Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:8452

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
200.255.293
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopig getuigenverhoor van oud-notaris in erfrechtzaak toegewezen. Geen verweer gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2020/332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.255.293/02

beschikking van 15 september 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker,

hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. V.O. Agterberg,

en:

[belanghebbende] ,

wonende te [A] ,

belanghebbende,

hierna: [belanghebbende] ,

procesvertegenwoordiger onttrokken, voorheen: mr. J.P. Sanchez Montoto.

1 Het procesverloop

1.1

[verzoeker] heeft een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Zijn verzoekschrift is ingekomen op 11 juni 2020.

1.2

De mondelinge behandeling heeft op 19 augustus 2020 plaatsgevonden. Daarbij zijn namens [verzoeker] verschenen mr. Agterberg en [B] . Namens [belanghebbende] is niemand verschenen.

2 De beoordeling

2.1

De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft tussen [belanghebbende] en [verzoeker] op 2 november 2018 een vonnis gewezen. [verzoeker] heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep is bij dit hof bekend onder zaaknummer 200.255.293/01 (hierna: de hoofdzaak).

2.2

[verzoeker] en [belanghebbende] zijn broer en zus en zijn de enige erfgenamen van hun overleden vader, [erflater] (hierna: [erflater] ). In het testament van [erflater] is onder B onder meer het volgende opgenomen:


“B. Legaten

1. Ik legateer aan mijn dochter (…) het bedrag gelijk aan de vordering(en) die mijn echtgenote en/of ik op haar hebben, uit welken hoofde dan ook, echter met een maximum van vijftig duizend euro (€ 50.000,00). Aan mijn zoon [verzoeker] legateer ik, als sublegaat ten laste van mijn dochter, al haar (certificaten van) aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [C] B.V. (…)

3. (…) Levering van de (certificaten van) aandelen dient plaats te vinden binnen zes maanden na mijn overlijden, dan wel, als die termijn korter is, binnen twee maanden na de vaststelling van de waarde.”

Verder is in het testament onder C onder meer de volgende passage opgenomen:

“3. De rechten die mijn dochter en haar afstammelingen aan dit testament ontlenen, zowel erfstelling als legaat, vervallen als mijn zoon te kennen heeft gegeven levering van de onder B1 bedoelde (certificaten) van aandelen te willen en die stukken niet tijdig eigendom zijn geworden van mijn zoon.”

De rechtbank heeft in het onder 2.1 genoemde vonnis voor recht verklaard dat de rechten die [belanghebbende] aan het testament ontleent, zowel wat betreft erfstelling als wat betreft legaat, niet zijn vervallen. De tegenvordering van [verzoeker] om voor recht te verklaren dat de rechten van [belanghebbende] en van haar afstammelingen zijn komen te vervallen, omdat de aandelen niet tijdig aan hem zijn geleverd, heeft de rechtbank afgewezen.

2.3

Een getuigenverhoor waarvoor de rechter geen opdracht heeft gegeven in een uitspraak maar dat op verzoek van een partij wordt gehouden, heet een voorlopig getuigenverhoor. De rechter kan bepalen dat een voorlopig getuigenverhoor moet plaatsvinden als aan bepaalde voorwaarden is voldaan (artikel 186 Rv). Dat zijn voorwaarden die te maken hebben met de inhoud van het verzoekschrift en met het doel van het voorlopig getuigenverhoor.

2.4

In het verzoekschrift moet de verzoeker duidelijk vermelden waar de zaak globaal om gaat, wat hij vordert of wil vorderen, welke feiten hij wil bewijzen en wie de getuigen zijn. Vooral wat hij wil bewijzen moet voldoende duidelijk zijn voor de betrokken rechter(s) en de wederpartij. Ook moet duidelijk genoeg zijn wat de getuigen daarover kunnen verklaren. Heel gedetailleerd hoeft de verzoeker niet te zijn, omdat een voorlopig getuigenverhoor nu juist dient om onduidelijkheden op te helderen.

2.5

Als aan deze eisen is voldaan, kan de rechter het verzoek toch afwijzen. Dat kan als de verzoeker misbruik maakt van de bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken (artikel 3:13 BW). Daarvan kan sprake kan zijn als het belang van de verzoeker veel minder zwaar weegt dan het belang van de wederpartij bij het niet houden van een voorlopig getuigenverhoor. Ook kan het verzoek in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde, bijvoorbeeld omdat het verzoek wordt gedaan op een moment dat het houden van een voorlopig getuigenverhoor een lopende procedure teveel doorkruist. De rechter kan ook oordelen dat er een andere, zwaarwegende reden is om het verzoek toch af te wijzen. Daarnaast kan van de bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor te vragen geen gebruik worden gemaakt, als de verzoeker onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoek (artikel 3:303 BW).

2.6

[verzoeker] wil oud-notaris mr. R.J. Holtman (hierna: Holtman) als getuige horen. Volgens [verzoeker] heeft [erflater] aan Holtman zijn laatste wil kenbaar gemaakt en heeft Holtman in opdracht van [erflater] het testament opgesteld. In het verzoekschrift heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij Holtman wil horen over de uitleg van het testament, vooral over de termijn van zes maanden (zie onder B.3 van het testament) en de passage over de onterving van [belanghebbende] (zie onder C.3 van het testament). [verzoeker] heeft erop gewezen dat [erflater] eerder een concepttestament heeft laten opmaken door Holtman, waarin de passage onder C.3 niet was opgenomen. Ter zitting is namens [verzoeker] verklaard dat hij en [belanghebbende] in augustus 2017 met Holtman hebben gesproken. [verzoeker] wil Holtman ook horen over wat tijdens dat gesprek is besproken. In de hoofdzaak zijn de memorie van grieven en de memorie van antwoord al genomen. Met het voorlopig getuigenverhoor wil [verzoeker] een extra accent op de hoofdzaak leggen. Naar het oordeel van het hof heeft [verzoeker] met het voorgaande voldoende toegelicht welke feiten hij wil bewijzen door Holtman te horen en dat hij voldoende belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor.

2.7

[belanghebbende] heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoeker] . Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] met het indienen van het verzoek misbruik van bevoegdheid maakt of dat het verzoek strijdig is met de eisen van een goede procesorde. Van andere zwaarwegende belangen die aan toewijzing van het verzoek in de weg zouden staan, is het hof verder niet gebleken.

2.8

Het hof zal het verzoek van [verzoeker] om een voorlopig getuigenverhoor toewijzen. Het hof ziet geen aanleiding om in deze verzoekschriftprocedure een proceskostenveroordeling uit te spreken.

3 De beslissing


Het hof:

wijst het verzoek van [verzoeker] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toe;

bepaalt dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden voor het horen van de getuige mr. R.J. Holtman, wonende te [woonplaats] aan de [adres]

, met betrekking tot de feiten zoals hiervoor onder 2.6 vermeld;

bepaalt dat het verhoor van voornoemde getuige zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J.H. Lieber, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen datum en tijdstip;

bepaalt dat partijen bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hun naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [verzoeker] de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuige in de maanden oktober 2020 tot en met februari 2021 zal opgeven uiterlijk drie weken na uitspraak van deze beschikking bij de griffie van het hof, waarna datum en tijdstip van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, H.L. Wattel en C.J.H.G. Bronzwaer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2020.