Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:8016

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-10-2020
Datum publicatie
16-10-2020
Zaaknummer
19/01187
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:3741, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling woning. Proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2467
Viditax (FutD), 21-10-2020
FutD 2020-3147
NTFR 2020/3044
V-N 2020/65.27.16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

nummer 19/01187

uitspraakdatum: 6 oktober 2020

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 juli 2019, nummer UTR 18/4940, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht te Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 68 te [Z] (hierna: de woning) per waardepeildatum 1 januari 2017 voor het jaar 2018 vastgesteld op € 289.000. Tegelijk met deze beschikking is door de heffingsambtenaar aan belanghebbende een aanslag in de onroerendezaakbelasting 2018 opgelegd.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de vastgestelde waarde van de woning verminderd tot € 275.000. De aanslag onroerendezaakbelasting 2018 is dienovereenkomstig verminderd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter (digitale) zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2020. Daarbij zijn verschenen en gehoord: belanghebbende en [A] als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [B] en [C] (taxateur) namens de heffingsambtenaar.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een in 1996 gebouwd appartement op de begane grond van een appartementencomplex met een oppervlakte van ongeveer 84 m2. De woning heeft een tuin met een oppervlakte van 45 m2.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning voor het jaar 2018, per waardepeildatum 1 januari 2017, bij beschikking van 28 februari 2018 vastgesteld op € 289.000.

2.3.

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde WOZ-waarde bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 275.000.

2.4.

Belanghebbende heeft bij het indienen van het bezwaarschrift verzocht om het toekennen van een proceskostenvergoeding. In de uitspraak op het bezwaar is het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen met als motivering dat niet aannemelijk is gemaakt dat door een derde beroepsmatig rechtsbijstand is verleend.

2.5.

In een brief van 15 januari 2019 van de gemachtigde, juridisch adviseur, aan de Rechtbank Midden-Nederland is toegelicht welke bijstand is verleend. De brief luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Op 9 april 2018 heeft de heer [X] bezwaar ingediend tegen de beschikking van BghU waarin de WOZ-waarde van zijn woning aan de [a-straat] 68 te [Z] voor 2018 werd vastgesteld.

Bij besluit van 20 november 2018 heeft BghU dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, maar afgezien van het toekennen van een proceskostenvergoeding. Volgens BghU zou de heer [X] namelijk niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat door een derde beroepsmatig rechtsbijstand is verleend.

Met deze brief wil ik u laten weten dat ik de heer [X] wel degelijk beroepsmatig rechtsbijstand heb verleend. Voorafgaand aan het indienen van zijn bezwaarschrift heb ik de heer [X] namelijk uitvoering gesproken en geadviseerd over dat bezwaarschrift. Dit heb ik gedaan vanuit mijn hoedanigheid als juridisch adviseur. Ook over het indienen van zijn beroepschrift heb ik hem geadviseerd. De heer [X] en ik zijn bovendien een vergoeding overeengekomen voor mijn werkzaamheden met betrekking tot deze kwestie.”

3 Geschil

3.1.

In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2017.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de waarde moet worden vastgesteld op € 227.000. De heffingsambtenaar bepleit daarentegen een waarde van € 275.000.

3.3.

Verder is in geschil of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor in de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. De heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag ontkennend.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend, welke waarde ingevolge het tweede lid van dat artikel moet worden gesteld op de waarde welke aan de onroerende zaak moet worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (waarde in het economische verkeer). Naar de bedoeling van de wetgever is deze waarde de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding.

4.2.

Nu belanghebbende de door de heffingsambtenaar (in bezwaar nader) vastgestelde waarde gemotiveerd betwist, rust op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat de aan de woning toegekende waarde niet te hoog is.

4.3.

De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix van 12 februari 2019 overgelegd ter onderbouwing van de vastgestelde waarde van € 275.000. De matrix bevat de gegevens van drie referentieobjecten. De referentieobjecten zijn de rond waardepeildatum verkochte in dezelfde straat als de woning gelegen appartementen [a-straat] 26, 30 en 50. De referentieobjecten hebben hetzelfde bouwjaar als de woning en hebben een vergelijkbaar gebruiksoppervlak. Anders dan de woning, liggen de referentieobjecten echter niet op de begane grond.

4.4.

Belanghebbende stelt dat de referentieobjecten niet voldoende vergelijkbaar zijn. Volgens belanghebbende heeft de woning achterstallig onderhoud wat de referentieobjecten met de nummers 30 en 50 niet hebben. Daarnaast stelt belanghebbende dat de woning een standaard afwerkingsniveau heeft terwijl de referentieobjecten een luxer afwerkingsniveau hebben, bijvoorbeeld een luxere keuken. Volgens belanghebbende had de waarde van de woning vergeleken moeten worden met de verkoopprijzen van de appartementen met huisnummers 40 en 44 in dezelfde straat die beter vergelijkbaar zijn wat betreft de staat van onderhoud en het afwerkingsniveau.

4.5.

Het appartement met huisnummer 44 is circa anderhalf jaar voor de waardepeildatum verkocht. Hierdoor is dit appartement naar het oordeel van het Hof in deze zaak niet geschikt als referentieobject te dienen. Het appartement met huisnummer 40 ligt in hetzelfde appartementencomplex, direct boven de woning en is rondom de waardepeildatum 1 januari 2017 verkocht voor een koopsom van € 237.500. Uit de taxatiematrix blijkt dat de met huisnummer 40, wat oppervlakte en woonlaag betreft, vergelijkbare referentieobjecten met huisnummer 26, 30 en 50 zijn verkocht voor koopsommen tussen € 262.000 en € 267.500. Volgens de heffingsambtenaar is het appartement met huisnummer 40 aan ‘de onderkant van de marktprijs’ verkocht. Dit standpunt is evenwel niet nader onderbouwd.

4.6.

Gelet op de gemotiveerde stelling van belanghebbende dat het appartement met huisnummer 40 qua staat van onderhoud en afwerkingsniveau beter vergelijkbaar is met de woning dan de in de taxatiematrix gebruikte referentieobjecten en het verschil in koopsommen rond de peildatum 1 januari 2017 tussen dit appartement en de referentieobjecten, is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat en op welke wijze, voldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentieobjecten. De heffingsambtenaar heeft de staat van onderhoud en het afwerkingsniveau van de referentieobjecten in vergelijking met de woning desgevraagd niet nader onderbouwd. Het vorenstaande leidt ertoe dat de koopsommen van de door de heffingsambtenaar aangedragen referentieobjecten, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende inzicht geven in de waarde van de onroerende zaak omstreeks de peildatum.

4.7.

Volgens belanghebbende zouden appartementen op de begane grond vanwege de inbraakgevoeligheid, lager gewaardeerd moeten worden dan vergelijkbare appartementen op hogere etages. De heffingsambtenaar heeft in de taxatiematrix een waarde toegekend aan de tuin van de woning en aan het balkon van de referentieobjecten. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar hiermee voldoende rekening gehouden met het verschil in woonlaag.

4.8.

Belanghebbende stelt dat de veertig woningen in hetzelfde appartementencomplex die – wat hun indeling betreft – per verdieping vergelijkbaar zijn alle een andere waardering hebben gekregen. Voor zover belanghebbende hiermee een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dit niet. Het Hof overweegt hiertoe als volgt. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan slagen indien sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen voortkomend uit een door de heffingsambtenaar gevoerd begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging dan wel indien de zogenoemde meerderheidsregel is geschonden. Nu belanghebbende niet heeft gesteld dat er ten minste twee (nagenoeg) identieke objecten zijn waaraan een lagere WOZ-waarde is toegekend dan aan de woning, kan een beroep op de meerderheidsregel reeds hierom niet slagen (vgl. HR 9 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9489). Ook is door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van de heffingsambtenaar, kort gezegd, sprake is van een begunstigend beleid of een handelen uit oogmerk van begunstiging.

4.9.

Belanghebbende stelt dat de waardestijging van de woning met meer dan 30 procent in vergelijking met de vorige waardepeildatum veel groter is dan de gemiddelde waardestijging van woningen in de gemeente Utrecht in dezelfde periode. Deze stelling kan belanghebbende niet baten, aangezien de waarde van de woning op grond van de Wet WOZ voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald.

4.10.

Gelet op het voorgaande is de heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.

4.11.

Het Hof acht belanghebbende evenmin geslaagd in de bewijslast van de door hem voorgestane waarde van € 227.000. Hij heeft geen taxatierapport ingebracht en de door hem voorgestane waarde is gebaseerd op het gemiddelde van de koopsommen van drie appartementen verminderd met een niet onderbouwd bedrag voor achterstallig onderhoud. Met hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd, heeft hij de door hem voorgestane waarde evenmin aannemelijk gemaakt.

4.12.

Nu de heffingsambtenaar en belanghebbende de door hen bepleite waarden niet aannemelijk hebben gemaakt, stelt het Hof ter beslechting van het geschil en met inachtneming van alle feiten, omstandigheden en argumenten die partijen naar voren hebben gebracht, de waarde van de woning op waardepeildatum 1 januari 2017 in goede justitie vast op € 265.000.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

Griffierecht en proceskosten

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor kosten in de bezwaarfase. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat de jurist die belanghebbende heeft bijgestaan geen kenbare proceshandelingen heeft verricht die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) in aanmerking komen voor vergoeding.

Hiermee heeft de Rechtbank een onjuist criterium aangelegd. De omstandigheid dat door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener geen proceshandelingen zijn verricht als bedoeld in de bijlage bij het Bpb, behoeft aan toekenning van een proceskostenvergoeding niet in de weg te staan. Op grond van artikel 2, lid 3, van het Bpb is het mogelijk dat een proceskostenvergoeding wordt verleend voor verleende rechtskundige bijstand bij het opstellen van een bezwaar- of beroepschrift (vgl. HR 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4171 en HR 11 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1772). Uit de gedingstukken en uit hetgeen ter zitting is besproken, moet worden geconcludeerd dat tussen belanghebbende en de adviseur geen duidelijke afspraak is gemaakt over de kosten van de werkzaamheden in de bezwaarfase (en ook de beroepsfase), dat er nog geen vergoeding voor deze werkzaamheden is betaald door belanghebbende en dat niet zeker is dat door belanghebbende een vergoeding aan de adviseur voor deze kosten zal moeten worden betaald. Gelet op het voorgaande, heeft de Rechtbank belanghebbende terecht voor de bezwaarfase geen vergoeding van proceskosten toegekend. Dit geldt evenzeer voor de beroepsfase.

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht in beroep en het hoger beroep te vergoeden.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Bpb vast op € 525 (1 punt voor bijwonen zitting  wegingsfactor 1  € 525) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

5 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraken van de heffingsambtenaar ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken op bezwaar,

– vermindert de vastgestelde waarde van de woning tot € 265.000,

– vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 525,

– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 46 verband met het beroep bij de Rechtbank en € 128 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.W. van Willigenburg, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. M.G.J.M. van Kempen, raadsheren, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2020.

Omdat de voorzitter verhinderd is deze uitspraak te ondertekenen, is dat gedaan door mr. Den Ouden.

De griffier is verhinderd de uitspraak Namens de voorzitter,

te ondertekenen

(J.W.J. de Kort) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 oktober 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.