Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:8891

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
21-001168-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van beschadigen tot een voorwaardelijke taakstraf van tien uren, subsidiair vijf dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 423,80 (vierhonderddrieëntwintig euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair één dag gijzeling. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001168-19

Uitspraak d.d.: 2 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 25 februari 2019 met parketnummer 18-210291-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het tenlastegelegde tot een taakstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft daarnaast gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk wordt toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 243,80 materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige deel niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsman, mr. H.A. de Boer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 25 februari 2019 de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van tien uren, subsidiair vijf dagen hechtenis. Daarnaast is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot € 243,80, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schade-vergoedingsmaatregel. Voor het overige deel van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 23 oktober 2018 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk twee, althans een, auto('s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde partij] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Verdachte ontkent. Er is geen, althans onvoldoende direct bewijs voorhanden dat verdachte de banden heeft lek gestoken met een mes dat verdachte bij zich droeg.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door de raadsman van verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hieronder zijn opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.1

Aangever [naam] , eigenaar van [benadeelde partij] , heeft op 23 oktober 2018 aangifte gedaan tegen verdachte wegens vernieling van twee van zijn bezorgauto’s, gepleegd op 23 oktober 2018, tussen 19:50 uur en 20:25 uur in [plaats] .2

Omstreeks 19:50 uur zag aangever twee personen bij een van zijn bezorgauto's staan. Bij het zien van aangever, renden de personen hard weg. Aangever is vervolgens naar het voertuig gelopen en constateerde dat er drie banden lek gestoken waren. Er waren kleine sneetjes zichtbaar in de banden links voor, links achter en rechts voor. Aangever is vervolgens teruggegaan naar de zaak en vertelde zijn werknemer, getuige [getuige] , wat er was gebeurd.

Tussen 20:15 uur en 20:30 uur zag de werknemer wederom opnieuw twee personen, ditmaal bij de andere bezorgauto staan. Hij riep aangever en de personen zetten het op een lopen. Aangever en werknemer zagen vervolgens dat ook van dit voertuig de band rechtsvoor lek gestoken was. Aangever is vervolgens achter de personen aangerend. Hij wist één persoon te achterhalen en heeft deze in de kraag gevat. Aangever herkende deze persoon als [verdachte] , de verdachte, een vrouw die hij kent. Hij hoorde haar zeggen dat zij de banden hadden lek gestoken. Aangever voelde in haar jaszak en trof daar een mes aan. Dit mes heeft aangever aan de politie meegegeven.

Getuige [getuige] , werknemer van aangever, heeft op 23 oktober 2018, in een proces-verbaal van verhoor getuige gerelateerd dat hij omstreeks 19.30 / 19.45 uur hoorde dat aangever tegen hem zei dat de banden van een bestelwagen van het bedrijf zojuist waren lek gestoken.3 Kort daarop zag hij dat er twee personen met een capuchon bij de bestelauto stonden. Vervolgens zijn aangever en getuige samen naar de bestelauto gelopen. Toen ze daar aan kwamen lopen, renden beide personen hard weg. Aangever en getuige [getuige] zijn er achteraan gelopen en konden één van die personen te pakken krijgen. Dit bleek een vrouw te zijn. [getuige] hoorde dat zij tegenover aangever toegaf de banden van de bestelauto van de zaak lek gestoken te hebben. Van de tweede bestelauto bleken ook een of meerdere banden lek gestoken te zijn.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] bij de verdachte een keukenmes aantroffen.4 [medeverdachte] , destijds als medeverdachte gehoord en een vriendin van de verdachte, heeft tijdens haar verhoor verklaard dat het mes uit hun gezamenlijke huis afkomstig was en de verdachte dit mes had meegenomen.5

Conclusie

Het hof ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of verdachte de auto’s heeft vernield, hetgeen de verdachte steeds heeft ontkend.

Voor zover de raadsman heeft willen bepleiten dat er, naast de ontkenning van verdachte, geen, althans onvoldoende direct bewijs voorhanden is dat verdachte de banden van de auto’s heeft vernield, verwerpt het hof dit verweer. Het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever en getuige [getuige] te twijfelen, nu zij direct na ontdekking van de beide incidenten, die zich kort na elkaar voordeden, twee personen hebben zien wegrennen, en na een korte achtervolging één van hen hebben weten staande te houden. Deze persoon bleek de verdachte te zijn. De verdachte heeft, volgens aangever en volgens getuige [getuige] , verklaard dat zij degene was die de banden heeft lek gestoken, hetgeen ook wordt ondersteund door het aangetroffen keukenmes in de jaszak van verdachte. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat verdachte de twee auto’s heeft vernield.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 23 oktober 2018 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk twee auto's die geheel aan [benadeelde partij] toebehoorden, heeft beschadigd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van het tenlastegelegde gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen uitdrukkelijk standpunt ingenomen omtrent de oplegging van straf.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich op 23 oktober 2018 schuldig gemaakt aan beschadiging van twee auto’s, door een aantal banden lek te steken met een mes. Dit gebrek aan respect voor de eigendommen van een ander heeft geleid tot schade en hinder.

Uit het verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 september 2020 blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Voor wat betreft de persoonlijke omstandigheden van verdachte neemt het hof in aanmerking al hetgeen de verdediging ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

Alles afwegend acht het hof de oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf van tien uren, subsidiair vijf dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Van aftrek van voorarrest is geen sprake aangezien de verdachte niet in voorarrest heeft gezeten doch op 23 oktober 2018 is opgehouden voor onderzoek en op 24 oktober, binnen de termijn betreffende het ophouden voor verhoor, is heengezonden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.787,25. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 243,80. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals door de politierechter is toegewezen, vermeerderd met het verzochte bedrag van € 180,- voor verlies aan gederfde inkomsten. Tegen dit verzochte bedrag is geen verweer gevoerd en dit bedrag komt het hof redelijk voor. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 10 (tien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 423,80 (vierhonderddrieëntwintig euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 423,80 (vierhonderddrieëntwintig euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 oktober 2018.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,

en op 2 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier, dossiernummer PL0100-2018280673, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte, d.d. 23 oktober 2018, pagina 13 e.v.

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 23 oktober 2018, pagina 18 e.v.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 23 oktober 2018, pagina 20.

5 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] , d.d. 24 oktober 2018, pagina 25 e.v.