Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:791

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2020
Datum publicatie
07-02-2020
Zaaknummer
18/01215 en 18/01216
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:4739, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Eigenwoningregeling. Twee naast elkaar gelegen woningen, één eigen woning? Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Waardering woning waarvoor geen WOZ-waarde is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-02-2020
V-N Vandaag 2020/283
FutD 2020-0394
V-N 2020/22.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 18/01215 en 18/01216

uitspraakdatum: 28 januari 2020

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 november 2018, nummers AWB 17/3301 en 17/3303, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2012 en 2013 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de panden [a-straat] O.Z. 40 en 41. Hij woont in het pand op nummer 40.

2.2.

De grond onder deze panden is vervuild geraakt door lekkage van een ondergrondse tank in het naastgelegen garagebedrijf. Om de bodemvervuiling te saneren heeft een sanering plaatsgevonden. Blijkens een rapportage zijn de saneringsdoelen niet gehaald, maar is wel een stabiele eindsituatie bereikt.

2.3.

Belanghebbende heeft een offerte van € 8.975.000 overgelegd van Aannemersbedrijf [A] voor – kort weergegeven – het slopen van de opstallen (inclusief fundering) van [a-straat] O.Z. 40 en 41, het tot 6 meter onder het maaiveld uitgraven en het afvoeren van de restmaterialen en de grond.

2.4.

Belanghebbende heeft vele malen geprocedeerd over de vastgestelde WOZ-waarden, telkens tot de Hoge Raad aan toe. De WOZ-waarden van de panden was na die procedures als volgt:

nr. 40

nr. 41

2008

€ 326.250

€ 326.250

2009

€ 326.000

€ 326.000

2010

€ 326.000

€ 326.000

2011

€ 318.000

€ 318.000

2012

€ 277.000

€ 277.000

2013

€ 275.000

geen beschikking

2.5.

Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren aangifte voor de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen gedaan. Daarbij heeft hij het box 3-vermogen als volgt aangegeven:

2012

2013

Bank- en spaartegoeden

€ 4.147

€ 2.906

Aandelen, obligaties e.d.

€ 810.666

€ 906.280

Overige vorderingen en contant geld

€ 2.260.581

€ 2.357.683

Overige onroerende zaken ( [a-straat] O.Z. 41)

-/- € 4.197.800

-/- € 4.407.700

Totaal

-/- € 1.122.406

-/- € 1.140.831

2.6.

Bij het vaststellen van de in geding zijnde aanslagen heeft de Inspecteur de waarde van [a-straat] OZ 41 gesteld op hogere bedragen dan door belanghebbende aangegeven. De vastgestelde belastbare inkomens uit sparen en beleggen zijn € 127.487 en € 140.656.

3 Het geschil

3.1.

In geschil is de hoogte van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het pand [a-straat] O.Z. 41 behoort tot zijn eigen woning en daarom ten onrechte in box 3 in aanmerking is genomen.

3.3.

Belanghebbende voert aan dat voor het jaar 2013 geen Woz-beschikking is genomen voor het pand [a-straat] O.Z. 41 en dat de daaraan door de Inspecteur toegekende waarde van € 273.000 te hoog is.

3.4.

Belanghebbende stelt dat de heffing van box 3 bij hem leidt tot een individuele buitensporige last en daarom in strijd komt met het eigendomsrecht.

4 Beoordeling van het geschil

Eigen woning

4.1.

Belanghebbende stelt dat ook het pand 41 tot zijn eigen woning behoort. Daartoe voert hij het volgende aan. Beide objecten zijn als woning gebouwd. De panden zijn in elkaar getand gebouwd. Door de duo-bouwwijze is de samenhang voor derden zowel aan de voorgevel als aan de achtergevel waarneembaar. De afscheiding, een halfsteens, niet-dragend muurtje, is eenvoudig verwijderbaar. Er is een (afsluitbare) tussendeur tussen beide panden en ook via de tuin kan men zonder de openbare weg te betreden van het ene naar het andere pand gaan. Er is een gezamenlijke aansluiting op het gemeenteriool. De drinkwatertoevoer van nr. 41 is afgesloten en dat pand is voor de toevoer van drinkwater afhankelijk van de wateraansluiting van nr. 40. Er is één combipolis voor de opstalverzekering. Beide panden zijn langdurig volledig bij hem zelf in gebruik. Belanghebbende wijst erop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 november 2009, nr. 07/11917, ECLI:NL:HR:2009:BK3060 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2009:BK3060), oordeelde dat bij de beoordeling of sprake is van een samenstel als bedoeld in artikel 16, lid 1, letter d, Wet WOZ, de omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking dienen te worden genomen, waartoe ook omstandigheden kunnen behoren die voor derden niet waarneembaar zijn.

4.2.

De Inspecteur brengt daar tegenin dat sprake is van twee kadastrale objecten met afzonderlijk bewoonbare woningen, met beide een eigen voordeur, achterdeur, tuin en voorzieningen.

4.3.

Naar het oordeel van het Hof brengen de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden, afzonderlijk of in samenhang, niet mee dat de panden tezamen zijn eigen woning zijn of dat het pand 41 een aanhorigheid bij het pand 40 is. Dat de panden in elkaar getand als twee-onder-een-kap/duowoningen zijn gebouwd met een enkelsteensmuur als afscheiding en een afsluitbare tussendeur maakt niet dat zij gezamenlijk één woning zijn. Zij hebben immers beide hun eigen voordeur en waren vroeger als afzonderlijke woningen in gebruik. Ook een gezamenlijke riool- en wateraansluiting en opstalverzekering doen daaraan niet af. Die omstandigheden maken niet dat de panden bij elkaar horen en evenmin dat het ene pand dienstbaar is aan het andere (vgl. Hoge Raad 16 juli 1993, nr. 29.174, BNB 1993/281).

4.4.

Belanghebbende beroept zich op het gelijkheidsbeginsel en verwijst naar de situatie van notaris [B] . Over diens situatie heeft belanghebbende niet meer gesteld dan dat bij hem verschillende panden samen als eigen woning zijn aangemerkt. Daarmee wordt onvoldoende onderbouwd dat sprake is van gelijke situaties, zodat reeds daarom een beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

4.5.

Belanghebbende stelt dat hij met de Inspecteur had afgesproken dat hij mocht kiezen of het pand 41 tot zijn eigen woning zou behoren. De Inspecteur betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Wel is over deze mogelijkheid gesproken als onderdeel van een compromis, maar uiteindelijk is het niet tot een overeenkomst gekomen, aldus de Inspecteur.

4.6.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende tegenover de betwisting van de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Weliswaar is uit verschillende brieven af te leiden dat belanghebbende daarvan uitging, maar er zijn geen aanwijzingen dat de Inspecteur daarmee daadwerkelijk heeft ingestemd.

De waarde van nummer 41

4.7.

In hoger beroep is niet meer in geschil dat voor de woning op nummer 41 voor het jaar 2013 geen WOZ-waarde is vastgesteld. Dat brengt mee dat de waarde van de woning wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (artikel 5.20, tweede lid, van de Wet IB 2001).

4.8.

De Inspecteur, op wie de bewijslast rust, stelt dat die waarde € 273.000 bedraagt. Hij verwijst naar de voor andere jaren en de voor het pand nummer 40 vastgestelde Woz-waarden. Voorts wijst hij erop dat in het computersysteem van de Belastingdienst een waarde van € 273.000 staat vermeld. Hij gaat ervan uit dat de heffingsambtenaar van de gemeente Utrecht de waarde op dat bedrag heeft bepaald.

4.9.

Belanghebbende stelt dat de waarde van nummer 41 zwaar negatief, althans nihil is, omdat de bodem zodanig verontreinigd is dat het pand onverkoopbaar is. Belanghebbende wijst op de hiervoor vermelde offerte.

4.10.

Het Hof oordeelt als volgt. De Inspecteur heeft geen taxatierapport overgelegd. De enkele verwijzing naar voor andere jaren en voor het buurpand vastgestelde waarden is onvoldoende onderbouwing. De Inspecteur heeft de door hem gestelde waarde dan ook niet aannemelijk gemaakt.

4.11.

Belanghebbende heeft evenmin een taxatierapport overgelegd. Wat betreft het waardedrukkende effect van de aanwezige bodemvervuiling is naar het oordeel van het Hof niet van belang of de kosten van sanering op derden kunnen worden verhaald (vgl. HR 7 juni 2002, nr. 36.868, ECLI:NL:HR:2002:AE3835). Het waardedrukkende effect van de bodemvervuiling dient te worden gesteld op het bedrag dat op de peildatum door de veronderstelde koper zou worden gereserveerd voor de toekomstige verwijdering van de bodemvervuiling (vgl. HR 21 december 2001, nr. 36.314, ECLI:NL:HR:2001:AD7580). Uit de door belanghebbende overgelegde offerte is wel af te leiden dat de daarin beschreven werkzaamheden vele miljoenen euro’s kosten, maar niet dat deze werkzaamheden noodzakelijk zijn. Uit de offerte en hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd volgt dan ook niet dat de waarde nihil of negatief is. Ook belanghebbende heeft de door hem gestelde waarde niet aannemelijk gemaakt.

4.12.

Het Hof zal daarom de waarde in goede justitie vaststellen en zich, bij gebreke aan verdere informatie, vooral baseren op de hiervoor onder 2.4 vermelde vastgestelde Woz-waarden. Uit de tot het dossier behorende rechterlijke uitspraken daarover blijkt dat daarbij rekening is gehouden met de bodemverontreiniging, zij het in mindere mate dan belanghebbende verdedigt. Op grond van het voorgaande stelt het Hof de waarde van het pand nummer 41 voor het belastingjaar 2013 in goede justitie vast op € 270.000. Dat betekent dat de in geding zijnde aanslag voor 2013 te hoog is vastgesteld en dat het beroep en het hoger beroep dus gegrond zijn. De rendementsgrondslag moet met € 3.000 worden verminderd tot € 3.536.869 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen tot € 140.536.

Vermogensrendementsheffing box 3

4.13.

Belanghebbende stelt dat de heffing van box 3 bij hem leidt tot een individuele buitensporige last en daarom in strijd komt met het eigendomsrecht. Hij wijst daartoe op de in elk jaar door hem ontvangen dividenden en de over elk jaar ontvangen rente. Na aftrek van een gesteld bedrag aan kosten en 2,5% inflatieaftrek resteert voor 2012 € 91.747 en voor 2013 € 58.670. Het werkelijke rendement berekent belanghebbende op 2,88% resp. 1,67% van het door de Inspecteur vastgestelde vermogen. De verschuldigde box 3-heffing (€ 38.246 resp. € 42.196) is in verhouding tot die opbrengst zo aanzienlijk, dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Bovendien moet hij interen op zijn vermogen, aldus belanghebbende.

4.14.

De Inspecteur betwist dat belanghebbende de door hem gestelde kosten heeft gemaakt. Voorts betwist de Inspecteur dat rekening moet worden gehouden met de inflatie en dat belanghebbende moet interen op zijn vermogen. De Inspecteur wijst erop dat het vermogen van belanghebbende is gestegen, zodat van interen geen sprake is.

4.15.

In de onderhavige jaren is bij de heffing van box 3 op stelselniveau geen schending van artikel 1 EP waarin de rechter op stelselniveau kan voorzien. Van de zojuist bedoelde toets op stelselniveau moet worden onderscheiden de situatie waarin een belastingplichtige stelt in strijd met artikel 1 EP te worden geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als gevolg van de heffing van box 3. Bij de beoordeling van de vraag of een zodanige individuele en buitensporige last zich voordoet, moeten de gevolgen van de heffing van box 3 worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene (HR 14 juni 2019, nr. 17/05606, ECLI:NL:HR:2019:816).

4.16.

Het Hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. Belanghebbende heeft de door hem genoten opbrengsten berekend. Op deze berekening valt wel wat af te dingen. Zo is belanghebbende uitgegaan van een gesteld bedrag aan kosten en heeft hij die niet nader onderbouwd, zelfs niet nadat de Inspecteur dit bedrag had betwist. Voorts houdt belanghebbende ten onrechte rekening met een aftrek wegens inflatie (vgl. HR 14 juni 2019, nr. 17/05606, ECLI:NL:HR:2019:816, r.o. 2.6.2). Bovendien is in de berekening geen rekening gehouden met waardestijgingen en dalingen van de aandelen en met baten (eigen gebruik) en lasten van pand 41. Maar zelfs als daaraan wordt voorbijgegaan zijn de door belanghebbende berekende opbrengsten meer dan 1,2% van het box 3-vermogen (HR 14 juni 2019, nr. 17/05606, ECLI:NL:HR:2019:816, r.o. 2.10.2).

4.17.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij inteert op zijn vermogen. De Inspecteur heeft dat betwist onder verwijzing naar de vastgestelde vermogens. Belanghebbende heeft deze stelling niet aannemelijk gemaakt.

4.18.

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen is het Hof van oordeel dat de box 3-heffing voor belanghebbende geen individuele buitensporige last vormt.

Slotsom met betrekking tot de aanslag

4.19.

Slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar voor 2013 vernietigen en de aanslag voor 2013 verminderen.

Verzamelinkomen en belastingrente

4.20.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd zodat het hoger beroep in zoverre slechts gegrond is voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de aanslag betreft.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

Omdat het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, bepaalt het Hof dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.

5.2.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof zal een vergoeding toekennen voor de reiskosten die belanghebbende heeft moeten maken voor het bijwonen van de hoorzitting en van de zittingen van de Rechtbank en het Hof. Het Hof begroot die kosten op € 4, € 30 en € 30, dus in totaal €64.

5.3.

Belanghebbende verzoekt ook een vergoeding van verletkosten voor tijdverlies als gevolg van alle noodzakelijke activiteiten voor deze rechtsgangen.

5.4.

Er kan geen vergoeding voor verletkosten kan worden toegekend voor het tijdverzuim door het opstellen van processtukken of het lezen van stukken (HR 21 maart 2001, nr. 35.988, ECLI:NL:HR:2001:AB0636 en HR 21 september 2012, nr. 11/02928, ECLI:NL:HR:2012:BX7940). Wel is een vergoeding mogelijk voor de kosten van tijdsverzuim voor bijvoorbeeld het persoonlijk bijwonen van een zitting.

5.5.

De Inspecteur heeft betwist dat belanghebbende verletkosten heeft, omdat hij geen betaalde arbeid verricht. Daartegen heeft belanghebbende slechts aangevoerd dat dat zou kunnen veranderen. Daarmee heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij in verband met het bijwonen van de hoorzitting of de zittingen van Rechtbank of Hof inkomsten heeft gemist. Daarom is geen sprake van verletkosten.

5.6.

Belanghebbende heeft zich in verband met zijn verzoek om verletkosten nog beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft dit beroep niet nader onderbouwd. Daarom wijst het Hof dit beroep af.

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op 2012,

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op 2013,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur die betrekking heeft op 2013,

– vermindert de aanslag 2013 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 140.536,

– vermindert het verzamelinkomen dienovereenkomstig,

– vermindert de belastingrente dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 64,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 46 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 126 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. A. van Dongen en mr. J.A. Monsma, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 28 januari 2020 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(J.W.J. de Kort)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 januari 2020.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.