam niet houdbaar is, zodat RUG terecht vraagtekens heeft geplaatst bij beleid van [verzoeker] als penningmeester van NOHA Brussel. Voor zover SNG al gezien kan worden als een continuering van de wijze van het doen van betalingen gedurende zijn penningmeesterschap kan dit [verzoeker] niet baten.

6.27

In hoger beroep heeft [verzoeker] deels afstand genomen van zijn verklaring dat hij bang was dat de NOHA-gelden in de bodemloze put van de letterenfaculteit terecht zouden komen. Ter zitting van het hof heeft hij benadrukt dat de opleiding in Groningen in vergelijking met de andere deelnemende universiteiten juist financieel goed geregeld was en dat RUG de NOHA-gelden niet dringend nodig had en dat deze besteed konden worden aan andere onderdelen van het NOHA-netwerk waar het geld harder nodig was. RUG heeft dit betwist. Dat voor RUG bestemde gelden ook zonder meer buiten RUG om mochten worden aangewend ten behoeve van andere deelnemende universiteiten vindt geen steun in de consortium agreements en dit standpunt van [verzoeker] wordt verworpen.

6.28

Verder heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij als hoogleraar een eigen zelfstandig budgetrecht had. Dit is door RUG betwist en daarvan is het hof ook niet gebleken. Daarnaast heeft [verzoeker] nog gewezen op problemen die andere hoogleraren, die betrokken waren bij internationale opleidingen met een financiering deels uit Europese fondsen, ondervonden met de bureaucratie binnen RUG en de beslissing over de besteding van die gelden.

Het hof oordeelt dat ook dit geen rechtvaardiging vormt voor de gedragingen van [verzoeker] , die geheel uit het oog verliest dat de universitaire ‘bureaucratie’ naast de schaduwkanten wel degelijk een functie heeft. [verzoeker] benadrukt uitsluitend de nadelen daarvan maar zijn eigen alternatief - zonder administratie en verantwoording van besteding van grotendeels publieke middelen - schiet nog meer te kort, nog daargelaten dat hij zich ten onrechte boven het gezag van RUG als werkgever verheven achtte.

6.29

Ten slotte beroept [verzoeker] zich op de gebrekkige controle van RUG die volgens hem - ook zonder dat hij melding had gemaakt van SNG - met het bestaan van deze stichting op de hoogte was dan wel had kunnen. Hij heeft erop gewezen dat er ook betalingen van RUG aan SNG zijn geweest, namelijk terugbetaling van collegegelden van studenten die hun studiejaar niet vol maakten binnen RUG, en dat in de boekhouding van RUG daarvoor een debiteurennummer voor SNG was aangemaakt.

6.30

Het hof oordeelt dat dit laatste niet inhoudt dat RUG bekend was met de handelwijze van SNG en de rol van [verzoeker] daarin. Dat bij een scherpere controle van RUG van de financiële stromen rond het NOHA-programma de niet toegestane gedragingen van [verzoeker] eerder aan het licht waren gekomen, maakt die gedragingen niet minder laakbaar. De kantonrechter heeft verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in een enigszins vergelijkbaar geval2 waarin een tekortschietend toezicht niet afdeed aan de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim. Omdat de gedragingen van [verzoeker] plaatsvonden in de periode dat hij nog ambtenaar was, is dit oordeel relevant. Er is ook geen reden om daar voor niet-ambtenaren in een soortgelijke positie als die van [verzoeker] anders over te oordelen3.

6.31

Het laakbare handelen van [verzoeker] levert verwijtbaar handelen op in de zin van artikel 7:669 derde lid aanhef en onder e BW zodanig dat van RUG in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De grieven 9, 15, 17, en 18 gaan niet op. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de mate van verwijtbaarheid als ernstig kan worden aangemerkt, ook als rekening wordt gehouden met gaandeweg ontstane overbelasting, waardoor [verzoeker] nu arbeidsongeschikt zegt te zijn.

Geen herplaatsing; termijn opzegging

6.32

De kantonrechter heeft overwogen dat herplaatsing van [verzoeker] in een andere functie niet in de rede ligt omdat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld. Tegen die overweging is verder geen grief gericht. De kantonrechter heeft verder de arbeidsovereenkomst ontbonden op een kortere termijn dan dat deze overeenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd door rekening te houden met de proceduretijd, dus niet op de nog kortere termijn die mogelijk was bij ernstig verwijtbaar handelen. Over dat oordeel heeft [verzoeker] geklaagd omdat het artikellid waarnaar de kantonrechter heeft verwezen niet klopt. De kantonrechter heeft verwezen naar onderdeel b van artikel 7:671b lid 8 BW. Vanaf 1 januari 2020 is dit artikellid vernummerd tot 7:671b lid 9 aanhef en onder b BW. Deze kennelijk fout herstelt het hof. Grief 20 leidt niet tot een andere uitkomst.

Ontbinding terecht

6.33

Het hof komt tot de tussenconclusie dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] op juiste gronden heeft ontbonden. De verzoeken van [verzoeker] die betrekking hebben op doorbetaling van loon (zonder kortingen) en het doen van inspanningen tot re-integratie van [verzoeker] in zijn functie komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking. Grief 21 gaat evenmin op.

Transitievergoeding

6.34

Op het in art. 7:673 lid 1 BW neergelegde recht van de werknemer op een transitievergoeding bestaan enkele wettelijke uitzonderingen, zoals de uitzondering wanneer het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (art. 7:673 lid 7, aanhef en onder c BW). Deze uitzondering heeft een beperkte reikwijdte: het moet gaan om gevallen waarin van evident verwijtbaar handelen sprake is. De omstandigheden van het geval zijn slechts van belang voor zover deze van invloed zijn op het dit verwijtbare handelen. Wel kunnen alle andere omstandigheden van het geval een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of het niet toekennen van (een deel van ) de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als bedoeld in lid 8.4 Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] , zodanig evident dat de uitzondering van lid 7 onder c opgaat.

6.35

Wel is sprake van bijzondere omstandigheden waarop [verzoeker] zich heeft beroepen en die maken dat het naar het oordeel van het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verzoeker] in het geheel geen transitievergoeding ontvangt. Het hof betrekt daarbij het langdurige dienstverband van [verzoeker] , zijn verder goede staat van dienst en grote verdiensten voor het NOHA-programma, zijn ziekte en de ruchtbaarheid die RUG aan zijn ontslag en de reden daarvoor heeft gegeven. Als gevolg daarvan moeten de kansen voor hem om op zijn specialistische werkgebied een andere betrekking te vinden als niet bijzonder hoog worden ingeschat. Ook betrekt het hof daarin dat RUG [verzoeker] , voorafgaand aan haar besluit om een ontbindingsverzoek in te dienen, niet heeft gehoord naar aanleiding van de door haar getrokken conclusies uit het feitenrapport van EY. Dat mocht [verzoeker] wel van RUG als goed werkgeefster verwachten. En een dergelijk gesprek had mogelijk van invloed kunnen zijn op de wijze waarop RUG ruchtbaarheid aan deze ontslagprocedure heeft gegeven. Ook betrekt het hof daarbij dat aannemelijk is dat bij de verwijtbare gedragingen het element van zelfverrijking - hoewel niet geheel afwezig - niet voorop heeft gestaan. Het hof ziet daarin reden om aan [verzoeker] een gedeelte van de transitievergoeding, door het hof gesteld op € 35.000,- bruto, toe te kennen. In zoverre slagen de grieven 19 en 22.

Geen billijke vergoeding

6.36

RUG heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld. Daarop stuit het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding af. Grief 23 gaat niet op.

Het verzoek op grond van artikel 843a Rv

6.37

De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen. Daartegen richt zich grief 7. Bij behandeling van die grief heeft [verzoeker] geen belang meer, omdat hij dit verzoek ook als incidenteel verzoek in hoger beroep heeft geformuleerd en het hof daarop al heeft beslist in de beschikking van 9 oktober 2020. In die beschikking is één verzoek aangehouden, namelijk tot afgifte van de bescheiden genoemd in onderdeel ‘l’ van het in eerste aanleg gedane verzoek. Dit betreft kort gezegd de financiële analyse van RUG van de uitvoering van het eigen NOHA-programma van 2010 tot 2019. Het hof oordeelt dat [verzoeker] in het kader van deze verzoekschriftprocedure geen belang heeft bij verstrekking van deze bescheiden. In de bij de rechtbank aanhangige procedure tot schadevergoeding - waarin hetzelfde verzoek is gedaan - ligt dit mogelijk anders, maar het is op dit moment niet aan het hof om daarover te oordelen.

Het bewijsaanbod

6.38

Het hof passeert het aanbod van [verzoeker] tot het horen van diverse getuigen omtrent het ontstaan van SNG en de wijze waarop EY onderzoek heeft verricht als niet ter zake doend. Datzelfde geldt het aanbod om de bedrijfsarts te horen omtrent de ziekte van [verzoeker] en het aanbod om diverse medewerkers van de universiteit te horen omtrent de financiële gang van zaken op de Faculteit der Letteren. Aan het bewijsaanbod van RUG gaat het hof ook voorbij omdat dit te algemeen is en daarmee niet ter zake doet.

De proceskosten

6.39

[verzoeker] is bij deze uitkomst aan te merken als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij, zodat de kantonrechter hem terecht in de kosten van de procedure heeft veroordeeld. Daarmee slaagt grief 24 niet. Het hof ziet in het gedeeltelijk toekennen van de transitievergoeding en de vrijwel volledige toewijzing van het incidentele verzoek wel reden om de proceskosten in hoger beroep te compenseren in die zin dat beide partijen de eigen kosten moeten dragen.

De slotsom

6.40

Het hof zal de bestreden beslissing uitsluitend vernietigen voor zover daarbij onder 5.4 is bepaald dat [verzoeker] geen recht heeft op de transitievergoeding en in zoverre opnieuw rechtdoende RUG veroordelen om aan [verzoeker] een gedeeltelijke transitievergoeding van € 35.000,- bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, overeenkomstig artikel 7:686a lid 1 BW, vanaf 1 juni 2020 tot de dag van betaling. Voor het overige verwerpt het hof het hoger beroep van [verzoeker] . De kosten van de procedure in hoger beroep inclusief die van het incident worden gecompenseerd. Het hof wijst het resterende deel van het incidentele verzoek tot het verstrekken van verdere stukken af.

7 De beslissing

Het hof beslist in hoger beroep:

in het incident:

wijst het verzoek tot verstrekking van de gegevens als bedoeld in rechtsoverweging 6.37 af;

in de hoofdzaak

vernietigt de beschikking van de kantonrechter te Groningen van 26 maart 2020 uitsluitend voor zover daarbij onder 5.4 is bepaald dat [verzoeker] geen recht heeft op de transitievergoeding en beschikt in zoverre opnieuw:

veroordeelt RUG tot betaling aan [verzoeker] van een gedeelte van de transitievergoeding tot een bedrag van € 35.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2020 tot aan de dag van betaling;

verwerpt het hoger beroep voor het overige;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van de procedure in hoger beroep, inclusief het incident, draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, M.E.L. Fikkers en W.F. Boele en is in aanwezigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.

1 Stb 2019, 395

2 CRvB 29 augustus 2013, ECLI:CRVB:2013:1633

3 vgl. Hof Den Haag 15 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1052 en de andere rechtspraak ter zake genoemd in noot 70 van de conclusie van de AG van 9 november 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:1484)

4 HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203 (Woondroomzorg)