Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:8952

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
21-001788-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging met zware mishandeling bijzonder opsporingsambtenaar door 'Don't touch me, don't touch me. Corona Corona' in diens richting te schreeuwen en daarbij te kuchen.

Vrijspraak tzv mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001788-20

Uitspraak d.d.: 3 november 2020

VERSTEK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 27 mei 2020 met parketnummer 18-129713-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde, bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde en veroordeling ter zake van dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is door de politierechter ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek van voorarrest.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 13 mei 2020 te [plaats1] [benadeelde partij] , zijnde een BOA, werkzaam bij [werkgever] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, door op korte afstand van die [benadeelde partij]

- in en/of in de richting van het gezicht van die [benadeelde partij] te hoesten en/of te kuchen en/of

- hierbij te roepen/die [benadeelde partij] toe te voegen de woorden "Corona, Corona", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

1. subsidiair
hij op of omstreeks 13 mei 2020 te [plaats1] opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde partij] , zijnde BOA, werkzaam bij [werkgever] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd door op korte afstand van die [benadeelde partij]

- in en/of in de richting van het gezicht van die [benadeelde partij] te hoesten en/of te kuchen en/of

- hierbij te roepen/die [benadeelde partij] toe te voegen de woorden "Corona, Corona, you are a racist", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2.
hij op of omstreeks 13 mei 2020 te [plaats1] , een ambtenaar, [benadeelde partij] , zijnde een BOA, werkzaam bij [werkgever] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door op korte afstand van die [benadeelde partij]

- in en/of in de richting van het gezicht van die [benadeelde partij] te hoesten en/of te kuchen en/of

- hierbij te roepen/die [benadeelde partij] toe te voegen de woorden "Corona, Corona", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Een vorm van mishandeling, anders dan het veroorzaken van pijn en letsel, is ‘het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam’ (ECLI:NL:HR:2014:2677). Met betrekking tot feit 2 is hetgeen aangever heeft verklaard, te weten het in de richting van diens gezicht hoesten, in de gegeven omstandigheden, mede gezien de verklaringen van de getuige en verdachte, onvoldoende om te kunnen kwalificeren als een dergelijke vorm van mishandeling. Daarbij overweegt het hof dat de mate, aard en intensiteit van het beschreven hoesten of kuchen onvoldoende is komen vast te staan noch enige ten gevolge daarvan al dan niet ervaren gevoelens van onlust. Verdachte wordt daarom van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Van een bedreiging in strafrechtelijke zin is naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad sprake als de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden is gedaan dat bij de betrokkene de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. Deze redelijke vrees is objectief van aard en kan dus niet enkel worden bepaald door de bij het slachtoffer veroorzaakte angstgevoelens.

Het hof beziet het handelen van de verdachte in het licht van de omstandigheden zoals die aan de orde waren ten tijde van het handelen van de verdachte op 13 mei 2020.

Het hof stelt vast dat verdachte die dag hinderlijk aanwezig was op het stationsterrein in [plaats1] . Hij wilde zonder geldig vervoerbewijs de trein naar [plaats2] nemen, maar dat werd hem (telkens) belet door de bij het station werkzame bijzonder opsporingsambtenaren. Verdachte is uiteindelijk in een trein richting [plaats3] gestapt en heeft zich toen opgesloten in de toiletruimte van de trein. Aangever, werkzaam als buitengewoon opsporingsambtenaar bij vervoersbedrijf [werkgever] , heeft de deur van het toilet met een loper geopend en heeft samen met zijn collega's verdachte te kennen gegeven dat hij de trein moest verlaten. Toen verdachte daartoe geen aanstalten maakte, heeft aangever zijn hand op de rug van verdachte gelegd om hem alsnog ertoe te bewegen uit de toiletruimte te stappen. Verdachte bracht daarop zijn lichaam in de richting van aangever, met zijn gezicht richting het gezicht van de aangever op een afstand van 30-40 centimeter en een agressieve blik in zijn ogen. Hij schreeuwde vervolgens: 'Don't touch me, don't touch me.. Corona Corona' en kuchte de woorden 'Corona Corona' in de richting van aangever.

Het hof stelt ook vast dat de verdachte dit deed in een tijd waarin Nederland in een crisis verkeerde vanwege de uitbraak van het coronavirus en dat het sinds 15 maart 2020 als een feit van algemene bekendheid mag heten dat afstand bewaren vanwege het voorkomen van verspreiding van het corona-virus de norm is, aangezien besmetting volgens de huidige stand van de medische wetenschap veelal plaatsvindt door virussen die in de druppeltjes zitten die bij besmette personen vrijkomen bij het hoesten, niezen en spreken. Het betreft een virus dat uiterst besmettelijk is, waartegen (vooralsnog) geen vaccin of afdoende medicatie bestaat, waaraan op 13 mei 2020 reeds duizenden mensen in Nederland waren overleden en dat, vanwege de ernst van de aandoeningen die het bij besmette personen teweeg kon brengen, aanleiding was voor vele duizenden ziekenhuisopnames. Om te voorkomen dat mensen ziek worden van dit virus of, nog erger, daardoor komen te overlijden, heeft de overheid bijzondere en verstrekkende maatregelen opgelegd die ook op het moment van de aanhouding van verdachte algemeen bekend waren.

Door in die omstandigheden het tenlastegelegde gedrag te vertonen jegens aangever, namelijk door 'Don't touch me, don't touch me.. Corona Corona' in de richting van aangever te schreeuwen en daarbij de woorden 'Corona Corona' te kuchen, moet het gedrag van verdachte opgevat worden als een bedreiging aan het adres van aangever. Uit die gedragingen kon bij aangever de redelijke vrees ontstaan dat hij besmet zou raken met het coronavirus. Die vrees was reëel gelet op de aard en de omstandigheden waaronder de bedreiging was geschied.

Dat de verdachte opzet had op het aanjagen van die vrees, blijkt uit zijn eigen verklaring; hij wilde afstand creëren tussen hem en aangever. Deze wijze van handelen door verdachte geeft ten minste blijk van (voorwaardelijk) opzet van verdachte op de bedreiging.

Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De berichtgeving over de mogelijke gevolgen van het Covid-19 virus kan niemand zijn ontgaan. De volgende feiten kunnen daarom van algemene bekendheid worden geacht. Het virus heeft een pandemie veroorzaakt, met lockdowns en andere maatregelen ter voorkoming van de verdere verspreiding van het virus. In Nederland verbleven veel meer patiënten als gevolg van het virus op de intensive care dan de reguliere capaciteit van de ziekenhuizen toeliet. Deze patiënten verbleven doorgaans wekenlang met zeer ernstige klachten op de intensive care, waarna vaak nog een langdurig en intensief hersteltraject volgt. Gezien de aard van het door het virus ontstane letsel, dat niet alleen de functie van de longen maar ook van andere vitale organen ernstig kan aantasten met blijvende gevolgen, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het beperkt uitzicht op (volledig) herstel, is het hof van oordeel dat besmetting met dit coronavirus zonder meer zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben. In aanmerking genomen de verhouding tussen het aantal besmette personen en het aantal ziekenhuisopnames, dient de kans op het optreden van dit zwaar lichamelijk letsel in geval van besmetting als reëel te worden beschouwd. Alle feiten en omstandigheden bijeen bezien is naar het oordeel van het hof voldaan aan alle wettelijke en jurisprudentiële vereisten die gelden voor de bewezenverklaring van een wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke vrijheid van aangever als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.primair
hij op 13 mei 2020 te [plaats1] [benadeelde partij] , zijnde een BOA, werkzaam bij [werkgever] , heeft bedreigd met zware mishandeling, door op korte afstand van die [benadeelde partij]

- in de richting van het gezicht van die [benadeelde partij] te kuchen en

- hierbij te roepen/die [benadeelde partij] toe te voegen de woorden "Corona, Corona".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 13 mei 2020 een bijzonder opsporingsambtenaar bedreigd met zware mishandeling door 'Don't touch me, don't touch me. Corona Corona' in de richting van aangever te schreeuwen en daarbij te kuchen.

Het is volstrekt onacceptabel dat in een tijd waarin de samenleving zwaar onder druk staat door de heersende coronapandemie, iemand dergelijk bewust provocerend, bedreigend en ondermijnend gedrag vertoont. De maatschappij verdient bescherming tegen het gedrag van mensen zoals verdachte; dit geldt in het bijzonder mensen zoals aangever die beroepshalve de taak heeft de orde in de trein en op het station te bewaken. Een forse straf is derhalve op zijn plaats. Daarbij heeft het hof overwogen dat het doel van de straf in het geval van verdachte niet alleen vergelding is maar ook met name in het kader van de generale preventie het afgeven van een signaal aan hem én de samenleving dat het bewezenverklaarde gedrag absoluut niet wordt getolereerd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 september 2020 is verdachte niet eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk tot een straf of maatregel veroordeeld.

Hoewel het hof tot een beperktere bewezenverklaring komt dan de politierechter acht het hof, ook gezien de straffen die in soortgelijke gevallen zijn opgelegd, de door de politierechter opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. G.A. Versteeg, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. F. van der Maden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,

en op 3 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.