Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:9054

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
200.281.246
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling, klare taal, artikel 1:255 en 1:260 lid van het Burgerlijk Wetboek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.281.246

(zaaknummer rechtbank Gelderland 370505)

beschikking van 3 november 2020

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

wonende in [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. S. Ben Ahmed te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

1 De rechtszaak bij de kinderrechter


De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft op 4 juni 2020 een beslissing genomen. In die beslissing staat hoe de rechtszaak bij de kinderrechter is gegaan.

2 De rechtszaak in hoger beroep

2.1

In het dossier van het hof zit het beroepschrift dat is ingekomen op 23 juli 2020 en de stukken die in de rechtszaak bij de kinderrechter zijn overgelegd.

2.2

De zitting bij het hof was op 20 oktober 2020. De moeder is die dag samen met haar advocaat gekomen. Namens de GI is [B] , jeugdzorgwerker, verschenen. Namens de raad voor de kinderbescherming is niemand gekomen.

2.3

Het hof heeft in de avond van 19 oktober 2020 twee faxen van mr. Ben Ahmed namens de moeder ontvangen. Deze faxen zijn niet ingediend binnen de in artikel 1.4.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven voorgeschreven termijnen . Het hof laat daarom de inhoud van deze faxen buiten beschouwing. Mr. Ben Ahmed heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep wel de gelegenheid gekregen de belangrijkste punten uit deze faxen te benoemen.

3. De feiten

3.1

De moeder heeft een zoon: genaamd [de minderjarige] , geboren [in] 2014 te [C] . De moeder heeft het gezag over [de minderjarige] .

3.2

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland heeft [de minderjarige] op 7 juni 2019 onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 juni 2019 tot 7 juni 2020.

4 Waar het nu over gaat

4.1

De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter van 4 juni 2020 om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met één jaar tot 7 juni 2021 te verlengen. Zij verzoekt het hof daarom het verzoek tot verlenging van de GI af te wijzen.

4.2

De GI is het niet eens met het verzoek van de moeder en vraagt daarom het hof om het verzoek van de moeder af te wijzen.

5 De redenen voor de beslissing

Wat staat er in de wet

5.1

De kinderrechter kan een ondertoezichtstelling verlengen met maximaal een jaar. Dat staat in artikel 1:260 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling alleen verlengen als daar een goede reden voor is. Die reden staat in artikel 1:255 BW:

De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

Wat het hof vindt

5.2

Het hof vindt dat de kinderrechter een goede beslissing heeft genomen. Er is bij [de minderjarige] nog sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en het is voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] nog steeds noodzakelijk dat hij onder toezicht is gesteld. Het hof vindt daarbij het volgende belangrijk.

5.3

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de ondertoezichtstelling het afgelopen jaar voor de moeder helpend is geweest. De moeder heeft na verloop van tijd de jeugdbeschermer binnengelaten en is met haar gaan samenwerken. Inmiddels is zelfs sprake van een vertrouwensband. De moeder heeft gesteld dat zij grote stappen vooruit heeft gezet. De jeugdbeschermer is van mening dat er wel vooruitgang is, maar dat deze vooruitgang nog niet groot genoeg is voor de moeder om [de minderjarige] zonder de hulp van de jeugdbeschermer te verzorgen en op te voeden. De jeugdbeschermer ziet dat de moeder welwillend is en heel veel van [de minderjarige] houdt. Dat de hulpverlening door de moeder niet werd toegelaten kwam vooral omdat de moeder zich er voor schaamde dat zij de thuissituatie niet aankon en omdat zij bang was dat [de minderjarige] van haar zou worden afgenomen. De jeugdbeschermer denkt dat zonder ondertoezichtstelling de moeder hulpverlening uiteindelijk opnieuw niet meer zal toelaten.

5.4

De jeugdbeschermer heeft toegelicht dat de moeder nu op een kleine groep woont, met 24-uurs zorg, bij de [D] Stichting en dat zij wacht op een eigen woning met intensieve zorg en met begeleiding door dezelfde Stichting. Hulpverleners en de school van [de minderjarige] signaleerden in het voorjaar 2020 dat de situatie van de moeder in haar huurwoning te onveilig was voor [de minderjarige] . Omdat de hulpverlening bij de [D] Stichting de moeder begeleid en toezicht houdt, kan de moeder de dag beter plannen en [de minderjarige] beter begrenzen. Wel wordt gezien dat de moeder snel is afgeleid.

De moeder heeft haar huurwoning aangehouden en heeft deze inmiddels opgeruimd. Zij is van mening dat haar situatie zo goed is verbeterd dat zij met ambulante hulp naar haar eigen huurwoning kan terugkeren. De moeder zegt dat zij het verblijf met [de minderjarige] bij de [D] belastend vindt en dat zij ziet dat [de minderjarige] terugvalt in gedrag dat hoort bij een veel jonger kind. Zij maakt zich daar zorgen over.

De GI vindt dat de moeder op dit moment niet zelfstandig voor [de minderjarige] kan zorgen. De GI heeft een onderzoek aangevraagd om te kijken of [de minderjarige] wel veilig kan opgroeien bij de moeder als de moeder met [de minderjarige] bij haar vriend [E] zou gaan wonen (of dit een perspectief biedende plek voor [de minderjarige] zou kunnen zijn). Dit onderzoek zal pas begin 2021 kunnen plaatsvinden. De plek waar de moeder nu verblijft is beschikbaar tot volgend jaar juni. Het is belangrijk dat de moeder daar voorlopig blijft, ook al is deze plek niet ideaal, aldus de GI.

5.5.

Het hof is van oordeel dat het perspectiefonderzoek moet worden afgewacht. De GI heeft met veel voorbeelden in de processtukken en ter mondelinge behandeling aangetoond dat de situatie bij de moeder zo zorgelijk was dat moest worden ingegrepen. Er is al lange tijd sprake van een problematische woon- en opvoedsituatie van [de minderjarige] bij zijn moeder met te weinig structuur.

Het hof vermoedt dat bij de moeder sprake is van serieuze onderliggende problematiek die onderzocht moet worden. De moeder en de jeugdbeschermer hebben allebei gezegd dat er nog geen persoonlijkheidsonderzoek naar de moeder is begonnen, mede vanwege de coronasituatie. De problematiek bij de moeder zal nu eerst in kaart moeten worden gebracht. Vervolgens moet worden bekeken hoe de opvoedsituatie van [de minderjarige] moet worden verbeterd en welke hulp daarbij moet worden ingezet. Er is op dit moment nog te weinig informatie bekend over de capaciteiten en opvoedkundige kwaliteiten van de moeder om te kunnen beoordelen of zij wel of niet voldoende leerbaar is.

5.6

De ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] is in de huidige woonsituatie wat minder zichtbaar, maar deze bedreiging is nog niet structureel aangepakt. Het is voor [de minderjarige] noodzakelijk dat de huidige situatie gehandhaafd blijft en dat de jeugdbeschermer bekijkt op welke plek [de minderjarige] met zijn moeder het beste kan wonen, ook al is het niet prettig voor de moeder dat zij op dit moment weinig regie heeft over haar leven.

Dat de moeder de afgelopen tijd goed heeft meegewerkt met de hulpverlening en er sprake is van enige vooruitgang, is onvoldoende garantie dat zij ook in een vrijwillig kader hulpverlening zal blijven accepteren.

5.7

Er zal nog een behoorlijk lange periode nodig zijn om de noodzakelijke onderzoeken te verrichten en daarna een plan voor vervolgstappen te maken en die uit te voeren. Daarom ziet het hof geen aanleiding om de termijn van de ondertoezichtstelling te verkorten.

5.8

Alles bij elkaar is het hof het dus eens met de beslissing van de kinderrechter. Het hof zal daarom de beschikking van de kinderrechter in stand laten (bekrachtigen).

6 De beslissing

Het hof beslist in hoger beroep het volgende:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 4 juni 2020.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en H. Phaff, bijgestaan door de griffier, en is op 3 november 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.