Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:8944

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-10-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
19/00008
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:5063, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Specifieke zorgkosten. Geen bewijsstukken overgelegd. Niet aan bewijslast voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-11-2020
V-N Vandaag 2020/2735
FutD 2020-3377
NTFR 2020/3355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/00008

uitspraakdatum: 27 oktober 2020

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 november 2018, nummer AWB 18/2444, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

1.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar afgewezen.

1.4.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. De Inspecteur heeft binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Belanghebbende heeft verklaard van dat recht geen gebruik te willen maken. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2015 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van een voordeel uit sparen en beleggen van € 3.427. Voorts is in de aangifte een aftrek specifieke zorgkosten van € 11.261 vermeld.

2.2.

Bij brief van 24 oktober 2017 verzoekt de Inspecteur aan belanghebbende uiterlijk 8 november 2017 nadere inlichtingen over de aftrek specifieke zorgkosten te verstrekken.

2.3.

Bij e-mailbericht van 3 november 2017 maakt belanghebbende bezwaar tegen het informatieverzoek en verzoekt hij de termijn met vier weken te verlengen.

2.4.

Bij e-mailbericht van 6 november 2017 verlengt de Inspecteur de termijn voor een reactie op de vragenbrief van 24 oktober 2017 tot 8 december 2017.

2.5.

Bij brief van 5 november 2017, door de Inspecteur ontvangen op 9 november 2017, schrijft belanghebbende aan de Inspecteur onder meer:

‘Het verzoek van de Inspecteur om informatie voldoet niet aan de eisen van Artikel 47 AWR en is daarom onzorgvuldig en kan om die reden vooralsnog niet worden beantwoord.

De Inspecteur, mag alleen informatie opvragen ex Artikel 47 AWR, in zoverre die relevant zou kunnen zijn voor de belastingheffing van betrokkene en in specifieke gevallen, van een ander. Betrokkene dient dus vooraf goed te bepalen of en zo ja, in hoeverre betrokkene verplicht is de gevraagde informatie te verstrekken. Het is de Inspecteur ex Artikel 47 AWR niet toegestaan om “fishing” exercities te ondernemen. Dit laatste lijkt het geval te zijn, daar betrokkene in 2015 geen Box 1 of Box 2 inkomsten had en diens Box 3 inkomsten onder de belasting vrije som vielen.

Dientengevolge zullen de opgevoerde aftrekposten geen relevantie hebben voor de belastingheffing van betrokkene in 2015. Indien dit voor de op 2015 volgende belastingheffingen wel het geval zou zijn, zal op dat moment uiteraard de gevraagde informatie worden verstrekt.’

2.6.

Op 15 november 2017 schrijft de Inspecteur aan belanghebbende dat hij een brief van 5 november 2017 heeft ontvangen, maar dat deze brief niet de gevraagde informatie bevat. De Inspecteur is daarom van plan van de aangifte af te wijken en geen aftrek specifieke zorgkosten toe te staan. Voorts verklaart hij het bezwaar tegen het informatieverzoek niet-ontvankelijk. De Inspecteur stelt belanghebbende in de gelegenheid voor 30 november 2017 te reageren op zijn voornemen af te wijken van de aangifte.

2.7.

Bij brief van 22 november 2017 schrijft belanghebbende aan de Inspecteur onder meer:

‘Dientengevolge zullen de opgevoerde aftrekposten geen relevantie hebben voor de belastingheffing van betrokkene in 2015, daar betrokkene in 2015 geen Box 1 of Box 2 inkomsten had en diens Box 3 inkomsten onder de belasting vrije som vielen.’

2.8.

Bij brief van 23 november 2017 schrijft belanghebbende aan de Inspecteur onder meer:

‘Het verstrekken van de gevraagde informatie kan volgens de tekst van art. 49 AWR op 3 manieren geschieden namelijk: mondeling of schriftelijk of op een andere wijze. De Inspecteur weigert om betrokkene te horen en ontneemt betrokkene daardoor de mogelijkheid om de gevraagde informatie mondeling over te dragen.’

2.9.

Bij brief van 6 december 2017 schrijft de Inspecteur dat hij de aanslag zal vaststellen zonder rekening te houden met persoonsgebonden aftrek.

2.10.

Met dagtekening 10 januari 2018 stelt de Inspecteur de aanslag vast, berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.427 en zonder aftrek van specifieke zorgkosten. Het maximum van de gecombineerde heffingskorting is verhoogd in verband met het inkomen van de partner van belanghebbende. De verschuldigde belasting is berekend op 30% van € 3.427, ofwel € 1.028. De algemene heffingskorting van € 2.203 is toegepast, zodat aan belanghebbende een teruggave van (€ 2.203 – € 1.028 =) € 1.175 is verleend.

2.11.

Bij brief van 2 januari 2018 maakt belanghebbende bezwaar tegen de aanslag. In de op 4 januari 2018 gedateerde aanvulling op het bezwaarschrift voert hij aan dat de Inspecteur ten onrechte heeft geweigerd de gevraagde informatie mondeling in ontvangst te nemen, dat de reactietermijn per brief van 15 november 2017 ten onrechte is verkort en dat in de brief van 6 december 2017 staat dat de aanslag ‘binnenkort’ te verwachten was, terwijl deze op 2 januari 2017 (kennelijk is bedoeld: 2018) nog niet was verzonden.

2.12.

Bij brief van 19 februari 2018 schrijft de Inspecteur voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen en wijst hij belanghebbende op het recht te worden gehoord.

2.13.

Op 23 februari 2018 geeft belanghebbende in een Reactieformulier bezwaar aan dat hij wil worden gehoord en dat hij is verhinderd op 8, 13, 15 maart, 7 juni en 7 september 2018.

2.14.

Bij brief van 6 maart 2018 nodigt de Inspecteur belanghebbende uit voor een hoorgesprek op 21 maart 2018.

2.15.

Bij brief van 14 maart 2018 schrijft belanghebbende de voorgestelde datum veel te kort dag te vinden. Hij stelt 20 april 2018 voor als alternatieve datum.

2.16.

Bij brief van 15 maart 2018 verzoekt de Inspecteur aan belanghebbende uiterlijk 14 maart 2018 nader informatie te verstrekken over de specifieke zorgkosten. Bij brief van 16 maart 2018 schrijft de Inspecteur dat de brief van 15 maart 2018 ten onrechte is verzonden en verzoekt hij belanghebbende deze brief als niet-verzonden te beschouwen.

2.17.

Bij brief van 21 maart 2018 nodigt de Inspecteur belanghebbende uit voor een hoorgesprek op 18 april 2018.

2.18.

Bij brief van 5 april 2018 schrijft belanghebbende dat zijn gemachtigde op 18 april 2018 verhinderd is en wijst hij erop dat hij in zijn brief van 14 maart 2018 als datum 20 april 2018 had voorgesteld.

2.19.

Bij brief van 10 april 2018 nodigt de Inspecteur belanghebbende uit voor een hoorgesprek op vrijdag 20 april 2018.

2.20.

Bij brief van 11 april 2018 schrijft belanghebbende dat hij niet op de uitnodiging voor een hoorgesprek zal ingaan omdat de onderhavige casus sub judice ligt.

2.21.

In de uitspraak op het bezwaarschrift van 25 april 2018 biedt de Inspecteur excuses aan dat belanghebbende niet in de aanslagfase is uitgenodigd om langs te komen om de gevraagde informatie over te leggen. Verder geeft de Inspecteur aan belanghebbende te hebben uitgenodigd voor hoorgesprekken op 21 maart 2018, 18 april 2018 en 20 april 2018. Belanghebbende heeft deze uitnodigingen afgeslagen. Omdat belanghebbende de specifieke zorgkosten niet heeft gespecificeerd en geen bewijsstukken heeft overgelegd, wijst de Inspecteur het bezwaar af.

3 Het geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag onzorgvuldig heeft gehandeld, of de Inspecteur de hoorplicht heeft geschonden en of de aanslag juist is vastgesteld.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende voert in zijn hogerberoepschrift (onder 1) aan dat de Rechtbank vaststelt dat in geschil is de vraag of de Inspecteur onzorgvuldig, onrechtmatig en onbehoorlijk heeft gehandeld, maar dat zij over die vraag geen oordeel geeft. Wel stelt de Rechtbank vast dat verwarring is ontstaan. Deze verwarring is volgens belanghebbende toe te schrijven aan de Inspecteur die daarmee onzorgvuldig heeft gehandeld. Verder stelt belanghebbende dat de Inspecteur onbehoorlijk handelt door ongemotiveerd de termijn waarbinnen informatie moet worden ingediend met acht dagen te vervroegen. Voordat de termijn van 8 december 2017 was verlopen schrijft de Inspecteur al dat de gevraagde informatie niet is verstrekt. Voorts stelt belanghebbende dat de Inspecteur onrechtmatig handelt door in zijn brief van 15 maart 2018 een uiterste termijn te stellen die op dat moment al was verlopen. Onder 5 wijst belanghebbende erop dat de Rechtbank niet alleen moet beoordelen of de Inspecteur de aanslag op juiste wijze en juiste gronden heeft vastgesteld, maar ook moet vaststellen of er sprake is van zorgvuldigheid, rechtmatigheid en behoorlijk openbaar bestuur.

4.2.

Nadat de Inspecteur op 24 oktober 2017 om informatie had gevraagd en de termijn daarvoor had verlengd tot 8 december 2017, ontving hij van belanghebbende de brief van 5 november 2017 waarin werd gereageerd op de brief van 24 oktober 2017. Kennelijk heeft de Inspecteur die brief beschouwd als antwoord op zijn informatieverzoek van 24 oktober 2017. Begrijpelijkerwijs is hij ervan uitgegaan dat belanghebbende niet verder wilde reageren op het informatieverzoek. Vervolgens heeft de Inspecteur zijn standpunt nader geformuleerd in zijn brief van 15 november 2017 en belanghebbende in de gelegenheid gesteld uiterlijk 30 november 2017 op dat nadere standpunt te reageren. Belanghebbende heeft de door de Inspecteur gevraagde informatie niet voor 30 november 2017 verstrekt en ook niet voor 8 december 2017 en ook niet nadien. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur niet onzorgvuldig gehandeld.

4.3.

De brief van de Inspecteur van 15 maart 2018 is kennelijk ten onrechte verzonden en de Inspecteur heeft belanghebbende daarvan de volgende dag op de hoogte gebracht. Een dergelijke vergissing kan gebeuren. Gelet op het snelle herstel is naar het oordeel van het Hof geen sprake van onzorgvuldig handelen.

4.4.

Belanghebbende voert (onder 2) aan dat de Inspecteur ook nadat op 4 januari 2018 beroep was aangetekend een hoorgesprek weigert. In beroep schrijft belanghebbende dat de Inspecteur pas na indiening van dat beroepschrift bereid was tot een hoorgesprek.

4.5.

Belanghebbende wijst erop (onder 4) dat de Rechtbank vaststelt dat de Inspecteur belanghebbende bij herhaling voor een hoorgesprek heeft uitgenodigd. Naar de mening van belanghebbende had de Rechtbank ook moeten vermelden dat de Inspecteur bij herhaling een hoorgesprek heeft geweigerd, dat verschillende ambtenaren verschillende opvattingen hadden en dat de Inspecteur pas nadat beroep was aangetekend bereid was om een hoorgesprek toe te staan. Belanghebbende acht dit te laat en onrechtmatig.

4.6.

Wat daar ook van zij, de Inspecteur heeft belanghebbende enkele malen uitgenodigd voor een hoorgesprek en belanghebbende is daar nimmer op ingegaan. Belanghebbende was daartoe ook niet verplicht, maar het is niet aan de Inspecteur te wijten dat geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Het Hof verwerpt deze klacht van belanghebbende.

4.7.

Belanghebbende vindt (onder 3) dat de Rechtbank ten onrechte haar oordeel in een andere zaak bij deze zaak betrekt. De andere zaak waarnaar belanghebbende verwijst heeft geleid tot een hogerberoepsprocedure waarin het Hof heden uitspraak doet onder nummer 19/00007. In deze uitspraak, die betrekking heeft op de procedure met nummer 19/00008, zal het Hof daarop verder niet ingaan.

4.8.

Belanghebbende verzoekt (elektronisch ingediend stuk van 28 augustus 2020) primair de aanslag vast te stellen in overeenstemming met de aangifte en subsidiair de zaak terug te wijzen naar de Inspecteur “zodat alsnog de benodigde bewijslast voor de gevraagde aftrekpost kan worden overlegd”. Belanghebbende verwijst naar een met de Inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Den Haag gesloten vaststellingsovereenkomst.

4.9.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte specifieke zorgkosten in aftrek gebracht. Op belanghebbende rust de last om te bewijzen dat recht op die aftrek bestaat. Ondanks herhaalde verzoeken van de Inspecteur heeft belanghebbende niets overgelegd om te voldoen aan die bewijslast. Hij heeft dat ook niet gedaan in de procedures voor de Rechtbank en voor het Hof. Het Hof kan daarom niet vaststellen dat recht bestaat op deze aftrek.

4.10.

Het Hof ziet ook geen aanleiding de zaak terug te wijzen naar de Inspecteur. Wel wijst het Hof erop dat belanghebbende tot vijf jaar na afloop van het belastingjaar – in dit geval dus uiterlijk 31 december 2020 – op grond van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 de inspecteur kan verzoeken de aanslag te verminderen. Ook bij een dergelijk verzoek rust op belanghebbende de last te bewijzen dat hij recht heeft op de gevraagde aftrekpost.

4.11.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd zodat het hoger beroep ook in zoverre ongegrond is.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. J.W. Keuning, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 27 oktober 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(A. Vellema)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 oktober 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.