Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7814

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
200.264.047
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wegbeheerdersaansprakelijkheid. Omkeringsregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0679
NJF 2020/402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.264.047

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: NL18.12578)

arrest van 29 september 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. G.S. Ebbeng-Horstman,

tegen:

1 de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Eemnes,

zetelend te Eemnes,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: Achmea en de gemeente,

advocaat: mr. A.S. Schoonen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 1 oktober 2019 hier over.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de op 21 oktober 2019 gehouden comparitie van partijen;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- de akte van [appellante] ;
- de akte van Achmea en de gemeente.

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

1.3

[appellante] vordert in het hoger beroep - kort samengevat - dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en haar vorderingen alsnog toewijst.

2 De beoordeling van het hoger beroep

Samenvatting en beslissing

2.1

[appellante] is op 30 mei 2016 met haar elektrische fiets gevallen op een fietspad waarvan de gemeente de wegbeheerder is. Zij stelt de gemeente voor de gevolgen van het ongeval aansprakelijk en vordert schadevergoeding. De gemeente is verzekerd bij Achmea. Samen hebben zij verweer gevoerd. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof zal de vorderingen hierna alsnog toewijzen. Dat betekent dat de gemeente en Achmea schadevergoeding aan [appellante] moet gaan betalen. De hoogte van de schadevergoeding wordt in een andere procedure bepaald.

Motivering van de beslissing

2.2

[appellante] baseert haar vordering op artikel 6:174 BW (aansprakelijkheid voor opstallen) en 6:162 BW (onrechtmatige daad). Het antwoord op de vraag of het fietspad voldeed aan de eisen die daaraan mochten worden gesteld, hangt af van verschillende omstandigheden. Gezichtspunten die daarvoor medebepalend zijn, zijn
a. de aard van de weg;
b. de functie van de weg;
c. de fysieke toestand van de weg ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar;
d. het te verwachten gebruik door derden van de weg;
e. de grootte van de kans op verwezenlijking van het aan de weg verbonden gevaar;
f. de mogelijkheid en bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen,
g. de aan het overheidslichaam toekomende beleidsvrijheid en ter beschikking staande financiële middelen.

2.3

Partijen hebben geen verschil van mening over de gezichtspunten a, b, d, e en g. Het gaat hier om een druk bereden openbaar fietspad in beide richtingen. De ongevalsplaats ligt in een bocht, vlak voor de ingang van een fietstunnel. De gemeente heeft verder niet aangevoerd dat zij op grond van beleidsmatige of financiële gronden niet gehouden was onderhoud te plegen.

2.4

De discussie spitst zich toe op de vragen of c. de fysieke toestand van het fietspad gebrekkig was en e. hoe groot de kans was dat een ongeval zoals [appellante] dat is overkomen, kon gebeuren.

c. de fysieke toestand van de weg ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar

2.5

[appellante] reed met haar fiets in een bocht op een fietspad dat destijds betegeld was met 30 × 30 cm betontegels. Tussen partijen staat vast dat de tegels in die bocht uit verband waren geraakt en dat tussen enkele tegels in de lengterichting een groef was ontstaan van ongeveer 3 cm breed en dat er sprake was van een hoogteverschil tussen de tegels.

Op de foto hieronder is de groef te zien:

foto genomen op 31 mei 2016 om 14:45 uur

2.6

Volgens [appellante] is op de foto’s duidelijk te zien dat er een hoogteverschil is tussen de tegels waartussen de groef ligt. Het hof is het daarmee eens. Vooral foto 3 van productie 2 bij memorie van grieven toont dat de tegels in de bocht die aansluiten op de betonnen band zijn verzakt. [appellante] heeft deskundige Van As onderzoek laten doen op basis van haar foto’s van 31 mei 2016 van het fietspad. Deze deskundige heeft beargumenteerd1 dat de tegels uit hun verband zijn gegaan en hoogteverschillen vertonen door een zware belasting tegen en op de rand van het fietspad: “Aan de vervorming van de tegels van het trottoir, het fietspad en de verzakking van opsluitband is te zien dat er in eerste instantie een verzakking met gebroken tegels is veroorzaakt door een zwaar voertuig, daarna heeft het weer zijn invloed gehad. Er zijn aanzienlijke vervormingen, verzakkingen met schaden aan het wegdek over een groter oppervlak maar in het bijzonder ter plaatse van het ongeval”. Die bevinding heeft de gemeente niet betwist. De gemeente heeft wel aangevoerd dat de groef opgevuld was met steentjes en aarde. In de close-ups van de voeg zijn inderdaad steentjes en aarde in de groef te zien, maar niet dat de groef en het hoogteverschil daarmee volledig zijn opgevuld, laat staan met de stevigheid die je van een stoeptegel mag verwachten.

2.7

De deskundige Van As heeft het hoogteverschil berekend op 1,5 cm. Weliswaar heeft de deskundige van Achmea hierover gezegd dat met name de berekening van hoogteverschillen tussen tegels veel moeilijker op basis van de foto’s te maken is dan een breedtemeting zoals voor de voeg, maar dat laat onverlet dat er een hoogteverschil zichtbaar (en voor deskundigen ook meetbaar) is. Dat heeft de gemeente op zich ook niet betwist. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de groef zo’n 3 cm breed en zo’n 1,5 cm diep was.

2.8

Bij memorie van antwoord heeft de gemeente foto’s overgelegd met afbeeldingen van een reconstructie. Zij heeft ook vermeld dat een band van 20 mm niet bleef steken in de gereconstrueerde gleuf. [appellante] is niet betrokken bij de reconstructie en op basis van de summiere gegevens kan niet worden vastgesteld dat de omstandigheden exact zijn gekopieerd. In elk geval valt op dat de reconstructie van het fietspad tegen een muur is aangelegd waardoor bij de proef onmogelijk een fietser op een e-bike met een snelheid van 16/17 km in de gleuf kan zijn geleid. De gemeente verbindt aan de reconstructie verder geen duidelijke gevolgen.

2.9

Daar komt nog het volgende bij. [appellante] heeft een dag na het ongeval de gemeente ingelicht over haar val en foto’s gemaakt van de ongevalslocatie. Zij heeft de gemeente aansprakelijk gesteld. De gemeente heeft daarna besloten het plaveisel in de bocht te vervangen door betonklinkers, wat in juni/juli 2016 is gebeurd. De gemeente heeft geen zelfstandig onderzoek naar de ongevalsplaats gedaan en niets opgemeten. Zij heeft [appellante] niet ingelicht over het moment van vervanging. De reden dat in deze procedure niet meer ter plaatse kan worden vastgesteld wat het niveauverschil precies was en of de groef volledig was opgevuld met zand en steentjes, moet dan ook (deels) aan de gemeente worden toegerekend.

2.10

Zoals gezegd gaat het hof uit van een groef van 3 cm breed en 1,5 cm diep. [appellante] heeft een overzicht van fietsbandbreedtes overgelegd. Algemeen bekend is dat fietsbanden verschillende breedtes hebben. Met een breedte van een fietsband tussen 18 (racefiets) en 35 mm (stadsfiets), moet worden aangenomen dat een aanzienlijk deel van de fietsers het risico loopt klem te komen zitten en in onbalans te raken indien de fietsband in de voeg van 3 cm breed en 1,5 cm diep komt.

e. de grootte van de kans op verwezenlijking van het aan de weg verbonden gevaar

2.11

Achmea en de gemeente voeren aan dat geen meldingen zijn binnengekomen over andere ongevallen dan dat van [appellante] . Daaraan verbinden zij de conclusie dat de kans op een ongeval doordat een fietser met zijn band in de groef komt vast te zitten, verwaarloosbaar klein is.

2.12

Het enkele feit dat niemand vóór [appellante] een melding van een ongeval door het klem zitten in de voeg heeft gemaakt bij de gemeente, maakt niet dat de kans op ongevallen door de breedte van de voeg (verwaarloosbaar) klein is. Het fietspad waarover [appellante] reed, wordt veel gebruikt. De groef ligt in de bocht vlak voor een fietstunnel op een fietspad dat voor beide richtingen gebruikt wordt. Daarom moet er rekening mee worden gehouden dat het hele wegvlak van het fietspad door fietsers wordt gebruikt. De te brede voeg ligt bij het aansnijden van de bocht in de binnenbocht, op ruim één stoeptegel (30 cm) van de betonband. De kans dat daar fietsers rijden bij het naderen van de tunnel is tamelijk groot, zeker als het druk is, men naast elkaar rijdt of er veel tegenliggers zijn.

2.13

Gelet op alle gezichtspunten oordeelt het hof dan ook dat het fietspad, in het bijzonder door het intensieve gebruik en een groef van 3 cm breed en 1,5 cm diep in een bocht waarin een fietser makkelijk kan blijven steken, gebrekkig is. Voor dat oordeel kan dan ook steun worden geput uit de CROW-richtlijnen. Daar gaat het hof nu op in.

2.14

CROW is een onafhankelijk kennisplatform dat zich bezighoudt met infrastructuur, openbare ruimte, verkeer en vervoer, en werk en veiligheid. De richtlijnen van CROW beogen wegbeheerders handvatten te bieden om onderhoud te plegen aan de weg. De richtlijnen komen tot stand na grondig overleg met diverse brancheorganisaties en worden in de praktijk zeer serieus genomen. Uit de hier toepasselijke richtlijn2 leidt het hof af dat de noodzaak tot onderhoud of herstel groter is naarmate een obstakel of oneffenheid een hogere kwalificatie krijgt op de schaal van licht - matig - ernstig. Ernstig is de hoogste kwalificatie.

2.15

De deskundige Van As concludeert dat een voegwijdte van 3 cm in het plaveisel van een fietspad volgens de richtlijnen van CROW geldt als ernstig. De gemeente voert terecht aan dat de richtlijnen geen wetgeving zijn, maar dat betekent niet dat er geen waarde aan de richtlijnen kan worden gehecht. Als objectief aanknopingspunt biedt de richtlijn voldoende houvast. De grenswaarde voor een voegwijdte in een fietspad die als ernstig is gekwalificeerd, ligt volgens CROW vanaf 20 mm (2 cm). [appellante] heeft aangevoerd dat de breedte van 2 cm blijkbaar is afgestemd op het gevaar dat fietsbanden vast komen te zitten in een voeg. De gemeente heeft dat niet voldoende bestreden. Een voeg met een wijdte van 3 cm breed in de bestrating van een fietspad heeft de maximale kwalificatie volgens de CROW-normen en merkt het hof - in combinatie met de stelling van [appellante] over de achtergrond van die norm - aan als een te brede en daarmee onveilige voeg met gevaar voor het vastlopen van fietsbanden.

Causaal verband

2.16

[appellante] heeft in eerste aanleg het volgende over de toedracht verklaard: “Over de val kan ik het volgende vertellen. De bocht waar ik ben gevallen ken ik goed. Ik kwam aanfietsen met een snelheid van ongeveer 16/17 km/u. Ik bleef in iets haperen/steken en raakte toen uit balans. De groef maakte mij instabiel, daarna kwam de stoeprand en ben ik gevallen, schuin op de stoep. Het spoor stond nog in het zand. Ik had de groef niet eerder gezien.”. Een getuige heeft haar aangetroffen vlak naast de groef nadat zij was gevallen. Van de getuige heeft zij een verklaring in het geding gebracht3. Tijdens de comparitie in eerste aanleg heeft zij verklaard dat een gemiddelde fietsband 32 mm breed is, maar dat de banden van een e-bike hoger zijn en daarom ongeveer 3 mm smaller aan de onderkant. In hoger beroep heeft zij betoogd dat haar banden waarschijnlijk 27/28 mm breed waren ten tijde van het ongeval. Zij reed op een Koga e-bike en had haar snelheid voor de bocht verminderd tot 16/17 km/u.

2.17

Achmea en de gemeente hebben een en ander betwist. Zij hebben tegen het scenario ingebracht dat [appellante] een stuurfout kan hebben gemaakt en dat de groef met zand en steentjes gevuld was. Zij baseren dat laatste op foto’s van [appellante] . Zij hebben ook zelf een foto overgelegd, maar die valt niet te herleiden tot de ongevalslocatie. De foto’s van [appellante] zijn één dag na het ongeval gemaakt. In hoger beroep heeft zij kwalitatief betere afbeeldingen overgelegd dan eerder in het geding waren gebracht.

2.18

Het hof overweegt het volgende. Omdat de gemeente heeft bestreden dat [appellante] is gevallen doordat zij in de groef is blijven steken, rust in principe op [appellante] de bewijslast van haar stelling dat zij door de groef is gevallen. Op die bewijsregel bestaat een uitzondering, die de omkeringsregel wordt genoemd. Die regel komt op het volgende neer. Wanneer er een (veiligheids)norm bestaat met als doel een bepaald specifiek gevaar te voorkomen, iemand die norm schendt én dat specifieke gevaar zich voordoet, is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om degene die (mogelijk) de dupe is geworden van die normschending, te belasten met soms moeilijk te leveren bewijs van het causaal verband. In dat soort gevallen mag als vertrekpunt worden aangenomen dat dat specifieke gevaar is veroorzaakt door de schending van die norm en is het aan de andere partij om uit te leggen (en te bewijzen) dat dat niet klopt.

2.19

Naar het oordeel van het hof doet dit zich hier voor. De gemeente is als wegbeheerder verantwoordelijk voor veilige wegen zodat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat zich ongevallen voordoen als gevolg van de slechte staat van de weg. Die norm is hier geschonden: een groef van 3 cm breed en 1,5 cm diep in de bocht van een druk bereden fietspad is gevaarlijk en creëert het risico van ongevallen. [appellante] is gevallen vlakbij die groef en heeft letsel opgelopen. Juist tegen de verwezenlijking van dit gevaar beoogt deze norm te beschermen. Vanwege de omkeringsregel hoeft [appellante] dus niets te bewijzen en gaat het hof er van uit dat [appellante] is gevallen doordat er een groef van 3 cm breed en 1,5 cm diep in het fietspad zat. De gemeente mag daartegenin gaan, maar behalve de betwisting dat de groef diep was, waarover het hof hiervoor al heeft geoordeeld, heeft de gemeente in wezen niet meer aangevoerd dan dat [appellante] ook door een andere oorzaak gevallen kan zijn. Dat is te weinig en er is dus geen aanleiding de gemeente tot tegenbewijslevering toe te laten.

2.20

Het hof oordeelt dan ook dat alles wat hiervoor is besproken in de omstandigheden van het geval ertoe leidt dat de gemeente aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [appellante] is overkomen. Door de val heeft [appellante] een hersenschudding opgelopen, zijn drie tanden afgebroken en is het radiuskopje van de elleboog verbrijzeld. [appellante] heeft nog dagelijks last van haar gebit en haar onderarm.

2.21

Achmea en de gemeente hebben een beroep gedaan op eigen schuld van [appellante] om hun aansprakelijkheid te beperken. Zij dragen daarvoor de stelplicht en bewijslast. Ze hebben aangevoerd dat, omdat [appellante] is gevallen, zij blijkbaar de controle over de fiets niet had. Dat betoog gaat niet op. Wanneer een fietser geen controle over zijn fiets heeft, betekent dat zonder verdere toelichting van de gemeente niet zomaar dat sprake is van eigen schuld. Dat geldt nog meer als een fietser in een bocht klem raakt in een groef als de onderhavige, maar bijvoorbeeld ook in een richel of een trambaan. Hij raakt dan onherroepelijk in onbalans. Dat leidt makkelijk tot een (ongecontroleerde) val en levert zeker geen eigen schuld op.

2.22

De gemeente is dus ten volle aansprakelijk. [appellante] heeft een verklaring voor recht gevraagd en schadevergoeding nader op te maken bij staat. Die vorderingen zal het hof toewijzen. [appellante] heeft wettelijke rente over de schade gevorderd vanaf 30 mei 2016. De gemeente heeft aangevoerd dat de wettelijke rente niet voor alle posten is gaan lopen op
30 mei 2016. Dat klopt. In de schadestaatprocedure zal hierover verder gedebatteerd moeten worden. Het hof zal nu wettelijke rente toewijzen vanaf de opeisbaarheid van de verschillende schadeposten. Ook over de buitengerechtelijke kosten zal in de schadestaatprocedure moeten worden beslist. [appellante] heeft tot slot een voorschot van
€ 5.000 gevraagd op de schadevergoeding. De gemeente heeft die vordering niet betwist en het hof zal dat bedrag toewijzen.

Slotsom

2.23

Het hoger beroep slaagt en het hof zal de vorderingen van [appellante] alsnog toewijzen. De vordering tot restitutie van de proceskosten van de eerste aanleg zal het hof ook toewijzen.

2.24

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof Achmea en de gemeente in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten van de eerste aanleg stelt het hof vast op € 196,02 aan explootkosten, op € 895 aan griffierecht en op € 1.086 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II), in totaal € 2.177,02. De kosten van [appellante] in hoger beroep stelt het hof vast op € 198,02 aan explootkosten, € 324 aan griffierecht en op € 2.685 aan salaris advocaat (2,5 punten x tarief II), in totaal € 3.207,02.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 april 2019 en doet opnieuw recht:

verklaart voor recht dat de gemeente aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval op 30 mei 2016;

veroordeelt Achmea en de gemeente hoofdelijk tot voldoening van de door [appellante] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van de verschillende schadeposten tot de dag der voldoening en op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

veroordeelt Achmea en de gemeente hoofdelijk tot betaling van een voorschot op de schade aan [appellante] van € 5.000;

veroordeelt Achmea en de gemeente hoofdelijk om aan [appellante] de proceskosten van de eerste aanleg van € 3.036 terug te betalen;

veroordeelt Achmea en de gemeente hoofdelijk in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak vastgesteld op € 2.177,02 en tot aan deze uitspraak op € 3.207,02;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, S.C.P. Giesen en L.A. de Vrey, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.

1 Rapport van 23 december 2017, productie 3 bij procesinleiding eerste aanleg.

2 CROW publicatie 146b: Handleiding globale visuele inspectie uit 2011 met Errata februari 2013.

3 Productie bij pleitaantekeningen eerste aanleg