Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:8988

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
12-11-2020
Zaaknummer
200.251.138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Waiver zaak. Geen verjaring. Vordering vanwege advisering Spaarkrediet Centrale en wetenschap advisering bij Dexia. Voordeelstoerekening: dividendbelasting en wettelijke rente. Geen vordering vanwege onjuiste afrekenkoersen en buitengerechtelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.251.138

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn: 4723736)

arrest van 3 november 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in oppositie,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in oppositie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 februari 2019 hier over.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte na tussenarrest van Dexia,
- de akte uitlating geschilpunten van [geïntimeerde] ,
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 8 mei 2019,
- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties,

- een akte uitlaten producties tevens houdende memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens houdende akte wijziging van eis, met producties,
- het proces-verbaal van het pleidooi van 8 juli 2020, met de daarin vermelde stukken,
- de bij brief van 9 juli 2020 door mr. Cornegoor nagezonden overeenkomst van partijen (productie 2 bij dagvaarding eerste aanleg),
- de brief van 1 oktober 2020 van mr. Maliepaard met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.3.

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

1.4.

Voor zover noodzakelijk voor de beslissing zal het hof ingaan op de opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Tussen Dexia (rechtsopvolgster van onder meer Bank Labouchere N.V.) en [geïntimeerde] is op 22 februari 1999 een effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen genaamd “Direct Rendement Effect” met contractnummer [00000] (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 180 maanden (15 jaar) met een totaal overeengekomen leasesom van € 64.287,50. Onderaan de overeenkomst staat onder de handtekening van de lessee vermeld: “ATP710 Spaarkrediet Centrale”.

2.2.

In het door Dexia aangepaste overgelegde financiële overzicht is vermeld dat [geïntimeerde] op grond van de overeenkomst in totaal € 23.784,39 aan leasetermijnen, waaronder een bedrag van € 363,88 aan achterstallige posten, aan Dexia heeft voldaan. Volgens dit overzicht bedraagt de restschuld € 10.034,38. Daarnaast blijkt uit het financiële overzicht dat [geïntimeerde] ten aanzien van de overeenkomst € 2.204,49 aan dividend heeft ontvangen.

2.3.

Op 25 januari 2007 heeft het Gerechtshof Amsterdam de zogeheten “Duisenberg-regeling” voor aandelenleaseproducten algemeen verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade.1 [geïntimeerde] heeft door middel van een “opt-out” verklaring in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn.

2.4.

Bij brief van 29 mei 2007 heeft Leaseproces B.V. (hierna: Leaseproces) namens [geïntimeerde] aan Dexia bericht dat [geïntimeerde] de nietigheid van de overeenkomst inroept wegens het ontbreken van een vergunning als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het Consumentenkrediet, althans dat de overeenkomst wordt vernietigd, althans wordt ontbonden, op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en/of dwaling en is Dexia gesommeerd binnen twee weken alle door [geïntimeerde] betaalde bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, terug te betalen, alsmede BKR te Tiel op de hoogte te stellen van de nietigheid van de overeenkomst.

2.5.

In zijn arresten van 28 maart 2008 en 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de rechtsregels en de beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken als de onderhavige.2 Op 1 december 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een viertal arresten de uitspraak van de Hoge Raad uitgewerkt in het zogeheten “hofmodel”.3 In zijn arrest van 29 april 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven.4
2.6. Bij brieven van 9 oktober 2009, 23 januari 2012 en 17 oktober 2016 heeft Leaseproces namens [geïntimeerde] aan Dexia medegedeeld zich de rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voor te behouden.

3 Het geschil en de beslissing bij de rechtbank

3.1.

Dexia heeft in eerste aanleg gevorderd een verklaring voor recht dat zij ten aanzien van de overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. De kantonrechter heeft de vordering van Dexia bij verstek toegewezen bij vonnis van 27 mei 2015.

3.2.

[geïntimeerde] is in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. Dexia heeft in oppositie haar oorspronkelijke eis gewijzigd en primair gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat zij aan [geïntimeerde] € 2.161,60 verschuldigd is, althans hetgeen zij onder het hofmodel aan [geïntimeerde] verschuldigd is, vermeerderd met wettelijke rente en subsidiair dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerde] niet werd blootgesteld aan een onaanvaardbaar zware financiële last en de vernietigingsbevoegdheid van de echtgenote van [geïntimeerde] op 31 mei 2007 was verjaard. [geïntimeerde] heeft in de loop van de procedure zijn beroep op vernietiging van de overeenkomst door zijn echtgenote ingetrokken (conclusie van repliek in oppositie onder 6).

3.3.

De kantonrechter heeft in het bestreden eindvonnis van 20 september 2017 het verstekvonnis vernietigd en – samengevat – voor recht verklaard dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is wanneer Dexia aan [geïntimeerde] heeft voldaan:
- de inleg en restschuld, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van elke betaling
- 70% van de door [geïntimeerde] aan zijn gemachtigde verschuldigde buitengerechtelijke kosten,
verminderd met:
- hetgeen reeds door Dexia aan [geïntimeerde] uit welke hoofde dan ook is betaald, en
- de dividenduitkering, eveneens te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van elke betaling.
Verder heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld in de proceskosten.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

Dexia heeft tegen de vonnissen van de kantonrechter zeven grieven aangevoerd en na eiswijziging, een verklaring voor recht gevorderd dat zij ten aanzien van de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst aan [geïntimeerde] verschuldigd is een bedrag € 6.447,-, althans hetgeen zij onder het hofmodel aan [geïntimeerde] verschuldigd is, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding. Volgens Dexia heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat [geïntimeerde] nog vorderingen op haar heeft. De grieven hebben betrekking op de verjaring van de vorderingen (grief I), de advisering door de tussenpersoon (grieven II, III en IV), de buitengerechtelijke kosten (grief V), de voordeelstoerekening (grief VI) en de proceskosten (grief VII). Het hof zal de gewijzigde eis beoordelen, omdat [geïntimeerde] tegen de wijziging van eis geen bezwaar heeft gemaakt.

4.2.

[geïntimeerde] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. De twee ongenummerde incidentele grieven zien op het doorgeven van effectenorders en het hanteren van onjuiste afrekenkoersen.

waiverprocedure
4.3. De onderhavige procedure betreft een zogenoemde waiverprocedure, dat wil zeggen een procedure waarin Dexia in rechte vastgesteld wil zien dat haar wederpartij – eventueel na betaling van een restantbedrag door Dexia – in rechte niets meer van haar te vorderen heeft uit hoofde van één of meerdere tussen partijen gesloten financiële effectenlease-overeenkomsten.

4.4.

Dexia legt aan haar vordering ten grondslag dat zij aansprakelijkheid wegens schending van op haar rustende zorgplicht bij het aangaan van de overeenkomst erkent en dat zij, behoudens een bedrag van € 6.447,-, aan al haar verplichtingen heeft voldaan. Op [geïntimeerde] rust de verplichting om, wil hij niet dat de vordering bij gebrek aan verweer wordt toegewezen, de stellingen van Dexia gemotiveerd te betwisten, zodanig dat kan worden beoordeeld of de door haar gestelde vordering kan slagen en, in het verlengde daarvan, of de vordering van Dexia al dan niet kan worden toegewezen.5 Tegen deze achtergrond zal worden bezien op welke punten [geïntimeerde] meent nog vorderingen op Dexia te hebben.

belang

4.5.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg betoogd dat Dexia onvoldoende belang heeft bij haar vordering in de zin van artikel 3:303 BW. Voor zover dit betoog relevant zou zijn, faalt het. Het hof verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019.6

verjaring
4.6. Dexia heeft gesteld dat de vorderingen van [geïntimeerde] zijn verjaard. Dit betoog faalt. De vorderingen waarop [geïntimeerde] zich bij wijze van verweer tegen de door Dexia gevorderde verklaring voor recht beroept, zijn gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Met de brief van 29 mei 2007 (onder 2.4) waarin onder meer de onrechtmatige daad wordt genoemd, heeft [geïntimeerde] Dexia tijdig aansprakelijk gesteld. Niet is gebleken dat [geïntimeerde] meer dan vijf jaar voor die datum bekend was met de schade en aansprakelijke persoon. Daartoe wordt mede in aanmerking genomen dat pas later duidelijk werd dat er een restschuld zou resteren als niet door [geïntimeerde] bijbetaald zou worden en niet aanstonds duidelijk was dat de handelwijze van Dexia bij de totstandkoming van de overeenkomst ook debet was aan het ontstaan van de schade. De verjaring van de vordering van [geïntimeerde] is vervolgens gestuit als gevolg van de WCAM-procedure op grond van artikel 7:907 lid 5 BW. Na de “opt-out” verklaring in 2007 heeft Leaseproces namens [geïntimeerde] de verjaring gestuit met haar brieven van oktober 2009, januari 2012 en oktober 2016. Het hof verwerpt het betoog van Dexia dat de brieven onvoldoende specifiek waren.7 Op grond van de brief van 2007 moet het voor Dexia kenbaar zijn geweest dat [geïntimeerde] een vordering pretendeerde op Dexia wegens schending van de op Dexia jegens [geïntimeerde] rustende zorgplichten in de precontractuele fase, en op basis hiervan (ondubbelzinnig) schadevergoeding verlangde. In het licht van de brief mei 2007, mede beschouwd tegen de achtergrond van de Duisenberg-regeling en de daaropvolgende WCAM-procedure, moet het voor Dexia ook duidelijk zijn geweest dat met de daaropvolgende stuitingsbrieven werd beoogd de verjaring van zijn rechtsvorderingen te stuiten. Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW niet de eis worden gesteld dat deze de vordering nauwkeurig omschrijft met aanwijzing van de correcte juridische grondslag. Dat [geïntimeerde] niet expliciet heeft genoemd dat hij Dexia verwijt haar waarschuwingsplicht te hebben geschonden, doet aan het voorgaande dan ook niet af.

4.7.

Daarnaast gaat het geschil over de vraag of Dexia – vanwege het verbod in artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) – had moeten weigeren met [geïntimeerde] te contracteren. [geïntimeerde] betoogt dat dit het geval is, waardoor bij de toepassing van artikel 6:101 BW de vergoedingsplicht van Dexia volledig in stand moet blijven. Nu de schending van artikel 41 NR 1999 in dit geval beoordeeld moet worden in het kader van de bij het beroep op eigen schuld in acht te nemen billijkheidsafweging, is niet van belang of een zelfstandig beroep op deze schending (al dan niet) is verjaard.8 Het beroep op verjaring gaat dan ook niet op.

correctie op hofmodel omdat Spaarkrediet Centrale [geïntimeerde] zou hebben geadviseerd?

4.8.

Dexia komt met de grieven II-IV op tegen het oordeel van de kantonrechter dat Spaarkrediet Centrale [geïntimeerde] zodanig heeft geadviseerd dat zij haar vrijstelling te buiten is gegaan, en dat Dexia – nu zij dit wist of behoorde te weten – in strijd met artikel 41 NR 1999 heeft gehandeld door [geïntimeerde] desondanks als cliënt te accepteren. Volgens Dexia heeft de kantonrechter dan ook ten onrechte het beroep van [geïntimeerde] op de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW aanvaard.

4.9.

Het hof stelt bij de beoordeling van deze grieven voorop dat zich in de rechtspraak ten aanzien van effectenleasezaken de volgende regels hebben ontwikkeld.9Wanneer een aanbieder van een effectenleaseovereenkomst zoals Dexia haar precontractuele zorgplicht niet is nagekomen door niet te waarschuwen voor het restschuldrisico en geen onderzoek te doen naar de inkomens- en vermogenspositie van de particuliere afnemer, heeft zij onrechtmatig gehandeld tegenover de afnemer die bedoelde overeenkomst is aangegaan. De aanbieder is om die reden tegenover de afnemer verplicht de schade die deze lijdt te vergoeden. Die schade is echter mede een gevolg van een omstandigheid die aan de afnemer kan worden toegerekend. Daarom geldt als uitgangspunt dat de vergoedingsplicht van de aanbieder moet worden verminderd door deze op de voet van artikel 6:101 BW over de afnemer en de aanbieder volgens bepaalde in de rechtspraak ontwikkelde maatstaven (het hofmodel) te verdelen.

4.10.

Indien echter de (particuliere) afnemer als potentiële cliënt bij de aanbieder is aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995), tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en de aanbieder hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, dient te worden afgeweken van de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaven voor de verdeling van de schade, in die zin dat de billijkheid dan in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten betreft. Wanneer vast staat dat de betrokken cliëntenremisier het leaseproduct van de aanbieder heeft geadviseerd, is de inhoud van het advies niet van belang en ook niet het eventuele eigen inzicht van de afnemer in het aan te schaffen product. De aanbieder had de afnemer (in beginsel) hoe dan ook moeten weigeren (ook bij een goed advies en/of eigen inzicht van de afnemer in het product). De beoordeling of een dergelijk advies is gegeven en of de aanbieder dit wist of behoorde te weten, geschiedt aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De achterliggende gedachte van voormelde rechtspraak is dat de aanbieder in dat geval contracteerde in weerwil van een wettelijk verbod dat juist ertoe strekt de afnemer te beschermen tegen het aangaan van een beleggingsovereenkomst na advies door een adviseur zonder de benodigde vergunning, terwijl de afnemer ten onrechte vertrouwde op de onpartijdigheid en deskundigheid van de beleggingsadviseur.

4.11.

Het hof zal hierna eerst ingaan op de vraag of Spaarkrediet Centrale buiten haar vrijstelling is getreden (rechtsoverwegingen 4.12 – 4.15), en vervolgens of Dexia dit wist of behoorde te weten (rechtsoverwegingen 4.16 – 4.20).

4.12.

Naar het oordeel van het hof heeft Spaarkrediet Centrale, die destijds niet over een vergunning ex artikel 7 lid 1 Wte 1995 beschikte, bij de advisering aan [geïntimeerde] de grenzen van haar vrijstelling als cliëntenremisier overschreden. Het hof gaat in de rechtsoverwegingen 4.13 – 4.22 veronderstellenderwijs ervan uit dat Spaarkrediet Centrale als cliëntenremisier was geregistreerd (hetgeen [geïntimeerde] betwist). Ter motivering van dit oordeel overweegt het hof als volgt.

4.13.

[geïntimeerde] heeft met betrekking tot de advisering door Spaarkrediet Centrale, onder meer het volgende aangevoerd:

- [geïntimeerde] heeft contact opgenomen met Spaarkrediet Centrale omdat hij een lening wilde. Vervolgens vond een bespreking plaats op het kantoor van Spaarkrediet Centrale. De medewerker die [geïntimeerde] te woord stond presenteerde zich als deskundig adviseur op financieel gebied;

- naar aanleiding van de wens van [geïntimeerde] om een lening aan te gaan, adviseerde de medewerker hem een zogeheten “fiscaal-voordeel lening” te sluiten, een product van Spaarkrediet Centrale (een brochure hiervan is overgelegd als productie 57 memorie van antwoord in principale hoger beroep). Dit product kwam erop neer dat enerzijds geld werd geleend en anderzijds een effectenleaseovereenkomst bij Dexia werd afgesloten. De medewerker adviseerde [geïntimeerde] de effectenleaseovereenkomst ‘Direct Rendement Effect’ aan te gaan en lichtte met een rekenvoorbeeld toe hoe middels de opbrengsten hiervan de lening kon worden afgelost (productie D verzetdagvaarding). Daarnaast konden de maandtermijnen voor de effectenleaseovereenkomst worden voldaan met het krediet, aldus de medewerker;

- de medewerker verzekerde [geïntimeerde] dat het Dexia product ‘Direct Rendement Effect’ een uitstekende vorm van sparen was met kans op een beter rendement dan gewoon sparen. De medewerker heeft [geïntimeerde] niet gewezen op de risico’s van voormeld product van Dexia;

- omdat [geïntimeerde] vertrouwen had in de deskundigheid van Spaarkrediet Centrale en ervan uitging dat het advies in zijn belang was, heeft hij dit opgevolgd door de lening aan te gaan en genoemde overeenkomst te sluiten (gedateerd op 19 februari 1999).

4.14.

Dexia weerspreekt in hoger beroep de door [geïntimeerde] uit voormelde gang van zaken getrokken conclusie, te weten dat Spaarkrediet Centrale verstrekkender heeft geadviseerd dan haar op grond van de vrijstelling was toegestaan. Dexia lijkt daarnaast de door [geïntimeerde] aangevoerde feitelijke gang van zaken als weergegeven in de vorige rechtsoverweging (in ieder geval gedeeltelijk) te ontkennen. Dit heeft Dexia naar het oordeel van het hof echter onvoldoende gemotiveerd gedaan, zonder uit te leggen waarom geen motivering van haar kan worden verlangd (Valt voor Dexia niet te achterhalen welke medewerker van de Spaarkrediet Centrale [geïntimeerde] te woord heeft gestaan en/of was deze niet bereikbaar, in staat en/of bereid Dexia in te lichten over zijn contact met [geïntimeerde] ?). Daarbij betwist Dexia niet dat [geïntimeerde] door tussenkomst van Spaarkrediet Centrale een lening én een effectenleaseovereenkomst heeft afgesloten en is haar stelling dat Spaarkrediet Centrale als verkoper optrad niet toereikend omdat daarmee niet uitgesloten is dat bij de verkoop van het effectenleaseproduct van Dexia een op de persoon toegesneden advies werd verstrekt. De verwijzing naar de remissierovereenkomsten die Dexia met haar tussenpersonen afsloot en waaruit zou blijken dat de tussenpersoon enkel klanten aan zou brengen (en dus geen vergunningsplichtige adviezen zou uitbrengen), is om dezelfde reden onvoldoende (mede in het licht van de door [geïntimeerde] overgelegde stukken die het hof hieronder behandelt bij de (aangevoerde) wetenschap van Dexia). Het hof gaat aan de (blote) ontkenning van Dexia dat Spaarkrediet Centrale [geïntimeerde] het (in deze procedure overgelegde) rekenvoorbeeld heeft verstrekt voorbij: [geïntimeerde] voert onweersproken aan dat de hoogte van het op te nemen krediet in dit rekenvoorbeeld nagenoeg overeenkomt met de hoogte van het aankoopbedrag uit hoofde van de door hem aangegane overeenkomst. Ook gaat het hof voorbij aan het betoog van Dexia dat [geïntimeerde] de combinatie van het aangaan van de lening en het aflossen hiervan middels het Dexia product, zelf zou hebben verzonnen. Nu de “fiscaal-voordeel lening” een product was van Spaarkrediet Centrale, ligt veeleer voor de hand dat dit idee uit haar koker kwam. Eén punt ligt echter (mogelijk) anders dan [geïntimeerde] aanvoert, te weten dat hij niet zou zijn gewezen op de risico’s. Dexia betoogt dat een brochure van het desbetreffende product is verstrekt (productie 27 akte na tussenvonnis 14 juni 2017) en dat hierin wordt gewezen op de risico’s. Nu [geïntimeerde] niet ontkent dat hij de brochure heeft ontvangen en in deze brochure (in enige mate) wordt gewezen op de risico’s, gaat het hof ervan uit dat [geïntimeerde] is gewezen op de risico’s. Het hof zal daarom in de rechtsoverweging hieronder veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat Spaarkrediet Centrale – anders dan [geïntimeerde] aanvoert – wél heeft gewezen op de risico’s. Voor het overige gaat het hof uit van de juistheid van de door [geïntimeerde] geschetste feitelijke gang van zaken, zoals weergegeven in de vorige rechtsoverweging. Het hof gaat aan het bewijsaanbod van Dexia voorbij, omdat zij het betoog van [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.

4.15.

Uit de hiervoor vastgestelde feitelijke gang van zaken blijkt dat Spaarkrediet Centrale in haar gesprek met [geïntimeerde] verder is gegaan dan het slechts verstrekken van algemene informatie over de effectenleaseovereenkomst. Spaarkrediet Centrale heeft veeleer [geïntimeerde] voorzien van een op zijn specifieke situatie toegesneden advies, waarbij zij aanstuurde op het aangaan van de effectenleaseovereenkomst in combinatie met een lening, en daarmee een waardeoordeel gaf over de door [geïntimeerde] te nemen beslissing. Spaarkrediet Centrale was immers door [geïntimeerde] benaderd om te adviseren over de door hem gewenste lening. Een medewerker van Spaarkrediet Centrale heeft [geïntimeerde] toen het (ingewikkelde) product “fiscaal-voordeel lening” geadviseerd, waarbij het aangaan van de lening werd gecombineerd met het sluiten van een effectenleaseovereenkomst. Blijkens het rekenvoorbeeld prognosticeerde Spaarkrediet Centrale een koersstijging van 20% en een break even koersstijging van 1,80%. In de brochure Direct Rendement Effect wordt uitgegaan van een gemiddelde koersstijging van 10% per jaar en rendementsvariaties bij koersstijgingen van 0 tot 26%. Nu [geïntimeerde] Spaarkrediet Centrale had benaderd om hem te adviseren, mocht hij er (behoudens niet aangevoerde steekhoudende contra-indicaties) in beginsel op vertrouwen dat hij onafhankelijk en deskundig werd geadviseerd, waardoor niet voor de hand lag dat hij daarnaast zelf nog onderzoek zou doen naar de vraag of het door hem afgenomen product voor hem geschikt was. Dit wordt niet anders door het gegeven dat [geïntimeerde] geen opdracht had gegeven voor het advies, tenminste niet in de zin dat hij Spaarkrediet Centrale voor haar diensten betaalde. Dat in de brochure van Dexia in een tekstblok onderaan in kleine letters in algemene zin is gewezen op de financiële risico’s van beleggen, biedt bezien tegen de achtergrond van de gepersonaliseerde aanbeveling aan [geïntimeerde] om de effectenleaseovereenkomst aan te gaan, onvoldoende bescherming. Onder de gegeven omstandigheden heeft Spaarkrediet Centrale bij de advisering aan [geïntimeerde] de grenzen van haar vrijstelling overschreden.

4.16.

Voor het beroep op de billijkheidscorrectie is verder vereist dat Dexia in het onderhavige geval wist of behoorde te weten dat Spaarkrediet Centrale [geïntimeerde] zodanig heeft geadviseerd dat zij buiten de grens van haar vrijstelling is getreden. Naar het oordeel van het hof is dat het geval. Ter motivering van deze beslissing wordt als volgt overwogen.

4.17.

[geïntimeerde] beroept zich ter onderbouwing van zijn betoog dat Dexia (destijds onder de benaming: Bank Labouchere) wist of behoorde te weten dat tussenpersonen zoals Spaarkrediet Centrale de grenzen van hun vrijstelling te buiten gingen, op onder meer het volgende:

a. het jaarverslag over het jaar 1997 van Labouchere waarin onder meer wordt vermeld:

“Onder de naam Bank Labouchere worden ook leaseproducten ontwikkeld voor distributie via onafhankelijke intermediairs. Deze producten zijn gericht op spaarders en beleggers die behoefte hebben aan persoonlijk advies door een onafhankelijk intermediair. Dit voorziet in een duidelijke behoefte.”

b. het jaarverslag over het jaar 2001 van Labouchere waarin onder meer wordt vermeld:

Bank Labouchere Beleggingsproducten

De business unit Retail Services levert innovatieve en laagdrempelige beleggingsproducten en diensten via onafhankelijke intermediairs aan particuliere beleggers. (..) Onderdeel daarvan zijn de effectenleaseproducten, waarmee Bank Labouchere Beleggingsproducten in het intermediairkanaal marktleider is met ruim 1000 onafhankelijke intermediairs en meer dan 100.000 klanten. (..) De financieel intermediairs worden continu getraind, ondersteund en op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen en producten. (..) Gezien de groeiende behoefte aan beleggingsproducten bij de onafhankelijke intermediairs en de vertrouwensrelatie die deze hebben met hun klanten (..)

(schuingedrukt onder een foto van [naam 1: De directeur Retail Services] , Directeur Retail Services, toevoeging hof)

(..)

Onze directe klanten – partners eigenlijk – de financieel intermediairs weten ons te vinden (..) Relatief weinig Nederlanders gebruiken aandelenbezit als integraal onderdeel van hun vermogensplanning. Wij bieden producten die dat mogelijk maken. En geven onze intermediairs de kennis om die producten te verkopen. Wij besteden veel aandacht aan training, voorlichting en informatie en kunnen onze business partners ook commerciële ondersteuning bieden.”

c. de website van Labouchere waarop onder meer werd vermeld:

Labouchere Beleggingsproducten

Met de effectenleaseproducten van Labouchere Beleggingsproducten is het voor iedereen mogelijk kansrijk te beleggen. Ze zijn bestemd voor particulieren die op basis van hun financiële situatie deskundig advies van gespecialiseerde onafhankelijke financiële adviseurs wensen. (website per 11 mei 2000)
(..)
De producten worden uitsluitend aangeboden via onafhankelijke, gespecialiseerde financiële adviseurs in ons land. Hun kwaliteit en kennis van zaken garandeert hun cliënten een met zorg omkleed, persoonlijk advies. Door training en begeleiding van de financiële adviseurs houden de accountmanagers van Labouchere Beleggingsproducten hen uitvoerig op de hoogte van de verschillende producten.” (website per 11 mei 2000)
(..)
“Deze bieden wij u aan via gespecialiseerde, onafhankelijke financieel adviseurs. De zorgvuldig geselecteerde financieel intermediairs kunnen u in deze fiscaal ingewikkelde tijden deskundig begeleiden bij de snelle en efficiënte opbouw van een aantrekkelijk kapitaal. De financieel intermediairs van Bank Labouchere Beleggingsproducten worden continu getraind, ondersteund en op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen en producten.” (website per augustus 2001).

d. een artikel in het Financieel Dagblad van 22 april 1998, met als titel “Labouchere wil toetsing tussenpersonen”, waarin onder meer wordt vermeld:

“Bank Labouchere wil dat de tussenpersonen in de verzekeringswereld die hun deskundigheid bewezen hebben, gecertificeerd worden. Volgens directeur [naam 2: de directeur] ontstaan er geregeld problemen omdat ondeskundige tussenpersonen verkeerd advies geven.

Labouchere werkt met 300 tussenpersonen en wil dat graag uitbreiden. ‘We zouden graag met dubbel zoveel tussenpersonen werken, maar vinden de selectie moeilijk. Rijp en groen zit door elkaar’, aldus [naam 3: vice-voorzitter van Labouchere] , vice-voorzitter van Labouchere. (..)

Labouchere merkt dat de ‘financiele planners’, zoals de (assurantie)tussenpersonen tegenwoordig genoemd worden, steeds belangrijker worden. Op dit moment loopt 6% van de omzet van Labouchere via hen, voornamelijk de effectenlease-producten (zoals Legiolease). (..)

[naam 2: de directeur] zegt geen directe schade te lijden van de foute adviezen die de ondeskundige tussenpersonen soms geven. ‘Onze producten zijn duidelijk genoeg. Het is de klant die met de brokken zit omdat hij een soort product aangepraat krijgt dat niet goed aansluit op zijn persoonlijke situatie.’”

e. een interview met de heer [naam 1: De directeur Retail Services] (hierna: [naam 1: De directeur Retail Services] ), directeur van het bedrijfsonderdeel "Labouchere Beleggingsproducten" van Bank Labouchere, in een magazine van (tussenpersoon) Spaar Select waarin hij volgens de weergave in het interview heeft verklaard:

"Klanten kunnen dezelfde aandelenleaseproducten afnemen via zowel Legio Lease, als Bank Labouchere. Wat maakt het voor de klant voor verschil? [naam 1: De directeur Retail Services] : 'Als je als klant bij Legio Lease inhaakt op een productaanbod, dan vul je de bon of het aanvraagformulier in en stuurt het naar Leiden. Op dat moment krijg je geen advies en neem je wellicht impulsief een beslissing. (..) Voor hetzelfde geld kun je je financiële planning ook laten beoordelen en regelen door een bedrijf als Spaar Select. In die planning kan dan exact hetzelfde product worden opgenomen. Dat kost de klant niets meer dan rechtstreeks bij Legio Lease afsluiten. Maar het voordeel is natuurlijk wel, dat het product wordt afgesloten als onderdeel van een totaal financieel plan.'."
f. een intern memorandum van Dexia genaamd “De niet-aansprakelijkheid van Dexia voor gedragingen van tussenpersonen” waarin onder meer wordt vermeld:
“De werkzaamheden van de tussenpersoon zijn zelden beperkt gebleven tot de werkzaamheden van een cliëntenremisier in strikte zin, namelijk tot het aanbrengen van een cliënt bij een effecteninstelling. Doorgaans is er daarnaast sprake geweest van het geven van beleggingsadvies.
(..)
Hierboven is aan de orde geweest dat de tussenpersonen die hebben bemiddeld ter zake van effectenleaseproducten in de praktijk doorgaans ook hebben gefungeerd als beleggingsadviseur van de desbetreffende lessee.”
g. de website van Spaar Select waar onder de kop “Wie is Spaar Select?” onder meer werd vermeld:
Persoonlijke Financiële Planning
Spaar Select werkt volgens het concept van Persoonlijke Financiële Planning. Wat houdt dit nu precies in? Allereerst maakt de accountmanager een inventarisatie van uw huidige situatie. Vervolgens kijkt hij naar uw wensen. U kunt hierbij denken aan eerder stoppen met werken, aanvullend pensioen creëren, een eigen huis, de studie van de kinderen, een nieuwe auto of die droomreis die u altijd al wilde maken. Aan de hand van de inventarisatie van de persoonlijke situatie en de wensen, maakt de accountmanager een Persoonlijk Financieel Plan. Hierin omschrijft hij hoe u door de combinatie van verschillende spaarvormen van diverse banken en maatschappijen uw wensen kunt realiseren tegen zo laag mogelijke kosten.”
h. de website van (tussenpersoon) NBG Finance waar onder de kop “Werkwijze” onder meer werd vermeld:
“Ieder mens is uniek. Een goed doordacht financieel advies hoort daarom altijd persoonlijk maatwerk te zijn. Met die gedachte werd NBG Finance opgericht.
Persoonlijk contact
Een goed financieel plan begint al bij het maken van een afspraak voor een kennismakingsgesprek met uw persoonlijk financieel adviseur. Tijdens dit eerste gesprek brengen we zorgvuldig uw huidige financiële situatie in kaart. (..) Wat zijn uw wensen? Welk doel wilt u bereiken? En waarom? De antwoorden hierop inventariseren we volgens een zorgvuldige methode.
Advies op maat
Afhankelijk van uw doelstellingen stellen we een advies op maat samen. Hierin staat het door u gekozen product centraal. Of het nu een Hypotheekadvies, een Pensioenadvies of een ander Financieel advies betreft, ieder advies wordt gebaseerd op uw persoonlijke situatie en toekomstwensen.”

4.18.

Zoals uit het voorgaande blijkt en door Dexia tijdens het pleidooi nader is toegelicht, vond de afzet van haar effectenleaseproducten plaats hetzij rechtstreeks, hetzij met behulp van tussenpersonen. Alle tussenpersonen waarmee Dexia werkte, ontvingen een ATP-nummer van Dexia en werden in de rechtsverhouding “Dexia – tussenpersoon – afnemer” beschouwd als cliëntenremisiers en geacht zich als zodanig te hebben geregistreerd. Dexia stelt voorts, onder verwijzing naar een in het geding gebrachte cliëntenremisierovereenkomst, dat de inzet van de remisiers tot doel had de verkoop van haar producten te stimuleren. Na totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst ontving de betrokken cliëntenremisier met behulp van het ATP-nummer provisie. De citaten uit de vorige rechtsoverweging – merendeels afkomstig uit door Dexia zelf opgestelde stukken en/of uit monde van haar leidinggevenden opgetekende uitspraken – duiden erop dat Dexia parallel hieraan bewust gebruik maakte van de tussenpersonen als afzetkanaal juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien. Geheel in lijn hiermee worden de tussenpersonen in de cliëntenremisierovereenkomst nader aangeduid met “adviseur”, op haar website aangeduid als “onafhankelijke gespecialiseerde financiële adviseurs” en noemt directeur [naam 2: de directeur] van Dexia volgens het interview in het Financieel Dagblad de tussenpersonen “financiële planners”. Volgens de citaten werkte Dexia hiertoe (intensief) met de tussenpersonen samen, onder meer door ondersteuning middels trainingen.

4.19.

De cliëntenremisierovereenkomst en citaten erop dat Dexia bewust heeft bijgedragen aan het risico dat de tussenpersonen met wie zij werkte op basis van een cliëntenremisierovereenkomst, haar producten zouden adviseren. Dexia wist dan ook ten minste behoorde te weten dat de tussenpersonen bij het aan de man brengen van de effectenleaseovereenkomsten de afnemers regelmatig niet slechts algemeen over deze producten informeerden, maar de producten ook plaatsten in het kader van een specifiek op de desbetreffende afnemer toegesneden advies. Dat Dexia dit wist dan wel behoorde te weten blijkt niet alleen uit de van Dexia zelf afkomstige citaten, maar ook uit de citaten van de websites van Spaar Select (d.d. 11 mei 2000) en NBG Finance (d.d. 23 oktober 1999), waarmee Dexia (intensief) samenwerkte. Uit deze websites volgt dat deze tussenpersonen – hoewel cliëntenremisiers – zichzelf publiekelijk aanprezen met het opstellen van op de persoonlijke situatie toegesneden financiële adviezen. Dexia wist (dan wel behoorde te weten) hoe deze tussenpersonen werkten en had daarom moeten onderzoeken of ook in het geval van [geïntimeerde] de betrokken cliëntenremisier de grens van het toelaatbare had overschreden door hem met een positief waardeoordeel tot de aanschaf van een product van Dexia te bewegen. Het hof is van oordeel dat het onder deze omstandigheden op de weg van Dexia had gelegen om nadat [geïntimeerde] door de tussenpersoon was aangebracht zich ervan te vergewissen of hij door de tussenpersoon was geadviseerd en de op haar rustende verplichtingen als vergunninghoudende financiële instelling (alsnog) gestand te doen. Nu zij dat heeft nagelaten en het risico van verboden advisering door haar cliëntenremisier zich zoals hiervoor vastgesteld heeft verwezenlijkt, komt haar – behoudens bijzondere omstandigheden die zijn gesteld noch gebleken – geen beroep toe op de omstandigheid dat zij van de advisering geen wetenschap had en dit ook niet behoorde te weten.

4.20.

Nu Dexia de hiervoor weergegeven citaten en de conclusies die [geïntimeerde] hieraan verbindt onvoldoende gemotiveerd en concreet heeft tegengesproken, gaat het hof ervan uit dat Dexia in het onderhavige geval wist dan wel behoorde te weten dat Spaarkrediet Centrale bij de advisering aan [geïntimeerde] de grenzen van haar vrijstelling heeft overschreden. Dexia doet ter bestrijding van deze conclusie weliswaar een beroep op een groot aantal stukken die erop zouden kunnen duiden dat zij deze wetenschap niet had, maar hiermee heeft zij de hiervoor weergegeven citaten en conclusies onvoldoende gemotiveerd betwist, mede gelet op het aanzienlijk aantal stukken waar [geïntimeerde] zich op beroept (naast de stukken waaruit hierboven wordt geciteerd) en die juist wijzen op het tegendeel. Voormeld oordeel blijft dus overeind.

4.21.

Uit het bovenstaande volgt dat Spaarkrediet Centrale bij haar advisering ter zake de bewuste effectenleaseovereenkomst buiten haar vrijstelling is getreden, en dat Dexia dit wist dan wel behoorde te weten. Dexia voert in hoger beroep nog het verweer dat zij desondanks [geïntimeerde] als cliënt had mogen accepteren, omdat Spaarkrediet Centrale als cliëntenremisier was ingeschreven in het daarvoor bestemde register. Daargelaten dat [geïntimeerde] dit laatste betwist, laat dit naar het oordeel van het hof echter onverlet dat Spaarkrediet Centrale zonder over een vergunning te beschikken vergunningsplichtige diensten heeft verleend aan [geïntimeerde] en dat Dexia door [geïntimeerde] desondanks als cliënt te accepteren, in strijd met artikel 41 NR 1999 en dus onrechtmatig heeft gehandeld. Dexia voert voorts het verweer dat een tussenpersoon de grenzen van het toelaatbare enkel overschreed wanneer de vrijstelling regelmatig werd overschreden, en dat Dexia – nu dat zich in casu niet voordeed – dus niet onrechtmatig handelde door [geïntimeerde] als cliënt te accepteren. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat Spaarkrediet Centrale niet regelmatig buiten haar vrijstelling trad, brengt dit geen wijziging in het oordeel. De daartoe door Dexia geciteerde brief die zij op 10 augustus 2000 van de Stichting Toezicht Effectenverkeer zou hebben ontvangen is hiervoor – in het licht van de wettekst van artikel 41 NR 1999 – onvoldoende.

4.22.

Het voorgaande brengt mee dat het beroep van [geïntimeerde] op de billijkheidscorrectie slaagt. Het gevolg hiervan is dat de schade van [geïntimeerde] volledig door Dexia moet worden vergoed. De grieven II t/m IV van Dexia falen. Gelet op deze uitkomst bestaat voor [geïntimeerde] geen belang bij een bespreking van zijn (in incidenteel appel opgeworpen) andere grondslag voor het beroep op de billijkheidcorrectie, te weten dat Spaarkrediet Centrale zonder vergunning zou zijn opgetreden als orderremisier en dat Dexia door de order desondanks te aanvaarden in strijd met artikel 41 NR 1999 heeft gehandeld. Dit beroep blijft daarom onbesproken.


voordeelstoerekening

4.23.

Uit het voorgaande volgt dat Dexia schadeplichtig is uit hoofde van de overeenkomst. Ten aanzien van de overeenkomst heeft [geïntimeerde] recht op volledige vergoeding van de door hem betaalde restschuld en inleg (rente, aflossing en kosten). Voorafgaand aan de schadeverdeling met toepassing van artikel 6:101 BW dient echter eerst, zoals door Dexia in haar grief benoemd, het beroep van Dexia op voordeelstoerekening te worden beoordeeld.

4.24.

Op grond van voordeelstoerekening (artikel 6:100 BW) behoren genoten voordelen, voor zover dat redelijk is, mede in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van de te vergoeden schade. In de rechtspraak is beslist dat door de wederpartij ontvangen dividenden, fiscale voordelen en het batig saldo in mindering komen op de te vergoeden schade.10 De stelplicht en bewijslast van de aan het beroep op voordeelstoerekening ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden liggen in principe bij de aansprakelijke partij, in dit geval Dexia.

a) genoten voordelen uit de overeenkomst

4.25.

Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat [geïntimeerde] € 2.204,49 (zoals blijkt uit het in hoger beroep overgelegde meest recente financieel overzicht) aan dividend heeft ontvangen en een fiscaal voordeel wegens aftrekbare rente heeft genoten van € 1.770,- (vastgesteld door de kantonrechter in het vonnis van 20 september 2017, onder 2.15) en dat deze bedragen op de schade in mindering mogen worden gebracht.
4.26. In grief VI heeft Dexia betoogd dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, het door [geïntimeerde] genoten fiscaal voordeel wegens ingehouden dividendbelasting ook bij de schadevergoeding in aanmerking moet worden genomen. Dexia voert aan dat het door haar aan [geïntimeerde] verschuldigde dividend jaarlijks netto werd uitgekeerd. [geïntimeerde] kon vervolgens de door Dexia ingehouden (en afgedragen) dividendbelasting opgeven bij de Belastingdienst, waardoor hij minder inkomstenbelasting betaalde. Dat is aan te merken als een fiscaal voordeel. De grief van Dexia slaagt. [geïntimeerde] heeft de stelling van Dexia over de ingehouden dividendbelasting op het uitbetaalde dividend niet weersproken. Juist is ook dat de dividendbelasting, zowel in het systeem van de inkomstenbelasting dat gold vóór 2001, als in het huidige systeem, door de belastingwetgeving wordt gezien als een voorheffing. Daaruit vloeit voort dat [geïntimeerde] beschikt heeft over de mogelijkheid om de door Dexia ingehouden dividendbelasting in vooraftrek te brengen op zijn aangifte voor de inkomstenbelasting. Nu [geïntimeerde] niet (concreet) heeft aangevoerd dat hij dit fiscaal voordeel niet werkelijk heeft genoten dan wel dat hij gehouden kan zijn het fiscaal voordeel op enig moment te moeten terugbetalen, is de conclusie dat de ingehouden dividendbelasting (een bedrag van € 584,50) als fiscaal voordeel in mindering dient te strekken op het door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde bedrag. Het betoog van [geïntimeerde] in eerste aanleg dat het in aanmerking nemen van dit fiscaal voordeel niet redelijk zou zijn, verwerpt het hof met het oog op hiervoor genoemde rechtspraak, waarbij het hof ook betrekt dat dit voordeel – langs de weg van het genoten dividend – rechtstreeks voortvloeit uit de tussen partijen tot stand gekomen effectenleaseovereenkomsten, waarop de aansprakelijkheid van Dexia berust. Het totaal door [geïntimeerde] genoten fiscale voordeel bedraagt daarmee € 2.354,50.

b) betaalde inleg c.q. restschuld
Vaststaat dat [geïntimeerde] een bedrag van € 23.784,39 aan Dexia heeft voldaan uit hoofde van de overeenkomst. Dit bedrag is inclusief een betaling van € 10.943,- die [geïntimeerde] op 23 april 2004 aan Dexia heeft verricht, omdat een restschuld dreigde (zie ook productie 16 conclusie van antwoord in oppositie tevens houdende akte wijziging eis bijlage bij financieel overzicht voor het door [geïntimeerde] aan Dexia voldane bedrag en productie 14 bij die conclusie voor de herberekening van de restschuld). Uit de eindafrekening (productie A verzetdagvaarding) volgt dat [geïntimeerde] nadien een bedrag van € 908,62 van Dexia heeft ontvangen, blijkbaar omdat het tekort dat na verkoop ontstond lager was dan de betaling die [geïntimeerde] aan Dexia had verricht. Naast de betaling van de € 10.943,- heeft [geïntimeerde] geen extra betalingen aan Dexia verricht ten aanzien van de (toekomstige) restschuld. Aangezien [geïntimeerde] conform de billijkheidscorrectie alles wat hij aan Dexia heeft betaald terug dient te krijgen, gaat het hof uit van een totaal door [geïntimeerde] aan Dexia betaald bedrag van € 23.784,39.

c) wettelijke rente
Ten aanzien van de verschuldigde wettelijke rente geldt bij de voordeelstoerekening in effectenleasezaken zoals volgt uit het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2017 dat de wettelijke rente (slechts) in aanmerking dient te worden genomen over het nadeel dat na aftrek van de voordeelstoerekening resteert, telkens vanaf de datum waarop de resterende termijnen aan Dexia zijn voldaan tot aan de dag van algehele voldoening.11 Het hof zal het door Dexia op 25 mei 2004 reeds uitbetaalde bedrag van € 908,62 in mindering laten strekken op de schade en daar bij de berekening van de wettelijke rente rekening mee houden zoals hierna bij de slotsom opgenomen.

afrekenkoersen
4.29. Op grond van het voorgaande heeft [geïntimeerde] reeds recht op vergoeding van de betaalde inleg (rente, aflossing en kosten). Nu [geïntimeerde] met zijn incidentele grief over het hanteren van onjuiste afrekenkoersen hetzelfde beoogt, namelijk terugbetaling van hetgeen hij (teveel) heeft betaald, heeft hij ook geen belang meer bij de bespreking van deze grief. Aan beoordeling daarvan wordt dan ook niet toegekomen.

buitengerechtelijke kosten

4.30.

Met grief V richt Dexia zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij buitengerechtelijke kosten verschuldigd is. De grief slaagt. In de rechtspraak is beslist dat de door Leaseproces voor [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden – advisering over de kansen en mogelijkheden van een schikking of procedure in verband met de Duisenberg-regeling, de arresten van het gerechtshof Amsterdam en van de Hoge Raad uit 2009 en de relevante rechtspraak nadien en het opstellen en versturen van de opt-out verklaring, een sommatiebrief en brieven ter stuiting van de verjaring – niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen.12 Datzelfde geldt ook voor de overige door [geïntimeerde] genoemde werkzaamheden, nu ook dat werkzaamheden zijn die moeten worden verricht ter voorbereiding van een procedure en die derhalve onder artikel 6:96 lid 2 BW (oud) en artikel 241 Rv vallen. Mocht [geïntimeerde] in de toekomst (alsnog) redelijke kosten moeten maken om voldoening van zijn vordering te verkrijgen, dan staat het onderhavige arrest er niet in de weg dat Dexia die redelijke kosten aan [geïntimeerde] verschuldigd zal zijn.

5 De slotsom

terugbetalingsverplichting
5.1. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat de terugbetalingsverplichting van Dexia aan [geïntimeerde] bestaat uit:
- hetgeen door [geïntimeerde] uit hoofde van de overeenkomst aan Dexia is betaald: € 23.784,39;
verminderd met het door [geïntimeerde] genoten:
- dividend van € 2.204,49;
- fiscaal voordeel van € 2.354,50;

- het reeds door Dexia op 25 mei 2004 aan [geïntimeerde] uitgekeerde bedrag van € 908,62;

vermeerderd met
- de wettelijke rente over het nadeel dat na de voordeelstoerekening resteert, telkens vanaf het moment waarop een desbetreffend gedeelte daarvan aan Dexia is voldaan, tot aan de dag van algehele voldoening.

proceskostenveroordeling

in het principaal hoger beroep

5.2.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat het principaal hoger beroep slaagt voor zover dat ziet op het fiscaal voordeel en de buitengerechtelijke kosten. Dat betekent dat het bestreden vonnis op onderdelen niet kan worden bekrachtigd. De bestreden vonnissen zullen

voor de duidelijkheid volledig worden vernietigd. Het hof zal een gewijzigde verklaring voor recht uitspreken.

5.3.

Dexia zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en het principaal hoger beroep. Grief VII stuit hierop af. De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 313,-

- salaris advocaat € 3.222,- (3 punten (maximum) x appeltarief II).

5.4.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen en worden de nakosten toegewezen zoals hierna vermeld.

in het incidenteel hoger beroep

5.5.

Nu zoals hiervoor overwogen [geïntimeerde] geen belang heeft bij het incidenteel hoger beroep en [geïntimeerde] overigens hetgeen hij in het incidenteel hoger beroep heeft aangevoerd ook in het principaal hoger beroep had kunnen aanvoeren, wordt ter zake van het incidenteel hoger beroep geen proceskostenveroordeling uitgesproken.13

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 28 september 2016, 19 april 2017 en 20 september 2017 en doet opnieuw recht;


vernietigt het vonnis van 27 mei 2015, tussen partijen gewezen bij verstek onder

zaaknummer 4028315 CV EXPL 15-2384;


verklaart voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten effectenleaseovereenkomst met contractnummer [00000] niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is wanneer Dexia heeft voldaan:

  • -

    een bedrag van € 23.784,39, verminderd met het door [geïntimeerde] genoten dividend van
    € 2.204,49 en het fiscaal voordeel van € 2.354,50 en het reeds door Dexia aan [geïntimeerde] uitgekeerde bedrag van € 908,62;

  • -

    vermeerderd met de wettelijke rente over het nadeel dat na de voordeelstoerekening resteert, telkens vanaf de datum waarop een desbetreffende gedeelte van het resterend nadeel daadwerkelijk aan Dexia is voldaan, tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Dexia in de kosten van de eerste aanleg en het principaal hoger beroep, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 600,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het principaal hoger beroep vastgesteld op € 313,- voor griffierecht en op € 3.222,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Dexia in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval Dexia niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, L.R. van Harinxma thoe Slooten en W.C. Haasnoot en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.

1 Gerechtshof Amsterdam 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033.

2 Hoge Raad 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815.

3 Gerechtshof Amsterdam 1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK:4978, BK4981, BK4982 en BK4983.

4 Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003.

5 Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

6 Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

7 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10565 en 15 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9114.

8 Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.

9 Zie met name Hoge Raad 5 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.

10 Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164 en Hoge Raad 19 mei 1995, NJ 1995, 531.

11 Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164, onder 3.6.3.

12 Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

13 Hoge Raad 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:233, onder 3.8 en onder meer Hoge Raad 10 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1506, Hoge Raad 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713 en Hoge Raad 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9966.