Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:8953

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
21-002283-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen wapenbezit. Veroordeling tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Aanwezigheid strafverminderende factoren en schending redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002283-18

Uitspraak d.d.: 2 november 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 12 april 2018 met parketnummer 08-910001-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor het aan hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 151 dagen met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. H.J. Voors, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 12 april 2018 is verdachte voor het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 171 dagen met aftrek van voorarrest.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 december 2015 te Deventer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool), merk: FN-Herstal 1922, kaliber 7.65 mm, en/of munitie van categorie III, te weten 9 patronen (4 patronen van het merk Sellier & Bellot en 5 van het merk G.F.L.), kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 31 december 2015 te Deventer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool), merk: FN-Herstal 1922, kaliber 7.65 mm, en/of munitie van categorie III, te weten 9 patronen (4 patronen van het merk Sellier & Bellot en 5 van het merk G.F.L.), kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en maatregel

De raadsman heeft ter zitting van het hof bepleit – kort en zakelijk weergegeven – om gelet op het aandeel van verdachte in deze zaak, de overschrijding van de redelijke termijn en de gezondheidssituatie van verdachte een taakstraf en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft samen met een ander in een voertuig op de openbare weg een geladen pistool voorhanden gehad. Het behoeft geen betoog dat het bezit van een pistool levensgevaarlijk kan zijn en dat het ongecontroleerde bezit van vuurwapens bij anderen gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt.

Daarbij overweegt het hof dat het aandeel van verdachte in het medeplegen wel van een andere orde was dan die van medeverdachte, omdat het hof ervan uitgaat dat, zoals verdachte en zijn medeverdachte hebben verklaard, verdachte geen wetenschap had van het vuurwapen tot het moment dat verdachte het vuurwapen kreeg toegeschoven van de medeverdachte met de bedoeling het te verstoppen in verband met de politiecontrole.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof gelet op de rechterlijke oriëntatiepunten bij het voorhanden hebben van een pistool. Daarbij is als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van 3 maanden vermeld.

Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 14 september 2020. Daaruit volgt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Strafmatigend is de gezondheidssituatie van verdachte, die naar zijn zeggen eind vorig jaar een hartaanval heeft gehad, daaraan is geopereerd en daarvan nog niet volledig is hersteld.

Met de raadsman is het hof voorts van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. In eerste aanleg is de redelijke termijn met ongeveer 3,5 maand overschreden en in hoger beroep met ongeveer 6 maanden. Vanwege de hierna op te leggen straf is het hof van oordeel dat daarmee de schending van de redelijke termijn voldoende is gecompenseerd.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

Inbeslaggenomen voorwerpen

Het ten laste gelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het op de beslaglijst vermelde pistool (Browning Patent 7.65 goednummer PL0600-2016000138-G1002486) en het daarin aangetroffen magazijn met negen kogelpatronen. Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Pistool (Browning Patent 7.65 goednummer PL0600-2016000138-G1002486) en het daarin aangetroffen magazijn met negen kogelpatronen.

Aldus gewezen door

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. P.A.H. Lemaire en mr. M.J. Vos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.A. Hoekstra, griffier,

en op 2 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 2 november 2020.

Tegenwoordig:

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. C.Y. Huang, advocaat-generaal,

mr. R. Hermans, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.