Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:8999

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
200.259.097
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan vraag of Oostenrijks recht van toepassing is op de boedel van de GmbH wordt niet toegekomen nu de GmbH geen rechthebbende is op het saldo van een in Nederland aangehouden bankrekening. De curator heeft onvoldoende betwist dat met het door hem ontvangen bedrag van de minderheidsaandeelhouder van de GmbH het nog openstaande deel van zijn kapitaalstorting is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0302
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.259.097

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, NL18.10645)

arrest van 3 november 2020

in de zaak van

[appellant] , in zijn hoedanigheid van Insolvenzverwalter (curator) in het faillissement van de vennootschap naar Oostenrijks recht Schneider Abwassertechnik GmbH,

gevestigd te (A-4694), Ohlsdorf (Oostenrijk),

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: de curator,

advocaat: mr. M.G. Krüger,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Ingenieursbureau Schneider B.V.,

gevestigd te Winterswijk,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: verweerster,

hierna: Schneider B.V.,

advocaat: mr. T.W. Konings.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 24 januari 2019 dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 april 2019,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op de door partijen aangeleverde procesdossiers, met dien verstande dat het hof de door de curator overgelegde akten overlegging aanvullende producties van 15 en 23 november 2018 buiten beschouwing zal laten. Uit r.o. 4.2 van het vonnis van 24 januari 2019 volgt dat de rechtbank de twee "akten overlegging aanvullende producties" die de curator na de comparitie van partijen op 30 oktober 2018 had ingebracht heeft geweigerd en heeft bepaald dat zij geen deel uitmaken van het procesdossier. De curator heeft deze stukken in hoger beroep niet alsnog in het geding gebracht, met uitzondering van productie 26, zodat zij niet behoren tot het dossier.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de feiten die de rechtbank in het vonnis van 24 januari 2019 onder 2.1 tot en met 2.12 heeft vastgesteld.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Deze zaak gaat, kort gezegd, over het volgende. [appellant] is curator in het faillissement van de vennootschap naar Oostenrijks recht Schneider Abwassertechnik GmbH (hierna: de GmbH). De GmbH is bij vonnis van 10 februari 2017 door het Landesgericht Wels (Oostenrijk) in staat van faillissement verklaard. Schneider B.V. is 90% aandeelhouder van de GmbH. Op 8 maart 2017 heeft [A] (hierna: [A] ) namens Schneider B.V. een bedrag van € 52.000 overgemaakt van een rekening met rekeningnummer eindigend op [0000] aangehouden bij de Rabobank in Nederland (hierna: rekening [0000] ) naar een op naam van Schneider B.V. gestelde rekening eindigend op [0001] eveneens aangehouden bij de Rabobank in Nederland (hierna: rekening [0001] ).

De curator eist (terug)betaling van dit bedrag. Daarnaast eist de curator volstorting door Schneider B.V. van haar aandeel in het geplaatste kapitaal van de GmbH en ook volstorting door Schneider B.V. van de niet volledig voldane kapitaalinbreng in de GmbH van de enige andere aandeelhouder, de heer [B] .

4.2

De rechtbank heeft geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is op de vordering van € 52.000 van de curator en dat dit bedrag nimmer tot het vermogen van de GmbH heeft behoord, waardoor de curator hierop geen aanspraak kan maken. Op grond van Oostenrijks recht is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat Schneider B.V. gehouden is haar aandeel in het geplaatste kapitaal van de GmbH alsnog vol te storten. Schneider B.V. is echter niet gehouden om het niet-betaalde deel van de kapitaalinbreng van [B] (€ 1.610) te voldoen omdat tussen de curator en [B] een schikking tegen finale kwijting is bereikt zodat er geen aanspraak meer van de curator op [B] resteert, aldus de rechtbank.

4.3

In hoger beroep heeft de curator drie grieven gericht tegen het vonnis met het doel om, kort gezegd, de afgewezen vorderingen inzake de overboeking van € 52.000 en de aansprakelijkheid van Schneider B.V. voor het door [B] niet volgestorte deel van de kapitaalinbreng alsnog toegewezen te krijgen.

Bevoegdheid

4.4

Evenals de rechtbank is ook het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van onderhavig geschil kennis te nemen. Artikel 66 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikte EEX-Vo) bepaalt dat de Herschikte EEX-Vo van toepassing is op rechtsvorderingen die zijn ingesteld op of na 10 januari 2015. De onderhavige vorderingen zijn na deze datum ingesteld en vallen onder het toepassingsgebied van de Herschikte EEX-Vo (artikel 1). Op grond van artikel 4 lid 1 jo. artikel 63 lid 1 sub a, b en c van de Herschikte EEX-Vo worden vennootschappen opgeroepen voor de gerechten van de lidstaat waar zij hun statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging hebben. Schneider B.V. heeft haar statutaire zetel, hoofdbestuur en hoofdvestiging in Nederland.

Toepasselijk recht en rechthebbende op rekening [0000]

4.5

Het hof stelt vast dat de curator in de toelichting op grief I geen bezwaren heeft geuit tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is met betrekking tot de verbintenisrechtelijke aspecten van rekening [0000] . De curator stelt, onder verwijzing naar artikel 4 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures, dat de rechtbank vervolgens had moeten vaststellen welk recht van toepassing is op het vermogen van de GmbH. Het in Oostenrijk uitgesproken faillissement van de GmbH maakt dat de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan door Oostenrijks recht worden beheerst. Dit betekent dat Oostenrijks faillissementsrecht van toepassing is op de boedel en daarmee op het vermogen van de GmbH, aldus de curator. Volgens de curator behoort de op naam van de GmbH gestelde rekening [0000] tot het vermogen van de GmbH. Schneider B.V. heeft gemotiveerd betwist dat Oostenrijks faillissementsrecht van toepassing is op rekening [0000] . Volgens haar is naar Nederlands recht Schneider B.V. rechthebbende van rekening [0000] , behoort die rekening tot het vermogen van Schneider B.V. en wordt aan de vraag welk recht op het vermogen van de GmbH van toepassing is niet toegekomen.

4.6

Het hof zal eerst vaststellen wie op grond van het Nederlandse recht rechthebbende ten aanzien van rekening [0000] is. Het saldo op een bankrekening is de staat van een rekening-courantverhouding waarin de schulden en vorderingen die partijen over en weer op elkaar hebben, is opgenomen. Bij een positief saldo heeft de rechthebbende op die rekening een vorderingsrecht op de bank. Teneinde vast te stellen wie rechthebbende is op een bankrekening zal moeten worden nagegaan welke contractuele afspraken tussen de bank en de rechthebbende hierover zijn gemaakt. Schneider B.V. heeft ter onderbouwing van haar betwisting gewezen op het bij het verweerschrift als bewijsstuk 3 overgelegde Productbeeld Rabo Cash Management. Hierin is Colubris Environment B.V. als klant vermeld. Deze vennootschap is het groepshoofd van het Colubris Environment concern (thans Colubris Cleantech geheten), waarvan Schneider B.V. onderdeel uitmaakt. Colubris Environment B.V. is in het Productbeeld Rabo Cash Management met "bedrijfsniveau: 1" aangeduid, terwijl onder het kopje "rekeninginformatie" een overzicht is opgenomen van de rekeningen die binnen het Rabo Cash Management vallen. Dit betreft onder meer rekening [0000] met als rekeningnaam de GmbH. Ook zijn per rekening gebruikers en hun bevoegdheden opgenomen, waaronder [A] , voor rekening [0000] . [A] heeft namens Schneider B.V. opdracht gegeven de overboeking van rekening [0000] naar rekening [0001] van Schneider B.V. uit te doen voeren. Enig bestuurder van de GmbH, [B] , was niet bevoegd om over het saldo op rekening [0000] te beschikken. Volgens Schneider B.V. was de toekenning van de rekeningnaam louter een administratieve aangelegenheid binnen de concernfinanciering. Het hof begrijpt dit verweer aldus dat Colubris Environment B.V. de rechthebbende was op rekening [0000] en dat de GmbH slechts de naam was waarmee de rekening werd aangeduid.

4.7

De curator heeft zijn stelling gehandhaafd dat de GmbH rekeninghouder is van rekening [0000] , op grond van de tenaamstelling van de rekening, maar is niet ingegaan op de uitleg die Schneider B.V. daarvan geeft op basis van het overgelegde klantoverzicht. Gelet daarop heeft hij tegenover de gemotiveerde betwisting van Schneider B.V onvoldoende onderbouwd dat de GmbH rechthebbende op het saldo van rekening [0000] is. Ook tegenover de door Schneider B.V. overgelegde en toegelichte e-mails van 12 juli 2017 van de Rabobank aan [C] van Colubris Environment met het verzoek om de debetstand op rekening [0000] aan te vullen en van 19 oktober 2017 van [D] van Colubris Environment aan de Rabobank met de mededeling dat het negatieve saldo is aangezuiverd en het verzoek om rekening [0000] op te heffen, heeft de curator niets gesteld. Ook [D] is opgenomen in het Productbeeld Rabo Cash Management als zijnde bevoegd ten aanzien van de rekening [0000] . Ook uit deze niet betwiste e-mails volgt dat de Rabobank niet de GmbH maar Colubris Environment als haar klant en rechthebbende op rekening [0000] beschouwde en andersom.

4.8

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de GmbH niet de rechthebbende op rekening [0000] is geweest, dat het saldo van rekening [0000] niet heeft behoord tot het vermogen van de GmbH op het tijdstip van haar faillissement en in het verlengde daarvan ook niet tot de boedel. Aan de vraag of Oostenrijks recht van toepassing is op de boedel van de GmbH op grond van de Insolventieverordening van 29 mei 2000 (Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures (IVO I)), zoals de curator voorstaat, wordt niet toegekomen. Nu de GmbH nooit rechthebbende is geweest op rekening [0000] is ook geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking door de overboeking van rekening [0000] naar rekening [0001] van Schneider B.V. Ook de verwijzing naar de contractuele afspraken van de GmbH en Schneider B.V. inzake de opdracht van ARA maken niet dat [A] (of een andere tot rekening [0000] bevoegde volgens het Productbeeld Rabo Cash Management) niet bevoegd zou zijn om de betaling van € 52.000 van rekening [0000] naar een andere rekening waarvan Schneider B.V. rechthebbende was te verrichten. Het voorgaande betekent ook dat hetgeen de curator in dit kader overigens nog heeft gesteld met betrekking tot het moment van voltooiing van de girale betaling, de beperking van een volmacht in verband met Selbsteintritt, de beëindiging van een volmacht door het faillissement van de GmbH en het ook in het Oostenrijkse recht voorkomende fixatiebeginsel na het uitspreken van een faillissement niet ter zake dienend is. Ook de door de curator geschetste onwenselijke rechtspolitieke en maatschappelijke situaties, bijvoorbeeld bij het leggen van derdenbeslag, die kunnen ontstaan indien de GmbH niet als rekeninghouder kan worden beschouwd van een op haar naam gestelde rekening doen niet terzake. Voor de Rabobank was het op grond van het Productbeeld Rabo Cash Management duidelijk wie de rechthebbende was van rekening [0000] . Dit betekent dat de grieven I (over het toepasselijke recht) en II (over de girale betaling van rekening [0000] na het faillissement) falen.

Aansprakelijkheid Schneider B.V. voor het niet door [B] voldane deel van zijn kapitaalstorting in de GmbH

4.9

De curator heeft gesteld dat naar Oostenrijks recht Schneider B.V., als aandeelhouder van de GmbH, aansprakelijk is voor het niet betaalde deel van de kapitaalinbreng van de andere aandeelhouder van de GmbH, [B] , nu deze niet kan voldoen aan zijn verplichting tot volstorting van zijn deel. Volgens de curator is het juist dat hij met [B] een schikking tegen finale kwijting had bereikt, die ook betrekking had op de verplichting tot kapitaalinbreng. De finale kwijting is echter onderworpen aan de opschortende voorwaarde van betaling door [B] van het in de schikkingsovereenkomst opgenomen bedrag. [B] is de schikkingsovereenkomst niet volledig nagekomen, hetgeen aanleiding voor de curator is geweest om de schikkingsovereenkomst op 21 februari 2019 te ontbinden en een verzoek tot faillietverklaring van [B] in te dienen. [B] is op 12 april 2019 failliet verklaard, waarna de curator de vorderingen van de GmbH bij de curator van [B] heeft ingediend.

4.10

Schneider B.V. betwist niet alleen dat de curator de schikkingsovereenkomst heeft ontbonden, maar ook dat [B] niet aan zijn nog resterende stortingsverplichting heeft voldaan. De curator heeft immers een bedrag van € 6.964,61 op zijn vordering op [B] kunnen incasseren. Met dit bedrag heeft [B] volledig aan zijn kapitaalinbrengverplichting voldaan.

4.11

Het hof stelt vast dat niet in geding is dat Oostenrijks recht van toepassing is op deze vordering van de curator. Indien wordt aangenomen dat [B] niet volledig het onder de schikkingsovereenkomst verschuldigde bedrag heeft voldaan en het hof de curator volgt in zijn stelling dat hij de schikkingsovereenkomst heeft ontbonden, dan herleven de in de schikkingsovereenkomst genoemde vorderingen met een totaal van € 316.163 van de curator op [B] . Uit de door de curator overgelegde productie 12 bij de oproep voor een rechtszaak (en opnieuw overgelegd bij memorie van grieven) volgt dat de curator reeds een bedrag van € 6.964,61 van [B] had ontvangen. De stelling van Schneider B.V. dat met dit bedrag onder meer het nog openstaande bedrag aan kapitaalinbreng van [B] is voldaan, heeft de curator onvoldoende betwist. Hij heeft geen inzicht gegeven op welke vordering hij het bij [B] geïncasseerde bedrag heeft afgeboekt. Daardoor staat niet vast dat de vordering van € 1.610 inzake de resterende kapitaalstorting door [B] nog openstaat. Grief III faalt om die reden.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof de curator in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Schneider B.V. zullen worden vastgesteld op € 2.020 aan verschotten (griffierecht) en op € 1.959 aan salaris advocaat (1 punt x tarief IV)

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 24 januari 2019 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen;

veroordeelt de curator in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Schneider B.V. vastgesteld op € 2.020 voor verschotten en op € 1.959 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt de curator in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval de curator niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de daarin vervatte veroordelingen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, H.L. Wattel en Ch.E. Bethlem en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.