Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7809

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
200.259.562
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg Wageningse gifmoord (ECLI:NL:GHARL:2020:3936). Hof gelast wijze van verdeling tijdens vereffening, waarbij voldoende rekening wordt gehouden met de belangen van de schuldeisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0230
Jurisprudentie Erfrecht 2020/313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.259.562

(zaaknummer rechtbank Gelderland NL18.9162)

arrest van 29 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] , verblijvende in Vught,

appellant,

in eerste aanleg: verweerder,

hierna: de man,

advocaat: mr. K.T.B. Salomons,

tegen:

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [B] ,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [C] ,

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [D] ,

4. [geïntimeerde4] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: de erfgenamen,

advocaat: mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks,

en

5 mr. Jan Smit,

in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de ontbonden huwelijksgemeenschap van [erflaatster] en de man,

kantoorhoudende te Wageningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: verweerder,

hierna: de vereffenaar,

advocaat: mr. M. van Hunnik.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 mei 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3936) hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit de akten en antwoordakten van alle partijen na dat tussenarrest.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

In het tussenarrest van 19 mei 2020 is beslist dat het hof de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap zal gelasten en zal bepalen dat de deelgenoten het vermogen in Nederland zullen toedelen aan de erfgenamen en het vermogen in Marokko aan de man en dat geen van de deelgenoten verplicht is tot enige vergoeding van de overwaarde.

2.2

Vervolgens heeft het hof aan de orde gesteld of de rechter deze wijze van verdeling nu al kan gelasten, omdat de vereffening van de ontbonden huwelijksgemeenschap nog niet is voltooid.

2.3

Om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om toch te verdelen op een wijze die ook voldoende rekening houdt met de belangen van de schuldeisers van de ontbonden huwelijksgemeenschap is partijen gevraagd:

  • -

    zich daarover schriftelijk uit te laten en

  • -

    het hof inzicht geven in de schulden en schuldeisers van de ontbonden huwelijksgemeenschap en in de voortgang van de vereffening.

2.4

Uit de (antwoord)akten van partijen kan worden afgeleid dat tot de ontbonden huwelijksgemeenschap op 1 juni 2020 behoorden:

Goederen

  1. 4.000 aandelen [F] B.V. € p.m.

  2. Banktegoeden € 25.820,40

  3. Goederen in Marokko € p.m.

Schulden

  1. Schuld in rekening courant aan [F] B.V. € 190.097,55

  2. Mogelijke belastingschuld ten aanzien van [G] winst aandelen € p.m.

  3. Schuld aan Finata Bank (Hoist Finance) € 17.138,43.

2.5

De vereffenaar heeft laten weten dat hij (ook via de man) zijn best heeft gedaan informatie te krijgen over het vermogen in Marokko, maar daarin niet is geslaagd. De man heeft laten weten niet in staat te zijn informatie te geven over zijn vermogen in Marokko vanwege zijn detentie. Volgens de erfgenamen moet daarom ervan worden uitgegaan dat er geen andere schulden zijn dan hiervoor in 2.4 vermeld. Het hof zal daarvan ook uitgaan. De vereffenaar noemt nog belastingschulden van de man die betrekking hebben op de periode na het overlijden van erflaatster. Het hof is van oordeel dat deze schulden niet behoren tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap, omdat ze pas zijn ontstaan na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap.

2.6

De erfgenamen zijn bereid alle schulden in Nederland over te nemen. Dat geldt ook voor een mogelijke schuld aan de belastingdienst met betrekking tot de aandelen in [F] B.V (de zogeheten latente belastingclaim)., ook al is op dit moment nog niet duidelijk of en voor welk bedrag die schuld zal ontstaan en wie daarvan de schuldenaar zal zijn.

2.7

Een verdeling waarbij de deelgenoten alle goederen in Nederland (de aandelen in [F] B.V. en de banktegoeden) toedelen aan de erfgenamen en waarbij de erfgenamen zich verplichten alle Nederlandse schulden te betalen, ook de mogelijke schuld aan de belastingdienst, doet voldoende recht aan de belangen van de schuldeisers, tot wie naast [F] B.V., de belastingdienst en de Finata Bank ook de vereffenaar zelf behoort (zie hierna over het loon van de vereffenaar en andere vereffeningskosten). Uit de jaarrekening van [F] B.V. op 31 december 2019 blijkt dat er naast vastgoedbeleggingen voldoende liquide middelen aanwezig zijn (€ 404.637) en voldoende reserves (€ 569.371) voor het doen van uitkeringen aan de aandeelhouders. Het hof gaat ervan uit dat de erfgenamen ook het loon van de vereffenaar en de overige kosten van vereffening aan de vereffenaar zullen voldoen. Het hof zal om de belangen van de schuldeisers te waarborgen bepalen dat de erfgenamen de onder 1-3 vermelde schulden en het loon van de vereffenaar en andere vereffeningskosten op eerste verzoek van de vereffenaar aan hem moeten betalen.

2.8

Als gezegd gaat het hof ervan uit dat er geen andere schuldeisers bekend zijn die zich nog zouden kunnen verhalen op de ontbonden huwelijksgemeenschap. Mochten er na de vereffening en verdeling toch nog andere schuldeisers opkomen, dan hebben dezen nog een beperkt verhaal op de dan nog onverkochte goederen van de ontbonden huwelijksgemeenschap en op het saldo daarvan (artikel 4:220 lid 2 BW). Het hof vindt dat deze bepaling in dit geval een voldoende waarborg vormt voor de belangen van deze tot nu toe onbekende schuldeisers. De ontbinding van de gemeenschap heeft al op 13 mei 2012 plaatsgehad en sindsdien is kennelijk niet gebleken dat er nog andere schuldeisers zijn.

2.9

Erflaatster heeft in 2008 een overeenkomst van levensverzekering gesloten met Levensverzekering [H] N.V. (hierna: de verzekeraar) met haarzelf als eerste en de man als tweede verzekerde (polisnummer [00000] ). Zij heeft afgesproken dat de verzekeraar een bedrag van € 1.768 per maand uitkeert zolang beide verzekerden in leven zijn of alleen zij in leven is. Indien de man haar overleeft zal een bedrag van € 1.238 per maand worden uitgekeerd. De uitkeringen moesten voor het eerst op 17 juli 2008 en voor het laatst op 17 januari 2017 plaatsvinden. Zo is ook geschied. Na het overlijden van erflaatster heeft de vereffenaar de maandelijkse uitkeringen van de verzekeraar ontvangen over de periode van 24 mei 2012 tot 25 januari 2017. Dat is in totaal een bedrag van € 39.951,50. De vereffenaar heeft hiervan in 2012 en 2013 ten behoeve van de man betalingen gedaan. Het gaat om een bedrag van € 11.050 aan advocaatkosten en een bedrag van € 2.435 aan alimentatie, totaal derhalve € 13.485. Het restant van € 26.466,50 is niet op een afzonderlijke rekening geboekt, maar staat op een van de bankrekeningen die tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren en is vervat in de banktegoeden zoals die hiervoor zijn vermeld. De man maakt aanspraak op de uitkeringen die na het overlijden van erflaatster zijn gedaan. Uit de polis blijkt dat de man begunstigde is vanaf het moment van het overlijden van erflaatster. Dat zou betekenen dat hij terecht aanspraak maakt op de uitgekeerde bedragen. De erfgenamen en de vereffenaar hebben zich beroepen op de onwaardigheid van de begunstigde (hier: ‘de man’), als bedoeld in artikel 7:973 BW dat bepaalt:

Aan de overeenkomst kunnen geen rechten worden ontleend door degeen die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de verwezenlijking van het risico opzettelijk teweeg heeft gebracht of daaraan opzettelijk meegewerkt heeft.

De man heeft erflaatster vermoord en is daarvoor onherroepelijk veroordeeld. Zijn begunstiging is afhankelijk van het risico van overlijden van erflaatster. De man heeft de verwezenlijking van dat risico opzettelijk teweeg gebracht door erflaatster te vermoorden. De man kan dus geen aanspraak maken op de bedragen die de vereffenaar van de verzekeraar heeft ontvangen. De aanwijzing van hem als begunstigde heeft geen gevolg. Van artikel 7:973 BW kan ook niet (in de polis) worden afgeweken (artikel 7:974 BW). Op de polis is niet vermeld wie de begunstigde is van de uitkeringen, indien de man geen begunstigde is. Het hof gaat ervan uit dat de uitkeringen in dat geval tot de nalatenschap van erflaatster behoren. Dat volgt uit artikel 7:967 lid 8 BW dat bepaalt:

Zolang geen derde als begunstigde is aangewezen, komt het recht op uitkering toe aan de verzekeringnemer. De verzekeringnemer wordt voorts geacht zichzelf als begunstigde te hebben aangewezen voor het geval dat geen aanwijzing van een derde als begunstigde gevolg heeft.

De bedragen die zijn uitgekeerd maken deel uit van de banktegoeden die tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren. Deze tegoeden met inbegrip van de bedragen die de verzekeraar heeft uitgekeerd maken deel uit van het vermogen in Nederland dat zal worden toegedeeld aan de erfgenamen zonder enige vergoeding van de overwaarde.

Slotsom

2.10

De grieven van de man falen. Het hof zal vanwege de vermindering van eis van de erfgenamen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 6 februari 2019 bekrachtigen wat de onderdelen 6.1 en 6.4-6.9 betreft. Het hof zal dat bestreden vonnis vernietigen wat onderdeel 6.2 betreft en opnieuw de wijze van verdeling gelasten en daarbij bepalen dat de erfgenamen op eerste verzoek van de vereffenaar moeten overgaan tot betaling van de schulden in rechtsoverweging 2.4 onder 1-3 vermeld.

2.11

De man vindt het oordeel van het hof in het tussenarrest te ingrijpend is om tot een uitvoerbaarverklaring bij voorraad over te gaan. Hij is voornemens cassatieadvies in te winnen. Het hof vindt dat de enkele mogelijkheid van cassatie in deze zaak en het belang van de man daarbij niet opweegt tegen het belang van de erfgenamen bij uitvoering van de verdeling van de al in 2012 ontbonden huwelijksgemeenschap. De man stelt geen andere belangen bij behoud van de bestaande toestand van onverdeeldheid van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

2.12

Ook de vereffenaar wil geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Hij vindt dat rekening moet worden gehouden met cassatie en vernietiging van de te gelasten wijze van verdeling en met de problemen en aansprakelijkheden waarin de vereffenaar dan zal worden meegetrokken. Hij licht niet toe wat die problemen dan zouden zijn. Het enige dat hij noemt zijn allerlei leveringshandelingen. Als de erfgenamen overgaan tot uitvoering van de door hen gevorderde beslissing over de te gelasten wijze van verdeling dan zijn zij in beginsel aansprakelijk voor de schade die daardoor zou ontstaan als de uitspraak van het hof in cassatie wordt vernietigd. De vereffenaar licht niet toe waarom hij in dat geval, naast de erfgenamen, aansprakelijk zou zijn voor de uitvoering. Bij vernietiging van de beslissing over de te gelasten wijze van verdeling ontvalt aan die verdeling de grondslag en zal de ontbonden huwelijksgemeenschap als het ware herleven. Ook aan de leveringshandelingen en –formaliteiten ontvalt dan de grondslag. Er zal dan opnieuw moeten worden verdeeld en geleverd. Ook hier weegt volgens het hof het belang van de erfgenamen bij uitvoering van de verdeling zwaarder dan de belangen van de vereffenaar bij behoud van de bestaande toestand van onverdeeldheid.

2.13

Het hof zal zijn beslissing over de wijze van verdeling dan ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

2.14

Het hof zal de man als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen de proceskosten van de erfgenamen en die van de vereffenaar te vergoeden.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 6 februari 2019 wat onderdeel 6.2 en 6.3 betreft;

doet opnieuw recht;

gelast partijen over te gaan tot verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap als volgt:

  • -

    de deelgenoten delen de 4.000 aandelen in [F] B.V. en de banktegoeden die in rov. 2.4 zijn genoemd toe aan de erfgenamen;

  • -

    de erfgenamen zijn verplicht alle schulden die in rov. 2.4 zijn genoemd over te nemen en als eigen schulden te voldoen onder vrijwaring van de man en de vereffenaar;

  • -

    de erfgenamen moeten deze schulden binnen één maand nadat de verdeling is uitgevoerd betalen;

  • -

    de erfgenamen zijn verplicht aan de vereffenaar de kosten van de vereffening en zijn loon te betalen;

  • -

    de deelgenoten delen goederen die in Marokko zijn gelegen toe aan de man;

  • -

    de man is verplicht alle schulden ten aanzien van de hem toegedeelde goederen en alle andere schulden die van zijn zijde in de gemeenschap zijn gevallen over te nemen en als eigen schulden te voldoen onder vrijwaring van de erfgenamen en de vereffenaar;

  • -

    ter zake van deze verdeling bestaan geen verplichtingen tot vergoeding van de overwaarde;

  • -

    deze verdeling zal worden uitgevoerd in een notariële akte;

  • -

    de erfgenamen zullen aan de notaris een opdracht geven deze notariële akte te verlijden;

  • -

    de kosten van deze notariële akte zijn voor rekening van de erfgenamen en de man, ieder voor de helft;

veroordeelt voor het geval de erfgenamen niet binnen een maand nadat de verdeling is uitgevoerd de door hen overgenomen schulden hebben betaald, de daarvoor benodigde bedragen te betalen aan de vereffenaar op diens eerste verzoek daartoe, zodat die voor betaling kan zorgen;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland voor het overige, met dien verstande dat waar in 6.4 van dat vonnis staat ‘vastgestelde wijze van verdeling’ moet worden gelezen ‘gelaste wijze van verdeling’;

veroordeelt de man in de kosten van dit hoger beroep aan de zijde van de erfgenamen vastgesteld op € 324 aan verschotten (griffierecht) en € 1.611 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1,5 x tarief II);

veroordeelt de man in de kosten van dit hoger beroep aan de zijde van de vereffenaar vastgesteld op € 324 aan verschotten (griffierecht) en € 1.611 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1,5 x tarief II);

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en R. Prakke-Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.