Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7945

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
18/01045
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:4127, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op betalingsonmacht griffierecht afgewezen. Griffierecht niet betaald. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in de toetsingsperiode in betalingsonmacht verkeerde. Hoger beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2020-2950
FutD 2020-2949
Viditax (FutD), 09-10-2020
NTFR 2020/2973
NLF 2020/2211 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 18/01045

uitspraakdatum: 29 september 2020

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 september 2018, nummer AWB 16/2622, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 30 september 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 21.733. Bij beschikkingen is belastingrente berekend van € 526 en is een boete opgelegd van € 10.866.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de uitspraak vernietigd voor zover het de boete betreft en de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn verminderd tot € 9.236.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Bij een aangetekend verzonden brief van 9 september 2019 is belanghebbende uitgenodigd voor de zitting van 29 oktober 2019.

1.6.

Belanghebbende heeft bij brief van 18 oktober 2019 om uitstel van de zitting van 29 oktober 2019 verzocht omdat zij de uitnodiging voor de zitting niet heeft ontvangen en zij bij brief van 6 augustus 2019 het Hof op de hoogte heeft gesteld van het gewijzigd correspondentieadres.

1.7.

Het Hof heeft de evenvermelde brief van 6 augustus 2019 niet ontvangen.

1.8.

Belanghebbende heeft bij brief van 24 oktober 2019 het verzoek om uitstel van de zitting van 29 oktober 2019 herhaald.

1.9.

Het Hof heeft belanghebbende bij brief van 30 oktober 2019 geschreven dat de zitting is uitgesteld en dat op de nog te houden zitting alleen het beroep op betalingsonmacht betreffende het griffierecht zal worden behandeld. In deze brief is ook gevraagd om toestemming om de zaak zonder zitting af te doen.

1.10.

Belanghebbende heeft bij brief van 4 december 2019 verzocht om een zitting te plannen.

1.11.

Belanghebbende heeft bij brief van 24 januari 2020 aan het Hof als verhinderdata de weken 18, 19, 21, 23 en 24 en de maanden maart en april doorgegeven.

1.12.

Het Hof heeft belanghebbende bij brief van 4 februari 2020 bericht dat de zitting op 16 juni 2020 (week 25) zal plaatsvinden en belanghebbende verzocht deze datum vrij te houden.

1.13.

Bij een aangetekend verzonden brief van 27 mei 2020 van de griffier van het Hof is belanghebbende uitgenodigd voor een digitale zitting op 16 juni 2020 om 10:00 uur. In deze brief is belanghebbende gevraagd om contactgegevens (telefoonnummer en e-mailadres) door te geven en is ook vermeld dat alleen het beroep op betalingsonmacht betreffende het griffierecht zal worden behandeld en dat de zaak inhoudelijk niet aan de orde zal komen.

1.14.

Belanghebbende heeft bij brief van eveneens 27 mei 2020, door het Hof op 2 juni 2020 ontvangen, verzocht om uitstel van de fysieke zitting op 16 juni 2020 wegens corona en de daaruit voortvloeiende reisbeperkingen.

1.15.

Het Hof heeft bij een aangetekend verzonden brief van 3 juni 2020 aan belanghebbende geschreven dat hiermee al rekening is gehouden en dat belanghebbende daarom bij brief van 27 mei 2020 is uitgenodigd voor een digitale zitting op 16 juni 2020 om 10.00 uur. In deze brief wordt belanghebbende verzocht, als dat nog niet zou zijn gedaan, de door het Hof in de brief van 27 mei 2020 gevraagde contactgegevens door te geven.

1.16.

De griffier van het Hof heeft op 9 juni 2020 geconstateerd dat het in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel genoemde 06-nummer niet werkt. De griffier heeft ook geen e-mailadres van belanghebbende kunnen achterhalen.

1.17.

Het Hof heeft in een brief van 18 juni 2020 aan belanghebbende geschreven dat in de zaak een digitale zitting is gepland op één van de volgende data, telkens om 10.00 uur: 1 september 2020, 16 september 2020, 22 september 2020 of 29 september 2020. Hierbij heeft het Hof verzocht om vóór 1 juli 2020 door te geven welke datum de voorkeur heeft en de contactgegevens (telefoonnummer en e-mailadres) door te geven en meegedeeld dat als belanghebbende niet tijdig reageert, de digitale zitting op 1 september 2020 om 10.00 uur zal plaatsvinden. Deze brief is zowel aangetekend als niet-aangetekend verzonden naar de adressen [a-straat 1] te [Z] en [b-straat 2] te [Z] .

1.18.

Belanghebbende heeft niet vóór 1 juli 2020 gereageerd.

1.19.

Bij aangetekend en niet-aangetekend verzonden brieven van 16 juli 2020 van de griffier van het Hof is belanghebbende uitgenodigd voor een digitale zitting op 1 september 2020 om 10.00 uur. In deze brief is belanghebbende gevraagd om contactgegevens (telefoonnummer en e-mailadres) door te geven en is ook vermeld dat alleen het beroep op betalingsonmacht betreffende het griffierecht zal worden behandeld en dat de zaak inhoudelijk niet aan de orde zal komen. Naast de in 1.17 vermelde adressen is deze uitnodiging ook (niet-aangetekend) verzonden aan de Stichting [A] , [c-straat 3] te [B] .

1.20.

Belanghebbende heeft bij brief van 21 juli 2020, door het Hof op 23 juli 2020 ontvangen, laten weten dat een digitale zitting geen optie is.

1.21.

Bij aangetekend en niet-aangetekend verzonden brieven van 27 juli 2020 heeft het Hof belanghebbende laten weten dat de digitale zitting op 1 september 2020 om 10.00 uur niet wordt uitgesteld, maar het Hof heeft wel als alternatief geboden een fysieke zitting op 31 augustus 2020 om 16.30 uur. Naast de in 1.17 vermelde adressen is deze uitnodiging ook (niet-aangetekend) verzonden aan de Stichting [A] , [c-straat 3] te [B] .

1.22.

Belanghebbende heeft bij brief van 31 juli 2020, door het Hof op 3 augustus 2020 ontvangen, laten weten dat een fysieke zitting op 31 augustus 2020 niet mogelijk is.

1.23.

Het Hof heeft belanghebbende bij brief van 11 augustus 2020 bericht dat een fysieke zitting op 1 september 2020 om 10.00 uur mogelijk is. Naast de in 1.17 vermelde adressen is deze uitnodiging ook (niet-aangetekend) verzonden aan de Stichting [A] , [c-straat 3] te [B] .

1.24.

Belanghebbende heeft bij brief van 17 augustus 2020 aan het Hof geschreven dat een zitting zonder afstemming onnavolgbaar is en stuurt documenten mee die de betalingsonmacht zouden ondersteunen en de inactiviteit zouden bevestigen.

1.25.

Namens belanghebbende is op de fysieke zitting van 1 september 2020 om 10.00 uur niemand verschenen.

2 Vaststaande feiten

2.1.

In de periode 17 september 2013 tot 29 oktober 2018 is enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende [C] N.V., gevestigd te [B] . Vanaf 29 oktober 2018 is enig aandeelhouder en bestuurder Stichting [A] , gevestigd te [B] .

2.2.

Bij brief van 21 december 2018 is belanghebbende gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van € 508. In deze brief is belanghebbende meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na dagtekening van de brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief vermelde bankrekening. Tevens is belanghebbende in deze brief erop gewezen dat bij niet of niet tijdige betaling het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2.3.

Bij brief van 28 december 2018 heeft belanghebbende een beroep gedaan op betalingsonmacht betreffende het griffierecht.

2.4.

Het Hof heeft bij brief van 28 januari 2019 aan belanghebbende geschreven:

“In bovenvermelde zaken heeft u namens de vennootschappen een beroep gedaan op betalingsonmacht. Zoals u in één van uw brieven van 16 januari 2019 terecht opmerkt, is geen sprake van een natuurlijk persoon maar van een rechtspersoon. Dit houdt in dat u zult moeten aantonen dat niet alleen de vennootschap niet in staat is griffierecht te voldoen, maar dat de vennootschap ook niet kan aankloppen bij direct betrokkenen, zoals vennoten, dochtervennootschappen of aandeelhouders.

Ik verzoek u bewijsstukken hieromtrent binnen binnen twee weken na verzending van deze brief te retourneren.

Indien het Hof niet op tijd van u gegevens ontvangt, dan wordt het beroep op betalingsonmacht afgewezen. U moet dan alsnog griffierecht betalen. Daarvoor ontvangt u dan nieuwe nota’s griffierecht.”

2.5.

Bij brief van 11 februari 2019 aan het Hof heeft belanghebbende geschreven:

“Inzake het beroep op betalingsonmacht treft u bijgaand aan:

• kopie aanslag VPB 2017;

• kopie aanslag VPB 2016;

• kopie aanslag VPB 2015.

De vennootschap maakt al jaren achtereen verlies en heeft op dit moment ook geen activiteiten meer. Het eigen vermogen is negatief alsmede zijn er (forse schulden).

De moedermaatschappij is de Stichting [A] . Zij heeft enkel twee deelnemingen. Te weten onderhavige vennootschap alsmede (‘zuster') [D] B.V. (zie separaat schrijven).”

Volgens de definitieve aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2015, 2016 en 2017 bedragen de verliezen respectievelijk € 14.178, € 2.401 en € 2.766. Per ultimo 2017 bedragen de niet verrekende verliezen in totaal € 26.122.

Bij deze brief is gevoegd een vermogensopstelling van Stichting [A] per 1 december 2016:

Activa

Liquide middelen 97,54

Totaal Activa 97,54

Passiva

Schulden aan derden Bawolar 56.467,34

Totaal vermogen van de stichting -/- 56.369,80

Algemeen

De stichting [E] is op 29 december 2015 opgericht als particulier fonds en is gevestigd te [F] , [B] .

Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Waarderingsgrondslagen

Een actief wordt op de balans/vermogensopstelling opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de toekomstige economische voordelen naar de onderneming zullen toevloeien en de waarde daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Een verplichting wordt in de balans/vermogensopstelling opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de afwikkeling daarvan gepaard zal gaan met een uitstroom van middelen en de omvang van het bedrag daarvan betrouwbaar kan worden vastegsteld.

Indien een transactie ertoe leidt dat nagenoeg alle of alle toekomstige economische voordelen en alle of nagenoeg alle risico's met betrekking tot het actief of verplichting aan een derde zijn overgedragen, wordt het actief of de verplichting niet lanegr in de balans/vermogensopstelling opgenomen vanaf het tijdstip waarop niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van waarschijnlijkheid en van de toekomstige economische voordelen en betrouwbaarheid van de bepaling van de waarde.

Grondslagen voor de resultaatbepaling

Baten worden in de winst- en verliesrekening opgenomen wanneer een vermeerdering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermeerdering van een actief of een vermindering van een verplichting heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Lasten worden verwerkt wanneer een vermindering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermindering van een actief of een vermeerdering van een verplichting heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastegsteld.

Toelichting op de vermogensopstelling

Activa

Liquide middelen betreft het in de kas aanwezige middelen

Passiva

De schulden betreft het saldo dat ten goede komt aan begunstigden van de stichting

Stichtings vermogen

Stand per 1 december 2016 -/- USD 56.369,80

Toelichting op staat van baten en lasten

Als beheerder is de stichting gerechtigd tot een vergoeding.

Werknemers

De stichting heeft geen personeel in dienst.

[F] , 16 december 2016”

2.6.

Bij brief van 20 februari 2019 heeft het Hof het volgende aan belanghebbende geschreven:

“U heeft namens de vennootschap een beroep gedaan op betalingsonmacht. Naar aanleiding daarvan heb ik u verzocht om gegevens over te leggen. De door u ingezonden gegevens geven onvoldoende inzicht in recente financiële gegevens van de belanghebbende en de direct bij haar betrokkenen. Daarom wijs ik uw beroep op betalingsonmacht af.

U ontvangt een (nieuwe) nota griffierecht. U wordt verzocht het griffierecht binnen de op de nota gestelde betalingstermijn te betalen. Het niet of niet op tijd betalen van het griffierecht kan ertoe leiden dat de rechter uw beroep niet-ontvankelijk verklaart. Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.”

2.7.

Bij brief van 22 februari 2019 is belanghebbende opnieuw gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van € 508. In deze brief is belanghebbende meegedeeld dat het verschuldigde bedrag uiterlijk 22 maart 2019 dient te zijn bijgeschreven op de in die brief vermelde bankrekening. Belanghebbende is in deze brief opnieuw er op gewezen dat bij niet of niet tijdige betaling het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2.8.

Bij aangetekende brief van 23 maart 2019 is belanghebbende erop gewezen dat uit de administratie blijkt dat belanghebbende nog niet heeft voldaan aan de uitnodiging om het griffierecht te betalen. In deze brief is belanghebbende meegedeeld dat het verschuldigde bedrag uiterlijk vier weken na dagtekening van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief vermelde bankrekening. Belanghebbende is er opnieuw op gewezen dat bij niet of niet tijdige betaling het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2.9.

Belanghebbende heeft bij brief van 21 maart 2019, bij het Hof binnengekomen op 26 maart 2019, als volgt gereageerd:

“Wij hebben met enige verbazing kennisgenomen van de inhoud van uw brief van 20 februari jl.

Hoe is het mogelijk dat de rechtbank op basis van dezelfde soort documentatie wel tot de conclusie komt dat er sprake is van betalingsonmacht en het gerechtshof niet?

NB: de info welke het gerechtshof heeft ontvangen is uiteraard geactualiseerd.

Wij hoepen spoedig van u te kunnen vernemen.”

2.10.

Bij aangetekende brief van 2 april 2019 heeft het Hof aan belanghebbende meegedeeld:

“In antwoord op uw brief van 21 maart 2019 deel ik u mee dat het Hof zelfstandig toetst of een verzoek op betalingsonmacht kan worden toegewezen of moet worden afgewezen Het Hof is daarbij niet gebonden aan het oordeel van de Rechtbank. In vervolg hierop deel ik u mee dat de eerdere afwijzing van kracht blijft.

Volledigheidshalve wijs ik u op de verdere gang van zaken. Op 23 maart 2019 is aan u een aangetekende nota griffierecht verzonden. In die nota is de betaaltermijn voor het griffierecht opgenomen. Als bijlage stuur ik u een kopie van de desbetreffende nota. Ik wijs u erop dat u daarna niet meer in de gelegenheid wordt gesteld om het griffierecht te betalen. Mocht het griffierecht niet of niet tijdig worden voldaan, wordt uw hogerberoepschrift bij uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Na de eventuele uitspraak waarbij het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, staat het u vrij om tegen die uitspraak in verzet te gaan. Tijdens de verzetsprocedure kunt u aan het Hof vragen een oordeel te vellen over de afwijzing van uw beroep op betalingsonmacht. Volledigheidshalve deel ik u nog mee dat voor indiening van verzet geen griffierecht is verschuldigd.”

2.11.

Bij brief van 18 april 2019 aan het Hof heeft belanghebbende aangegeven de reden/motivatie van de afwijzing te vernemen.

2.12.

Bij aangetekende brief van 30 april 2019 wordt door het Hof aan belanghebbende geschreven:

“In antwoord op uw brief van 18 april 2019 deel ik mee dat het Hof in de brief van 20 februari 2019 de reden van afwijzing aan u te kennen heeft gegeven. Ik verwijs dan ook naar de bedoelde brief, die ik volledigheidshalve als bijlage toevoeg.

Omdat de betaaltermijn, genoemd in de op 23 maart 2019 aan u verzonden nota inmiddels is verstreken, geef ik u hierbij een laatste termijn om alsnog het griffierecht te betalen. De uiterste betaaltermijn is nu maandag 13 mei 2019. Voor het betalen van het griffierecht kunt u gebruikmaken van de gegevens die op de nota van 23 maart 2019 staan vermeld. Ik wijs u erop dat als het griffierecht niet tijdig wordt voldaan, uw hogerberoepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard. Voor het overige verwijs ik naar hetgeen al is vermeld in de brief van 2 april 2019. Van de nota van 23 maart 2019 en de brief van 2 april 2019 voeg ik eveneens een afschrift toe.”

2.13.

Belanghebbende heeft bij brief van 10 mei 2019 aan het Hof geschreven:

“Naar aanleiding van uw brief van 30 april 2019 berichten wij het navolgende.

• 28 december 2018 is er namens de vennootschap een beroep gedaan op betalingsonmacht;

• 11 februari 2019 bent u conform verzoek volledig voorzien van alle gevraagde documenten;

• Op 20 februari 2019 volgt afwijzing op grond van onvoldoende inzicht;

• 21 maart 2019 melden wij dat de rechtbank op basis van dezelfde documentatie (voor het Hof

is deze geactualiseerd) wel tot de conclusie komt dat er sprake is van onmacht;

• 2 april 2019 volgt een antwoord dat het Hof zelfstandig toetst;

• Op 18 april 2019 verzoeken wij uw afwijzing te voorzien van een motivatie/reden;

• 30 april 2019 ontvangen wij als antwoord enkel kopie afschriften van eerdere correspondentie!

Het ongemotiveerd/ongefundeerd afwijzen van een recent wel geaccordeerd besluit betitelen wij als hoogst bijzonder alsmede volstrekt onnavolgbaar. Als gevolg van voornoemd handelen een mogelijke niet ontvankelijk verklaring van het hoger beroep is de Nederlandse rechtsgang onwaardig!

Vooralsnog vertrouwen wij erop dat u alsnog tot ‘inzicht' komt. Derhalve het indringende advies uw besluit ter heroverwegen!

Mocht u nog vragen hebben en/of een nadere toelichting wensen dan vernemen wij dat uiteraard

graag.”

2.14.

Het Hof heeft bij brief van 17 mei 2019 aan belanghebbende geschreven:

“Naar aanleiding van uw brief van 10 mei 2019 bericht ik u als volgt. De zetel van de behandelende kamer zal zich tijdens de mondelinge behandeling buigen over (de afwijzing van) het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht in het kader van “betalingsonmacht”. Uw wederpartij is hiervan eveneens in kennis gesteld. Kortheidshalve verwijs ik u naar bijgevoegde brief.”

3 Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag omzetbelasting en de boete terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

4 Beoordeling van het geschil

Uitnodiging/uitstel

4.1.

Bij aangetekend en niet-aangetekend verzonden brieven van 16 juli 2020 van de griffier van het Hof is belanghebbende uitgenodigd voor een digitale zitting op 1 september 2020 om 10.00 uur (zie 1.19). Nu belanghebbende daarop bij brief van 21 juli 2020 heeft gereageerd (zie 1.20), is zij op juiste wijze uitgenodigd voor de zitting van het Hof. Hierbij merkt het Hof nog op dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld te kiezen uit vier voorgestelde data (zie 1.17), maar belanghebbende hierop niet heeft gereageerd (zie 1.18). Wegens de corona-perikelen en gelet op artikel 2, lid 1, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, heeft het Hof er voor gekozen om in het geval van belanghebbende een digitale zitting te houden. Een digitale zitting biedt naar het oordeel van het Hof voldoende waarborgen voor rechtsbescherming, te meer omdat het in deze zitting alleen zal gaan om het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht betreffende het griffierecht en de wederpartij niet op de zitting zal verschijnen. Belanghebbende heeft bij genoemde brief van 21 juli 2020 laten weten dat een digitale zitting geen optie is. Daarop heeft het Hof belanghebbende de mogelijkheid geboden van een fysieke zitting op 31 augustus 2020 (zie 1.21) dan wel 1 september 2020 (zie 1.23).

4.2.

De eisen van een goede rechtspleging brengen mee dat ingeval een belanghebbende of zijn gemachtigde tijdig en onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of zich op de behandeling kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen latere dag te doen plaatsvinden, de rechter dat verzoek inwilligt tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan een zodanig uitstel in de weg staan (HR 24 mei 2019, nr. 18/04658, ECLI:NL:HR:2019:789).

4.3.

Bij de beslissing het verzoek om uitstel af te wijzen, heeft het Hof de belangen van belanghebbende afgewogen tegen de belangen van een goede procesorde, waaronder mede is begrepen het belang dat een geschil binnen redelijke termijn wordt beslecht. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen het gehele onder 1.5 tot en met 1.25 beschreven procesverloop. Hierbij merkt het Hof nog op dat belanghebbende moeilijk bereikbaar is. Zij heeft enkel een adres opgegeven en door het Hof aan dit adres gezonden brieven kwamen regelmatig retour. Bovendien acht het Hof het ongeloofwaardig dat in deze tijden noch belanghebbende noch de directeur noch de aandeelhouder over een telefoonnummer of een email-adres beschikt. Het Hof heeft zich naar zijn oordeel ruim voldoende ingespannen om tot een zitting te komen.

Ontvankelijkheid

4.4.

Ingevolge artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in samenhang met artikel 8:108 van de Awb wordt van de indiener van een hogerberoepschrift door de griffier een griffierecht geheven. De griffier deelt de indiener van het hogerberoepschrift mee welk griffierecht is verschuldigd. Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort. Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het hoger beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.5.

Het Hof heeft in de zaak van belanghebbende, een rechtspersoon, een griffierecht geheven van € 508. Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht betreffende het griffierecht gedaan. Ter onderbouwing hiervan heeft belanghebbende drie definitieve aanslagen vennootschapsbelasting (2015, 2016 en 2017) overgelegd en gesteld dat zij al jaren achtereen verliezen heeft geleden, geen activiteiten meer ontplooit en het eigen vermogen negatief is.

4.6.

De civiele kamer van de Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 januari 2012, nr. 11/03496, ECLI:NL:HR:2012:BV2020, geoordeeld dat de heffing van griffierechten weliswaar een beperking van het recht op toegang tot de rechter is, maar dat die niet onverenigbaar is met artikel 6 van het EVRM zolang daardoor het gegarandeerde recht niet in zijn kern wordt aangetast. Naar het oordeel van de civiele kamer van de Hoge Raad dient een rechtspersoon aannemelijk te maken dat hij niet in staat is, ook niet door bijdragen van belanghebbenden zoals aandeelhouders of bestuurders, het verschuldigde griffierecht te voldoen.

4.7.

Het Hof leidt uit het arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad van 11 januari 2019, nr. 18/01429, ECLI:NL:HR:2019:30, af dat een rechtspersoon beroep kan doen op betalingsonmacht betreffende het griffierecht. Hierbij dient naar het oordeel van het Hof niet alleen te worden gekeken naar het inkomen en vermogen van de rechtspersoon, maar ook naar de financiële positie van de daarbij betrokken natuurlijke personen en rechtspersonen, zoals de aandeelhouder(s) en de bestuurder(s). Verder is het Hof van oordeel dat de gestelde betalingsonmacht moet worden beoordeeld in de periode dat de griffier voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en eindigt op de uiterste betaaldatum (vgl. HR 20 februari 2015, nr. 14/05176, ECLI:NL:HR:2015:354 en HR 7 december 2018, nr. 18/00936, ECLI:NL:HR:2018:2266). De toetsingsperiode is in deze zaak 21 december 2018 tot en met 13 mei 2019.

4.8.

Aangezien belanghebbende geen inzicht heeft gegeven in haar financiële positie en de financiële positie van haar aandeelhouder(s) en de bestuurder(s) in de in 4.8 genoemde periode, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat zij in betalingsonmacht verkeerde. Aangezien niet redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 8:41, lid 6, van de Awb, komt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. A. van Dongen en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 29 september 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

J.W.J. de Kort

B.F.A. van Huijgevoort

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 september 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.