Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7856

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
200.236.637/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft de gemeente met afspraken rondom de herhuisvesting van een muziekexploitant onrechtmatig gehandeld jegens een andere muziekexploitant?

Oneerlijke concurrentie? Schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/392
BR 2021/6 met annotatie van E.W.J. de Groot, J.C.A. Houdijk, S. Elbertsen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.236.637/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 174791)

arrest van 29 september 2020

in de zaak van

[appellant] h.o.d.n. [A] ,

wonende te [B] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M. Schuring, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

de gemeente Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de gemeente,

advocaat: mr. J.J. Veldhuis, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van de procedure verwijst het hof naar het tussenarrest van

23 juli 2019. In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is op 28 november 2019 gehouden. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.2

[appellant] heeft vervolgens een akte na comparitie (met producties) genomen, waarop de gemeente bij antwoordakte heeft gereageerd. De gemeente heeft op haar beurt eveneens nog een akte na comparitie (met producties) genomen, waarop [appellant] ook bij antwoordakte heeft gereageerd.

1.3

Daarna zijn de (aanvullende) stukken overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten.

2.2

[appellant] exploiteert sinds september 2004 een eenmanszaak onder de naam [A] (hierna: [A] ) vanuit het pand aan de [a-straat] 23 te [B] . In dit pand verhuurt hij oefenruimtes aan bands en is een café/theater gevestigd. [appellant] richt zich op zogeheten ‘mainstream muzikanten’.

2.3

Stichting Het Viadukt (hierna: het Viadukt) is opgericht op 28 december 1988 en verhuurt - volgens haar statutaire doel, neergelegd in artikel 2 sub a van haar statuten - zoveel mogelijk oefenruimte voor muziek voor een zo laag mogelijke prijs. Het Viadukt heeft geen winstoogmerk. Het Viadukt richt zich met name op bands in het alternatieve muziekcircuit, de zogeheten ‘underground scene’.

2.4

Vanaf haar oprichting was het Viadukt gevestigd in een pand aan de H.L. Wichersstraat 2 te Groningen. Dit pand was eigendom van de gemeente. In het pand bevonden zich 17 oefenruimtes, een podium en een bar. Het pand was gesitueerd onder het viaduct van de zuidelijke ringweg. De gemeente verhuurde het pand aan het Viadukt voor een symbolisch bedrag van € 1,- per jaar.

2.5

Op 29 september 2014 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: Rijkswaterstaat) besloten tot de renovatie/hernieuwde aanleg van de zuidelijke ringweg te Groningen. Ten behoeve van dit project dienden diverse panden te worden onteigend of minnelijk te worden verworven, waaronder het pand waarin het Viadukt was gevestigd.

In dit kader is tussen de gemeente en de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) een koopovereenkomst ‘minnelijke aankoop van registergoed ter voorkoming van gerechtelijke onteigening ten behoeve van de reconstructie van de zuidelijke ringweg Groningen met bijkomende werken in de gemeente Groningen’ gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat de koop geschiedt door een schadeloosstelling van € 1.334.000,-, bestaande uit (a) de waarde van de onroerende zaak van € 597.500,- en (b) bijkomende kosten van € 736.500,-. Met deze koopovereenkomst heeft de gemeente zich verplicht om het pand aan de H.L. Wichersstraat 2 te Groningen uiterlijk op 31 december 2016 aan Rijkswaterstaat op te leveren.

2.6

In verband met deze koopovereenkomst is de gemeente in de loop van 2014 in gesprek gegaan met het Viadukt en is zij op zoek gegaan naar een vervangende locatie voor het Viadukt.

2.7

In de gemeenteraadsvergadering van 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad het “Besluit tot vaststelling economische activiteiten in het kader van het algemeen belang” als bedoeld in artikel 25h, vijfde lid, van de Mededingingswet genomen, met als datum van inwerkingtreding 1 juli 2014. In dat kader is onder meer de verhuur van onroerend goed door de gemeente als een zodanige economische activiteit aangemerkt.

2.8

Naar aanleiding van berichtgeving in de media over de herhuisvesting van het Viadukt, heeft [appellant] de gemeente bij brieven van 20 oktober 2014 en 5 februari 2015 om opheldering gevraagd over de positie van het Viadukt. Tevens hebben op 12 november 2014

en 4 februari 2015 gesprekken tussen [appellant] en de gemeente plaatsgevonden. Vervolgens heeft de gemeente [appellant] bij brief van 8 april 2015 (onder meer) het volgende medegedeeld:

“In uw brieven van 20 oktober 2014 en 5 februari 2015 heeft u uw bezorgdheid geuit over de situatie omtrent het oefencentrum Stichting Het Viadukt.

Wij hebben kennis genomen van de vragen en opmerkingen die u heeft over:

1. de concurrentiepositie van [A] ( [A] ) ten opzichte van Het Viadukt;

2. de financiële gevolgen van de herhuisvesting.

Met deze brief bevestigen wij u ons standpunt over de herhuisvesting van Het Viadukt, zoals deze op 12 november 2014 en 4 februari 2015 uitgebreid met u is besproken en gaan wij nader in op deze twee hierboven genoemde punten.

Het Viadukt.

Wij vinden Het Viadukt een waardevolle voorziening in de culturele popketen van de stad Groningen als het gaat om de functies presentatie en talentontwikkeling. Het Viadukt voorziet in een basisbehoefte aan oefen- en presentatieruimte voor beginnende en gevorderde bands in het alternatieve muziekcircuit. En is op deze manier aanvullend op het bestaande aanbod dat onder meer ook door het [A] wordt verzorgd.

Het Viadukt is vanaf 1988 ‘om niet’ gehuisvest in het gemeentelijke pand aan de H.L. Wichersstraat en maakt momenteel gebruik van één door de gemeente gesubsidieerde maatschappelijke baan.

Als gevolg van de aanleg van de zuidelijke ringweg moet Het Viadukt op termijn op zoek naar nieuwe huisvesting. Vanuit onze rol als verhuurder en vanuit onze culturele doelstellingen voelen wij ons verantwoordelijk voor het herhuisvesten van Het Viadukt en voor de functie die zij binnen de cultuursector vervullen.

De precieze invulling van de herhuisvesting is afhankelijk van de nieuwe plek, het financiële kader en de medewerking van Het Viadukt. De voorwaarden waaronder dit kan plaatsvinden zijn nog niet vastgelegd en voor de herhuisvesting zijn meerdere locaties en scenario’s denkbaar.

Concurrentiepositie

Wij begrijpen uw standpunt over het creëren van een gelijk speelveld voor alle partijen. Ons college streeft naar een herhuisvesting van Het Viadukt op eenzelfde voorzieningenniveau als voorheen. Bovendien richten [A] en het Viadukt zich op verschillende doelgroepen, die eerder aanvullend op elkaar zijn dan concurrerend. U heeft in een eerder overleg aangegeven dat beide instellingen elkaar heel goed zouden kunnen versterken en dat er veel te zeggen is voor nadere samenwerking. Dit onderschrijven wij. (...)”

2.9

Met onderdeel (a) van de hiervoor genoemde schadeloosstelling heeft de gemeente in 2016 een schoolgebouw aan de Euvelgunnerweg 17 te Groningen aangekocht, met het doel dat het Viadukt zich daar kon vestigen. Om het pand gereed te maken voor de activiteiten van het Viadukt, dienden er aanpassingen aan het pand te worden gedaan. Hiervoor, alsmede voor een verrekening van de overeengekomen huurprijs, is deel (b) van de schadeloosstelling gebruikt.

2.10

Op 26 mei 2016 is, teneinde een en ander vorm te geven, tussen de gemeente als verhuurder en het Viadukt als huurder een huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte ex artikel 7:230a BW gesloten met betrekking tot het pand aan de Euvelgunnerweg 17 te Groningen, voor de duur van 10 jaar, ingaande op 1 januari 2017 en lopende tot en met december 2026. Ten aanzien van de huurprijs voor het pand is in artikel 4 van de huurovereenkomst het volgende bepaald:

“4.1. De aanvangshuurprijs van het gehuurde bedraagt van 1 mei 2016 tot en met 31 december 2021 op jaarbasis € 0,-;

- Vanaf 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022, 5.000 euro (zegge: vijfduizend euro);

- Vanaf 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023, 7.500 euro (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro);

- Vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024, 10.000 euro (zegge: tienduizend euro);

- Vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025, 12.500 euro (zegge: twaalfduizend vijfhonderd euro);

- Vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2026, 15.000 euro (zegge: vijftienduizend euro);”

Voorts is in artikel 8.3 van de huurovereenkomst bepaald dat de gemeente aan het Viadukt eenmalig vanuit de schadeloosstelling van Rijkswaterstaat een bedrag van € 325.490,- inclusief btw betaalt voor de verbouwing van het schoolgebouw tot pop- en oefencentrum.

2.11

In juni en augustus 2016 heeft [appellant] de gemeente verzocht om inzage in de huurovereenkomst die de gemeente met het Viadukt had gesloten. Daarna hebben op 27 oktober 2016 en 9 december 2016 bestuurlijke overleggen tussen de gemeente en [appellant] plaatsgevonden, waarbij van de zijde van de gemeente wethouder [C] en beleidsadviseur [D] aanwezig waren.

2.11.1

In het verslag van het gesprek van 27 oktober 2016 is onder het kopje ‘Reactie wethouder [C] ’ onder meer vermeld:

“(…) Onze insteek bij het herhuisvesten van Het Viadukt was dat wij Het Viadukt als maatschappelijk relevante instelling een goede oplossing wilden bieden. Ook omdat wij de eigenaar van het gebouw waren waarin Het Viadukt gevestigd was.

Uitgangspunt van al het gemeentelijke maatschappelijke vastgoed is kostprijsdekkende huur het verschil met marktconforme huur zou gedekt moeten worden vanuit een subsidiebeschikking. Dus niet gratis zoals Viadukt wilde. De gemeente heeft de schadeloosstelling van Rijkswaterstaat gebruikt om de voorziening Het Viadukt op hetzelfde niveau te brengen als voorheen. Ook het Suikerunieterrein was in beeld als locatie. De gemeente heeft het samenwerken met Het Viadukt soms ook als moeizaam ervaren. De gemeente heeft het gebouw aan de Euvelgunnerweg aangekocht vanuit de schadeloosstelling van Rijkswaterstaat.”

2.11.2

In het verslag van het gesprek van 9 december 2016 is onder meer vermeld:

“ [A] heeft de gemeente een aantal voorstellen gedaan ter compensatie van eventueel wegvallende inkomsten door het herhuisvesten van Het Viadukt door de gemeente Groningen in een daarvoor aangekocht pand aan de Euvelgunnerweg 17.

Wethouder [C] geeft aan dat de gemeente niet van plan is om nu al maatregelen te nemen, dus aan de voorkant. Ook niet financieel. De gemeente ziet juridisch geen aanleiding om te compenseren. Er is op dit moment geen dringende noodzaak om te handelen voor de gemeente.

De gemeente houdt de komende jaren de vinger aan de pols. [A] heeft daar ook een signaalfunctie in volgens wethouder [C] . Het Viadukt heeft richting de gemeente een intentie uitgesproken om zich niet op het marktsegment van [A] te richten en zich voorlopig te richten op het realiseren van 17 geplande oefenruimtes. Deze intentie is op 14 december 2016 schriftelijk bevestigd. Daarnaast heeft het bestuur aangegeven een 100% bezetting te hebben zodat er helemaal geen klanten van [A] door het Viadukt gefaciliteerd kunnen worden. (…)

Huurcontract

In het huurcontract met Het Viadukt zitten volgens [A] een aantal onredelijke zaken, zoals bijvoorbeeld de huurgewenning. De opzet zoals weergegeven in de huurovereenkomst (getrapte huur) is volgens [A] minder dan kostprijs dekkend.

Wethouder [C] : de nieuwe situatie is een verbetering ten opzichte van de oude situatie, de huur is nu bijna marktconform. Onze analyse is dat het contract voldoet aan de heersende regelgeving. Er zijn geen zwaarwegende reden om nu al maatregelen te nemen. (…)”

2.12

Het Viadukt heeft op of omstreeks 14 december 2016 op verzoek van de gemeente een schriftelijke intentieverklaring afgelegd, waarin zij onder meer meldt:

“ [D] vroeg ons naar onze plannen voor het Viadukt naar aanleiding van onze nieuwe huisvesting. We zijn vooral van plan om op de oude voet door te gaan conform onze statuten: het verhuren van zoveel mogelijk oefenruimtes voor een zo laag mogelijke prijs. Zoals u weet was de verhuizing geen keuze van ons, maar noodzaak en we zien geen aanleiding om hierom iets aan onze organisatie te veranderen of uit te breiden.

Praktisch gezien houdt dit in:

- We hadden 17 oefenruimtes aan de H.L. Wichersstraat, we gaan 17 oefenruimtes bouwen aan de Euvelgunnerweg. Mocht in de toekomst het aanbod de vraag overstijgen, dan hebben we de mogelijkheid om uit te breiden in het nieuwe pand, maar daar is nu geen sprake van en daar zijn ook geen plannen voor.

- Wij richten ons op de bands die meer lawaai maken dan de buren kunnen verdragen, ook dat blijven we doen. Daar hoort een bepaalde undergroundsfeer en -cultuur bij, die wij perse willen en zullen handhaven. Uiteraard weigeren wij niemand die bij ons wil repeteren, maar de jarenlange ervaring leert ons dat sommige muzikanten zich wel, en anderen zich niet bij ons thuis voelen. Wij zien dit als een heel natuurlijk proces en ook daar verwachten wij geen verandering in, ook al hebben we dit - zoals u zult begrijpen - niet volledig in de hand, want die beslissing ligt uiteindelijke bij de bands en niet bij ons. (…)”

2.13

De gemeente en het Viadukt hebben op 18 april 2017 overeenstemming bereikt over een addendum bij de huurovereenkomst, waarin zij hun bedoelingen bij de huurovereenkomst nader hebben uiteengezet. Aan dit addendum heeft het college van burgemeester en wethouders nog een aantal overwegingen ten grondslag gelegd bij het collegebesluit van 20 april 2017:

“(…) Maatschappelijk draagvlak en participatie

Er bestaat behoefte aan oefenruimte voor bands. Die markt wordt op dit moment bediend door [A] en het Viadukt gezamenlijk. Beide organisaties leveren een bijdrage aan de culturele doelstellingen in de stad en meer concreet een onderkomen voor oefenende bands. (…)

Bij het aangaan van de initiële overeenkomst en het onderhavige addendum heeft het college gemeend dat een aantal overwegingen een (doorslaggevende) rol spelen. Het betreft onder meer:

- Op de locatie aan de W.L. Wichersstraat betaalde het Viadukt géén huur. Op grond van de Wet Markt en Overheid en het Besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing van algemeen belang beogende activiteiten, dient gemeentelijk vastgoed altijd ten minste tegen kostprijs verhuurd te worden. Door over te gaan van een gebruik om niet op de oude locatie, vloeiend opbouwend, naar een kostprijsdekkende huur op de nieuwe locatie wordt recht gedaan aan deze nationale en lokale regelgeving.

- De gemeente is veel beter dan Rijkswaterstaat in staat om het Viadukt te faciliteren en behulpzaam te zijn bij het vinden van een nieuwe locatie. Dat is de enige reden geweest om als middle man in deze op te treden.

- Voorts is het college van mening dat er met het verplaatsen van het Viadukt, met middelen van Rijkswaterstaat, geen inbreuk wordt gemaakt op rechten van andere organisaties, omdat:

* Het statutaire doel van het Viadukt is om zo goedkoop mogelijk oefenruimtes voor bands te faciliteren. Een concurrent met eenzelfde doelstelling is er niet en hiermee wordt een verder niet-bestaande dienst aangeboden aan cultureel minnend Groningen.

* Het Viadukt bedient een geheel eigen markt. Zij beschrijft dit zelf als the Underground Scene.

* Het Viadukt had op de oude locatie 17 oefenruimtes tot haar beschikking die zij verhuurde. Op de nieuwe locatie heeft zij opnieuw 17 oefenruimtes tot haar beschikking waardoor zij niet opeens een groter marktaandeel zal kunnen bedienen. Bovendien werden alle 17 oefenruimtes bijna volledig benut, waardoor er geen capaciteit over is voor uitbreiding.”

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd om de gemeente te veroordelen tot vergoeding van geleden en nog te lijden schade als gevolg van onrechtmatig handelen door de gemeente, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.

3.2

De rechtbank heeft in het vonnis van 28 februari 2018 de vordering van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

In hoger beroep vordert [appellant] , samengevat weergegeven, dat het hof de vonnissen van 7 juni 2017 en 28 februari 2018 vernietigt en alsnog zijn vordering toewijst, een en ander met veroordeling van de gemeente tot terugbetaling van het op grond van de bestreden vonnissen door [appellant] aan de gemeente betaalde bedrag en met veroordeling van de gemeente in de proceskosten van beide instanties.

4.2

Het vonnis van 7 juni 2017 betreft een comparitievonnis. Op grond van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat daartegen geen hogere voorziening open. In zoverre zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

4.3

In het eindvonnis van 28 februari 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de gemeente door verstoring van de marktverhoudingen onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] en dat [appellant] daardoor schade heeft geleden. [appellant] is het met dit oordeel niet eens en komt daartegen met negen grieven op. Het hof zal die grieven achtereenvolgens bespreken.

4.4

Met grief 1 komt [appellant] op tegen de feitenvaststelling door de rechtbank.

Het hof heeft de feiten zelfstandig vastgesteld en daarbij ook rekening gehouden met de kritiek van [appellant] . Daarom faalt deze grief bij gebrek aan belang, nog daargelaten dat geen rechtsregel voorschrijft dat de rechter alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak dient te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken die hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. Bij de weergave van de feiten is het hof nog niet ingegaan op het verwijt van [appellant] dat de gemeente hem onjuiste en/of onvolledige informatie heeft verstrekt. Het hof komt daar hierna nog op terug.

Wet Markt en Overheid

4.5

Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 5.3 van het bestreden vonnis dat de gemeente bij het vaststellen van de huurprijs op grond van de Wet Markt en Overheid (hoofdstuk 4b van de Mededingingswet) niet de integrale kostprijs hoeft door te berekenen aan het Viadukt, omdat de gemeenteraad ten aanzien van de verhuur door de gemeente van onroerend goed een algemeen belangbesluit heeft genomen. Dit oordeel is juist en het hof neemt de motivering daarvan over en maakt deze tot de zijne. Dat het Viadukt geen overheidsorgaan is en [appellant] niet klaagt over concurrentievervalsing tussen overheid en het bedrijfsleven, laat onverlet dat het verhuren van gemeentelijk vastgoed op een markt waar ook andere (commerciële) partijen actief zijn een economische activiteit betreft waarvoor de gemeente de mededingingsregels (in de zin van de Wet Markt en Overheid) in acht dient te nemen. Dit is alleen anders indien terzake een algemeen belangbesluit is genomen, zoals in het onderhavige geval aan de orde is. Voor zover [appellant] erover klaagt dat niet of onvoldoende is toegelicht welk belang met dit besluit wordt nagestreefd, betreft dat een motiveringseis die op grond van de Algemene wet bestuursrecht aan het algemeen belangbesluit gesteld dient te worden. Een dergelijke toetsing ligt bij de civiele rechter niet voor. De grief is daarom ongegrond.

Onrechtmatig handelen van de gemeente

4.6

Vaste rechtspraak is dat de gemeente als bestuursorgaan bij het aangaan en uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten (hier: de afspraken rondom herhuisvesting van het Viadukt, zoals neergelegd in de huurovereenkomst en het addendum) de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dient te nemen (ECLI:NL:HR:1987:AG5565). Dit volgt ook uit artikel 3:14 BW. [appellant] heeft in dit verband een beroep gedaan op schending van het zorgvuldigheids-, vertrouwens-, motiverings- en gelijkheidsbeginsel, welk beroep door de rechtbank is afgewezen. Met zijn grieven 1 en 3 tot en met 7 komt [appellant] hiertegen op. De schending van de door [appellant] ingeroepen beginselen zal hierna worden besproken.

Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel

4.7

[appellant] stelt dat de gemeente het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden doordat zij bij het maken van de financiële afspraken met het Viadukt zich geen rekenschap heeft gegeven van de positie van [appellant] ten opzichte van die van het Viadukt, zij de

kenbare belangen van [appellant] niet zorgvuldig heeft afgewogen en zij het Viadukt een voordeel heeft verleend dat resulteert in oneerlijke concurrentie. [appellant] stelt daardoor schade (omzetverlies) te hebben geleden.

4.8

Het hof stelt vast dat zowel [appellant] als het Viadukt zich bezighoudt met het verhuren van oefenruimtes voor muziek. Niet in geschil is dat [appellant] en het Viadukt in het verleden verschillende doelgroepen bedienden met gebruikmaking van verschillende huurtarieven. [appellant] richtte zich op muzikanten in de mainstream en de professionele markt, terwijl het Viadukt op het alternatieve muziekcircuit was gericht. Daarmee begaven zij zich op verschillende segmenten in de markt en traden zij aanvullend en niet concurrerend ten opzichte van elkaar op.

4.9

De stelling van [appellant] is dat de gemeente het Viadukt door (de afspraken over) de herhuisvesting in een gunstiger (concurrentie)positie heeft gebracht, waardoor het Viadukt nu mede het marktsegment van [appellant] bedient en hij er daardoor een geduchte concurrent heeft bijgekregen. De gemeente heeft betwist dat thans sprake is van concurrerende activiteiten of ondernemingen en dat het Viadukt door de verhuizing en de huurafspraken in een betere (concurrentie)positie is komen te verkeren. In het licht van deze betwisting lag het op de weg van [appellant] om (met objectieve bescheiden) nader te onderbouwen dat het Viadukt door de verplaatsing naar de nieuwe locatie (potentieel) concurrerend voor [appellant] is geworden. Dat heeft [appellant] niet gedaan.

4.9.1

Uit de intentieverklaring van 14 december 2016 volgt dat het Viadukt van plan is op de oude voet door te gaan, dat wil zeggen met hetzelfde aantal oefenruimtes voor een zo laag mogelijke prijs het alternatieve muziekcircuit bedienen met behoud van de daarbij horende undergroundsfeer en -cultuur. Het Viadukt had derhalve niet het voornemen of de wens om zich voortaan (ook) op het marktsegment van [appellant] te gaan richten. Het is het hof niet gebleken dat hierin verandering is gekomen. De gemeente heeft aangevoerd dat de tarieven, het voorzieningenniveau, het aantal oefenruimtes alsmede de bezetting van het Viadukt sinds haar herhuisvesting ongeveer gelijk zijn gebleven, zoals ook de intentie van het Viadukt was. [appellant] heeft daar onvoldoende tegen ingebracht. Op basis van de door [appellant] overgelegde informatie wil het hof wel aannemen dat in een enkel geval een huurder van hem is overgestapt naar het Viadukt, maar [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep zelf verklaard dat in een incidenteel geval ook een huurder van het Viadukt naar hem is gekomen. Indien er al sprake is van enige vermenging van en/of verschuiving in klantenkringen, brengt dat op zichzelf nog niet mee dat het Viadukt thans - anders dan voorheen - met [appellant] concurreert op de mainstream muziekmarkt, in een mate die noopt tot bescherming van belangen van [appellant] .

4.9.2

De omzetcijfers die [appellant] in het geding heeft gebracht leveren evenmin aanwijzingen op dat sinds de herhuisvesting van het Viadukt een relevante wijziging is opgetreden in de bestaande marktverhoudingen. Uit de jaarrekeningen over 2014 tot en met 2018 volgt dat van een zichtbare neerwaartse daling sinds de herhuisvesting van het Viadukt geen sprake is. De omzet over 2017 bevindt zich tussen die van 2015 en 2016, terwijl in 2018 zelfs een omzetstijging valt waar te nemen. [appellant] wijt dit aan de algemene economische groei, maar niet uit te sluiten valt dat de omzetdip in 2016 en 2017 eveneens te verklaren valt door algemene economische fluctuaties. [appellant] wijst voorts op investeringen die hij genoodzaakt was te doen om - tot het behoud van zijn omzet - andere doelgroepen (zoals koren en orkesten) aan te trekken. Dat deze investeringen niet zijn aan te

merken als normale ondernemingsactiviteiten, laat staan dat zij verband houden met het (beweerdelijk) optreden van het Viadukt op het marktsegment van [appellant] , blijkt echter nergens uit.

4.9.3

De conclusie is dat [appellant] zijn stelling dat het Viadukt sinds haar herhuisvesting concurrerend ten opzichte van hem is geworden onvoldoende heeft onderbouwd. Nu [appellant] gelet op de gemotiveerde betwisting door de gemeente niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, is bewijslevering op dit punt niet aan de orde. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt dan ook gepasseerd.

4.10

In het licht van het voorgaande was de gemeente bij de totstandkoming van de afspraken met het Viadukt niet gehouden tot een uitvoeriger of tot een andere afweging van belangen dan zij blijkens de tussen partijen vaststaande gang van zaken heeft gedaan. De gemeente heeft voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst bij brief van 8 april 2015 inhoudelijk gereageerd op de brieven van [appellant] en er hebben gesprekken tussen partijen plaatsgevonden. Op basis hiervan en mede in aanmerking genomen de intentieverklaring die het Viadukt op verzoek van de gemeente heeft afgegeven en het addendum bij de huurovereenkomst tussen de gemeente en het Viadukt, oordeelt het hof dat de gemeente zich in voldoende mate rekenschap heeft gegeven van de positie van [appellant] ten opzichte van het Viadukt en dat zij ter zake van de betrokken belangen een afweging heeft gemaakt die de (marginale) toets kan doorstaan. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de gemeente al met al niet heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Schending van overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.11

[appellant] betoogt voorts dat de gemeente bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat marktconform dan wel kostendekkend (maar zeker niet gratis) aan het Viadukt zou worden verhuurd.

4.12

Het hof stelt voorop dat, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel onder meer nodig is dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete en individuele toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend (ECLI:NL:GHARL:2013:3989). Anders dan [appellant] betoogt, kan uit de overgelegde stukken noch uit de stellingen van partijen worden opgemaakt dat de gemeente [appellant] in de hiervoor bedoelde zin heeft toegezegd dat er sprake zou zijn van een marktconforme huur.

Uit de tussen partijen vaststaande gang van zaken blijkt naar het oordeel van het hof voorts dat de gemeente [appellant] voldoende heeft geïnformeerd over de totstandkoming van de huurprijs en de achtergrond daarvan. Voor zover van kostendekkendheid geen sprake zou zijn - wat door de gemeente uitdrukkelijk en gemotiveerd is betwist - en in het verlengde hiervan zou kunnen worden geoordeeld dat onjuiste en/of onvolledige informatie is verstrekt, geldt dat gesteld noch is gebleken dat [appellant] op basis van de door de gemeente verstrekte of onthouden informatie iets heeft gedaan of nagelaten waardoor hij schade heeft geleden.

Onder de gegeven omstandigheden kan van onrechtmatig handelen door de gemeente wegens handelen in strijd met het vertrouwens- of het motiveringsbeginsel niet worden gesproken.

4.13

[appellant] stelt zich tot slot nog op het standpunt dat de gemeente handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is echter slechts sprake als zonder objectieve en gerechtvaardigde gronden gelijke gevallen niet gelijk worden behandeld (ECLI:NL:HR:2005:AT0971). Zoals hiervoor al overwogen, onderscheidt [appellant] zich van het Viadukt doordat hij een andere doelgroep en daarmee een ander segment van de markt bedient, zodat geen sprake is van gelijke gevallen.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan [appellant] evenmin baten.

4.14

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat van onrechtmatig handelen van de gemeente jegens [appellant] wegens schending van de ingeroepen algemene beginselen van behoorlijk bestuur geen sprake is. Grieven 1 en 3 tot en met 7 slagen niet.

4.15

Grief 8 keert zich tegen de vaststelling van de rechtbank dat [appellant] heeft erkend dat hij en het Viadukt op verschillende doelgroepen zijn gericht. Volgens [appellant] heeft hij dat niet erkend. Hij heeft gesteld dat de doelgroepen van beide ondernemingen verschillend waren, maar dat dat verschil is vervaagd sinds de vestiging van het Viadukt op de nieuwe locatie. Deze grief heeft naast de hiervoor besproken grieven geen zelfstandige betekenis en kan om die reden verder onbesproken blijven.

Causaal verband/schade

4.16

In grief 9 gaat [appellant] in op de schade die hij heeft geleden doordat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Nu het hof heeft geoordeeld dat van onrechtmatig handelen door de gemeente geen sprake is, behoeft ook deze grief geen verdere bespreking. Om dezelfde reden wordt voorbij gegaan aan het bewijsaanbod dat [appellant] ter zake van de schade heeft gedaan.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis van 28 februari 2018 moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de gemeente zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 726,-

- salaris advocaat 3.222,- (3 punten x tarief II à € 1.074,-)

Totaal € 3.948,-

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 7 juni 2017;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van

28 februari 2018;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gemeente vastgesteld op € 726,- voor verschotten en op € 3.222,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157,- , met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden; een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Willemse, R.E. Weening en D.J. Keur en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

29 september 2020.