Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:8284

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2020
Datum publicatie
15-10-2020
Zaaknummer
200.279.446
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek gezamenlijk gezag 1:253c BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.279.446

(zaaknummer rechtbank Gelderland 349077)

beschikking van 13 oktober 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. Y. Eryilmaz te Arnhem,

en
[verweerder],

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. I.P. Rietveld te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 29 april 2019 en 11 maart 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 11 maart 2020 wordt hierna ‘de bestreden beschikking’ genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 11 juni 2020;

- het verweerschrift met producties;

- een journaalbericht van mr. Eryilmaz van 17 september 2020 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 23 september 2020 plaatsgevonden. Partijen waren in persoon aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) was [B] aanwezig.

3 De feiten

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016 in [A] . Tot de bestreden beschikking was de moeder van rechtswege alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de ouders gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] en een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders vastgesteld.

4.2

De moeder is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op het gezag.

De moeder verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, rechtsoverweging 4.1 uit de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vader betreffende het gezamenlijk gezag alsnog af te wijzen, kosten rechtens.

4.3

De vader voert verweer en verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2

Vast staat dat de vader een rol speelt in het leven van [de minderjarige] . Daarbij past dat de vader samen met de moeder is belast met het gezag over [de minderjarige] , in lijn met het uitgangspunt van de wetgever. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van de hiervoor onder a en b genoemde afwijzingsgronden.

De moeder voert aan dat de communicatie met de vader over gezagsbeslissingen bij haar leidt tot stress en paniekklachten, hetgeen weer zijn weerslag zou hebben op [de minderjarige] . De vader zou bovendien het proces bij hulpverleningsinstanties, waarbij zijn instemming en medewerking nodig is, vertragen. Ook zou hij zich nauwelijks houden aan afspraken rondom de omgang met [de minderjarige] . De vader ontkent dat hij te nemen beslissingen zou frustreren en de omgang uit desinteresse op zijn beloop zou laten.

Naar het oordeel van het hof is in elk geval niet gebleken dat deze klachten ook tot concrete problemen voor [de minderjarige] leiden, in die zin dat [de minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders of gezamenlijk gezag niet in haar belang moet worden geacht. Tegenover de ontkenning door de vader heeft de moeder haar stellingen bovendien onvoldoende onderbouwd dan wel aannemelijk gemaakt. De problemen rondom de communicatie tussen de ouders hebben er niet toe geleid dat beslissingen die over [de minderjarige] moesten worden genomen, zijn uitgebleven. Daar komt bij dat een afwijzing van het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag niet wegneemt dat de ouders met elkaar zullen moeten overleggen over [de minderjarige] , aangezien de uitvoering van een omgangsregeling (die dan in de plaats zou komen van een zorgregeling) tussen hen net zo goed overleg vergt. Tijdens de mondelinge behandeling is verder gebleken dat de ouders onlangs zijn gestart met een traject bij Moviera om te leren beter met elkaar te communiceren, zodat op dat punt mogelijk ook verbetering kan worden verwacht.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat de procedure het kind van partijen betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 11 maart 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, A. Smeeïng-van Hees en R. Krijger, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 13 oktober 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.