Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:8954

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
21-002371-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen wapenbezit en ontslag van alle rechtsvervolging voor het bezit van vuurwerk. Veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Aanwezigheid strafvermeerderende factoren en schending redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002371-18

Uitspraak d.d.: 2 november 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 12 april 2018 met parketnummer 08-910000-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor het aan hem onder 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 265 dagen met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.R. Maarsingh, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 12 april 2018 is verdachte voor het aan hem onder 2 en 3 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 285 dagen met aftrek van voorarrest.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een iets andere bewezenverklaring en kwalificatie komt van het onder 2 ten laste gelegde en omdat het tot een andere beslissing komt ten aanzien van de strafbaarheid van het feit van het onder 3 primair ten laste gelegde. Ook komt het hof tot een andere strafoplegging. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep- ten laste gelegd dat:

2.
hij op of omstreeks 31 december 2015 te Deventer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool), merk: FN-Herstal 1922, kaliber 7.65 mm, en/of munitie van categorie III, te weten 9 patronen, (4 patronen van het merk Sellier & Bellot en 5 van het merk G.F.L.), kaliber 7.65 mm en/of 13 (kogel)patronen (4 patronen van het merk Sellier & Bellot en 9 van het merk G.F.L.), kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.

3. primair
hij op of omstreeks 31 december 2015, in de gemeente Deventer, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten:

- 5 - 5 shells (artikel 4" Ti Salute), althans een aantal shells (artikel 4" Ti Salute) en/of

- 3 flowerbeds, althans een aantal flowerbeds, voorhanden heeft gehad.

3. subsidiair
hij op of omstreeks 31 juli 2015, in de gemeente Deventer, al dan niet opzettelijk als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, professioneel vuurwerk, te weten:

- 5 shells (artikel 4" Ti Salute), althans een aantal shells (artikel 4" Ti Salute) en/of

- 3 flowerbeds, althans een aantal flowerbeds, voorhanden heeft gehad.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 3 heeft de advocaat-generaal ter zitting van het hof een vordering wijzing tenlastelegging gedaan en een subsidiair toegevoegd, kort gezegd overtreding van artikel 1.2.2, derde lid, van het Vuurwerkbesluit. Volgens de advocaat-generaal is in een eerdere uitspraak van dit hof van 22 oktober 2019 - waarin cassatie is ingesteld - geoordeeld dat het derde lid (zoals onder 3 subsidiair ten laste gelegd) van voornoemde bepaling als een systematische specialis geldt ten opzichte van het eerste lid (zoals onder 3 primair ten laste gelegd) van deze bepaling, voor zover sprake is van het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk door een particulier.

De advocaat-generaal heeft ter zitting het hof verzocht om bij de beraadslaging een beslissing te nemen op de verhouding tussen voornoemde bepalingen en – voor zover het hof na de beraadslaging niet besluit tot aanhouding van de zaak in verband met een in een andere zaak bij de Hoge Raad voorliggende rechtsvraag – gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof - net als ter terechtzitting in eerste aanleg bij de rechtbank - het onder 2 ten laste gelegde bekend. De raadsman heeft ter zitting van het hof bepleit om het onder 3 primair ten laste gelegde bewezen te verklaren.

Oordeel van het hof

Het hof acht het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het hof ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad in een soortgelijke zaak over de verhouding tussen het eerste en derde lid van artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde, heeft begaan, met dien verstande, dat:

2.
hij op of omstreeks 31 december 2015 te Deventer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool), merk: FN-Herstal 1922, kaliber 7.65 mm, en/of munitie van categorie III, te weten 9 patronen, (4 patronen van het merk Sellier & Bellot en 5 van het merk G.F.L.), kaliber 7.65 mm en/of op 31 december 2015 te Deventer munitie van categorie III, te weten 13 (kogel)patronen (4 patronen van het merk Sellier & Bellot en 9 van het merk G.F.L.), kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.

3.primair
hij op of omstreeks 31 december 2015, in de gemeente Deventer, al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten:

- 5 shells (artikel 4" Ti Salute), althans een aantal shells (artikel 4" Ti Salute) en/of

- 3 flowerbeds, althans een aantal flowerbeds, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde onder 2

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde onder 3 primair

De raadsman heeft verzocht om in lijn met de uitspraak van dit hof van 22 oktober 2019 het feit niet te kwalificeren en verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het onder 3 primair bewezenverklaarde is gebaseerd op artikel 1.2.2, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit. In het derde lid van dit artikel is het opslaan en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk ook verboden, maar dan voor een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis. Uit de Nota van Toelichting, behorend bij het besluit van 9 december 2009 tot wijziging van het Vuurwerkbesluit (Stb. 2009, 605), blijkt dat het eerste lid van deze bepaling zich richt tot de fabrikant, de importeur en de distributeur van professioneel vuurwerk, terwijl het derde lid ziet op particulieren. Het derde lid van dit artikel is gelet hierop, waar het gaat om het opslaan en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk, als systematische specialis ten opzichte van het eerste lid te beschouwen. Verdachte is een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, hij heeft het vuurwerk als particulier en voor eigen gebruik voorhanden gehad. Dat brengt gelet op artikel 55, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht mee dat alleen het derde lid van artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit als strafbepaling in aanmerking komt. Het bewezenverklaarde kan echter niet worden gekwalificeerd als een overtreding van het derde lid van artikel 1.2.2 Vuurwerkbesluit, nu het voor die overtreding vereiste bestanddeel 'als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis' niet in de tenlastelegging is opgenomen. Nu het hof het onder 3 primair tenlastegelegde bewezen acht komt het gelet op de redactie van de gewijzigde tenlastelegging in de primair – subsidiair variant, niet meer toe aan een beoordeling van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde. Nu het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert, dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar voor het onder 2 tenlastegelegde aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft het hof verzocht niet het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor het bezit van een vuurwapen over te nemen.

Dit gaat uit van drie maanden gevangenisstraf, hetgeen de advocaat-generaal naar hedendaagse maatstaven in de strafrechtspraak onrealistisch laag acht.

De raadsman heeft ter zitting van het hof bepleit om - kort gezegd - vanwege de ouderdom van het feit en de schending van de redelijke termijn in deze zaak aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en om - met het oog op het bedrijf en gezin van verdachte - verdachte te veroordelen tot de maximale taakstraf van 240 uren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft samen met een ander een geladen pistool met negen kogelpatronen voorhanden gehad en daarnaast had verdachte nog eens 13 patronen in zijn jaszak. Tijdens een politiecontrole heeft verdachte het pistool aan zijn bijrijder, medeverdachte, toegeschoven die het pistool vervolgens in zijn onderbroek heeft gestopt. Verder heeft verdachte dertien kogelpatronen in zijn jaszak voorhanden gehad. Het behoeft geen betoog dat het bezit van een pistool levensgevaarlijk kan zijn en dat het ongecontroleerde bezit ervan bij andere gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt.

Het hof overweegt dat de rechterlijke oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) weliswaar uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden bij het voorhanden hebben van een pistool, maar dat er in dit geval aanleiding bestaat om een aanzienlijk hogere straf op te leggen, omdat er verscheidene straf vermeerderende factoren aanwezig zijn waaraan het hof een zwaar gewicht toekent, te weten dat het vuurwapen geladen was, dat verdachte het vuurwapen in een voertuig rijdend op de openbare weg voorhanden had, dat wapen onder handbereik had en dat verdachte volgens zijn eigen verklaring die avond ook met het vuurwapen in de lucht heeft geschoten en naar zijn verklaring de overige 13 patronen waarschijnlijk ook wilde verschieten. De ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring dat verdachte het vuurwapen wilde gebruiken als een soort vuurwerk met oud en nieuw, acht het hof – indien al juist – niet van matigende betekenis voor de strafmaat. Het aanwezig hebben en afschieten van vuurwapens bij feestelijkheden is zeer ongewenst.

Het hof heeft gelet op een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 september 2020. Daaruit volgt dat verdachte voorafgaand aan de onderhavige feiten onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en dat ook art. 63 Sr van toepassing is.

In het voordeel van verdachte weegt zijn gezinssituatie en het feit dat hij een eigen schoonmaak- en glazenwassersbedrijf heeft en vier personen in dienst heeft.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. In eerste aanleg is de redelijke termijn met ongeveer 3,5 maand overschreden en in hoger beroep met ongeveer 6 maanden. Het hof ziet in de schending van de redelijke termijn aanleiding de door het hof overwogen gevangenisstraf van 230 dagen met iets meer dan 10 procent te verminderen.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van 200 dagen met aftrek van voorarrest passend en geboden is. Oplegging van een taakstraf acht het hof voor een dergelijk feit niet aan de orde.

Inbeslaggenomen voorwerpen

Het onder 2 en 3 primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot 13 stuks patronen (merk/type: G.F.L. en S.B., kaliber 7.65; beslagdossier, p. 268) en het in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 januari 2017 (zaaksdossier 5, p. 1540) vermelde vuurwerk. Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Verklaart het onder 3 primair bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 13 stuks patronen (merk/type G.F.L. en S.B., kaliber 7.65).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- Vuurwerk (zaaksdossier 5, p. 1540).

Aldus gewezen door

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. P.A.H. Lemaire en mr. M.J. Vos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.A. Hoekstra, griffier,

en op 2 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. P.A.H. Lemaire en mr. M.J. Vos zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 2 november 2020.

Tegenwoordig:

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. C.Y. Huang, advocaat-generaal,

mr. R. Hermans, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.