Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7948

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
19/00375
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:675, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invorderingswet. Aansprakelijkstelling vennoot. Disculpatiegrond?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2020-2943
Viditax (FutD), 09-10-2020
NTFR 2020/2983
NLF 2020/2302 met annotatie van
NLF 2020/2302 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 19/00375

uitspraakdatum: 29 september 2020

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 februari 2019, nummer AWB 17/5477, ECLI:NL:RBGEL:2019:675, in het geding tussen belanghebbende en

de ontvanger van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Ontvanger)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij beschikking is belanghebbende aansprakelijk gesteld voor omzetbelasting, boete, rente en kosten die de vennootschap onder firma [A] (hierna: de vof) onbetaald had gelaten.

1.2.

De Ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Ontvanger vernietigd en het bedrag van de aansprakelijkstelling verminderd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2020 via videobellen (een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid). Ter zitting zijn met instemming van partijen gelijktijdig behandeld de zaken met nummers 19/00373 tot en met 19/00375. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is van 1 januari 2010 tot 31 december 2014 vennoot geweest van de vof. De vof is op 31 december 2014 ontbonden.

2.2.

Met dagtekening 27 november 2014 is aan de vof een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor het tijdvak 3e kwartaal 2014 van € 9.208 en is bij beschikking een boete opgelegd van € 364. Met dagtekening 25 februari 2016 is aan de vof een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 van € 15.298 en is bij beschikking € 730 heffingsrente in rekening gebracht. Deze naheffingsaanslagen, boete en heffingsrente zijn onbetaald gebleven.

2.3.

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek heeft het Openbaar Ministerie op 14 oktober 2014 beslag gelegd op alle bezittingen en gelden van de vennoten en van de vof.

2.4.

Bij beschikking van 15 november 2016 is belanghebbende op grond van artikel 33, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven belastingaanslagen, boete, heffingsrente, invorderingsrente en vervolgingskosten van de vof voor een totaalbedrag van € 27.484,71.

2.5.

Bij vonnis van 10 december 2018 van (de meervoudige strafkamer van) de rechtbank Gelderland is belanghebbende onder meer voor het als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaar. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.

2.6.

Namens belanghebbende is ter zitting van de Rechtbank verklaard:

‘De vennoten stellen zich op het standpunt dat de strafrechtelijke vonnissen onjuist zijn. Er is wel sprake geweest van wederrechtelijke activiteiten, maar die zijn strikt gescheiden gehouden van de activiteiten in de v.o.f.’

2.7.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de aansprakelijkheid verminderd tot € 27.212,71.

3 Het geschil

In hoger beroep is nog in geschil of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of het aan belanghebbende is te wijten dat de belasting niet is betaald.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn voor de Rechtbank gevoerde verweer dat het niet aan hem is te wijten dat de belasting niet is voldaan. Hij voert onbetwist aan dat de vof de belasting niet kon voldoen, doordat op 14 oktober 2014 beslag was gelegd op alle bezittingen en gelden van zowel de vennoten als de vof. De Rechtbank heeft volgens belanghebbende ten onrechte geoordeeld dat hij deze beslaglegging had moeten voorzien, aangezien hij zich schuldig maakte aan strafbare feiten. Ten eerste staat nog niet onherroepelijk vast dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, aangezien hoger beroep is ingesteld tegen het veroordelende vonnis van de Rechtbank. Ten tweede hield de vof zich ook bezig met activiteiten die destijds niet strafbaar waren en was zij tot de beslaglegging steeds in staat geweest de fiscale betalingsverplichtingen na te komen. Ten derde hield belanghebbende naast banktegoeden een bedrag in contanten aan om dit soort onverwachte situatie het hoofd te kunnen bieden, aldus belanghebbende.

4.2.

De Ontvanger is – onder verwijzing naar het strafvonnis van 10 december 2018 – van mening dat er sprake is van een continue vermenging van legale en illegale activiteiten. Gelet op de illegale activiteiten die belanghebbende kennelijk ontplooide, kan de beslaglegging door het Openbaar Ministerie niet als een (onvoorzienbare) bijzondere gebeurtenis worden gezien die hem disculpeert. Hij is van mening dat de beslaglegging door het Openbaar Ministerie een voorzienbare gebeurtenis betreft en appellant zich niet met recht kan disculperen. Gelet op de aard van de toenmalige bedrijfsactiviteiten gaat het immers niet alleen om de verkoop van benodigdheden voor de teelt van wiet. Het gaat hier (onder meer) om deelname aan een criminele organisatie waarvan het centrum van de activiteiten werd gevormd door de vennootschap onder firma en waarbinnen vele honderden kilo’s hennep en duizenden hennepstekken zijn verhandeld over een langere periode. Hij verwijst naar het strafvonnis van de Rechtbank.

4.3.

Op belanghebbende rust de last zijn stelling te bewijzen dat niet aan hem is te wijten dat de belasting niet is voldaan.

4.4.

Het Hof begrijpt het standpunt van de Ontvanger aldus dat hij stelt dat de vennoten zich door het verrichten van wederrechtelijke activiteiten hebben blootgesteld aan de reële kans dat beslag zou worden gelegd op de bezittingen van de vof en van de vennoten. Het is daarom aan belanghebbende te wijten dat de vof de belasting niet kon betalen.

4.5.

Het Hof onderschrijft het standpunt van de Ontvanger. De omstandigheid dat tegen het vonnis hoger beroep is aangetekend, staat daaraan niet in de weg, nu ter zitting van de Rechtbank is erkend dat de vennoten wederrechtelijke activiteiten hebben verricht. Ook acht het Hof niet van belang of de wederrechtelijke activiteiten in, door dan wel naast de vof zijn verricht. De wederrechtelijke activiteiten liggen immers in het verlengde van de bedrijfsvoering van de vof en zijn door de vennoten samen verricht. Het is juist dat de vof ook legale activiteiten verrichtte, maar dat doet niet eraan af dat de vof en/of de vennoten ook illegale activiteiten verrichtten. Dat de vof tot de beslaglegging, naar belanghebbende stelt, kon voldoen en ook voldeed aan haar fiscale verplichtingen, is niet van belang, aangezien het er juist om gaat dat zij dat na de beslaglegging niet meer kon. Het Hof acht niet van belang dat belanghebbende naast banktegoeden geld in contanten aanhield, aangezien redelijkerwijs voorzienbaar was dat beide in beslag zouden worden genomen.

4.6.

Belanghebbende voert aan dat het verdedigingsbeginsel is geschonden, omdat de Ontvanger hem – in strijd met artikel 49.2a van de Leidraad Invordering – niet vóór de aansprakelijkstelling op de hoogte had gesteld van zijn voornemen daartoe en hem ook niet in de gelegenheid heeft gesteld zich daarover uit te laten. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld had het verzenden van een vooraankondiging tot een andere afloop kunnen leiden. In dat geval kon er gezamenlijk om de tafel worden gezeten en naar een praktische oplossing worden gezocht, aldus belanghebbende.

4.7.

Ter zitting van het Hof heeft de Ontvanger – in tegenstelling tot zijn erkenning ter zitting van de Rechtbank – gesteld dat wel een vooraankondiging is verzonden. Hij heeft aangeboden een afschrift daarvan na de zitting toe te zenden. Het Hof houdt de Ontvanger aan zijn uitdrukkelijke erkenning ter zitting bij de Rechtbank dat geen vooraankondiging is verzonden. Het Hof wijst erop dat een verzonden vooraankondiging op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tot de op de zaak betrekking hebbende stukken zou hebben behoord en dus door de Ontvanger al eerder aan de Rechtbank en het Hof overgelegd had moeten worden. De goede procesorde verzet zich ertegen de Ontvanger in weerwil van het voorgaande alsnog gelegenheid te bieden bewijs te leveren van het bestaan van een dergelijke vooraankondiging. Daarom gaat het Hof voorbij aan het aanbod van de Ontvanger. Dit betekent dat voor dit geding vaststaat dat een vooraankondiging niet is verzonden. Het gevolg hiervan is dat de Ontvanger het verdedigingsbeginsel heeft geschonden.

4.8.

Het Hof constateert dat na de aansprakelijkstelling op 15 november 2016 bezwaar is gemaakt en op 25 juli 2017 een hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Op 1 september 2017 heeft de Ontvanger uitspraak gedaan op het bezwaar. Zowel in als na de bezwaarfase is ruim de tijd geweest voor overleg. Dit overleg heeft evenwel niet tot een andere beslissing van de Ontvanger geleid. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat anders zou zijn als het overleg al voor de aansprakelijkstelling had kunnen plaatsvinden. Daarom zal het Hof geen gevolgen verbinden aan de schending van het verdedigingsbeginsel.

4.9.

Belanghebbende wijst erop dat een van de naheffingsaanslagen is opgelegd na de ontbinding van de vof. Hij wijst erop dat toen al beslag was gelegd, waardoor de naheffing nimmer zou kunnen worden betaald. Dat wist de Belastingdienst. Het opleggen van de naheffingsaanslag is daarom in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder is sprake van misbruik van bevoegdheid (artikel 3:3 van de Awb).

4.10.

Het Hof is van oordeel dat het formaliseren van een materiële belastingschuld door het opleggen van een naheffingsaanslag geen misbruik van bevoegdheid is, ook al zou de Inspecteur weten dat de aangeslagene niet zal kunnen betalen.

4.11.

Aan de aansprakelijkstelling op grond van artikel 33 van de IW staat niet in de weg dat de vof ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag was ontbonden (HR 25 september 2020, nr. 18/02732, ECLI:NL:HR:2020:1502).

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspaak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. J.W. Keuning, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 29 september 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

De voorzitter,

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 september 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.