Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7803

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
200.248.854
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot vernietiging arbitraal vonnis (van de arbitragecommissie KNVB) afgewezen. Geen gronden voor vernietiging: commissie heeft zich aan opdracht gehouden en beslissing is op zichzelf voldoende gemotiveerd (‘met redenen omkleed’). Aan de inhoud van de motivering komt het hof niet toe: vernietiging mag geen verkapt hoger beroep zijn, het gaat er dus niet om wat het hof zou hebben beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2020, afl. 6, p. 308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer 200.248.854

arrest van 29 september 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Fontaine Beheer B.V.,

gevestigd te Hengelo,

eiseres,

hierna: Fontaine Beheer,

advocaat mr. T.H. Geukes Foppen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FC Twente ’65 B.V.,

gevestigd te Enschede,

gedaagde,

hierna: FC Twente,

advocaat: mr. C. Beltman.

1 De procedure

1.1

Het hof verwijst daarvoor naar het tussenarrest van 10 december 2019. De daarin bepaalde comparitie van partijen is niet doorgegaan vanwege het Covid-19 virus. Het hof heeft partijen schriftelijk verzocht zich uit te laten over de voortgang van de procedure.

1.2

Naar aanleiding daarvan hebben partijen ieder nog een akte genomen, waarbij Fontaine Beheer een toelichting heeft gegeven op de eerder door haar (via een H-12 formulier) in geding gebrachte productie 18. Na aktewisseling hebben partijen de stukken overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vordering en de beslissing daarop

2.1

Fontaine Beheer vordert dat het hof het arbitrale vonnis van 20 juli 2018 (het vonnis) vernietigt, de zaak terugverwijst naar de arbitragecommissie van de KNVB (de commissie) en dat deze commissie in een andere samenstelling van arbiters de zaak opnieuw zal behandelen en FC Twente zal veroordelen in de proceskosten.

2.2

Het hof concludeert dat de vordering niet toewijsbaar is en legt hierna uit hoe het tot die beslissing is gekomen.

3 De beoordeling

Bevoegdheid hof en ontvankelijkheid

3.1

Nu het vonnis is gewezen te Zeist, is de locatie Arnhem van het hof Arnhem-Leeuwarden bevoegd de vordering tot vernietiging hiervan te beoordelen. De vordering tot vernietiging is ook tijdig ingesteld, zodat Fontaine Beheer daarin ontvankelijk is.

Waar gaat deze zaak over?

3.2

Tussen Fontaine en FC Twente is een geschil gerezen over de nakoming van de investeringsovereenkomst die partijen op 11 oktober 2012 hebben gesloten, gericht op de aankoop door FC Twente van voetballer [de speler] (de speler), waarvoor FC Twente een bedrag van $ 3.650.000 heeft betaald aan de voetbalclub [A] uit [B] ( [A] ), waar de speler tot dan gespeeld had. In die overeenkomst is onder meer opgenomen:

Artikel 2 Recht op aandeel toekomstige transfervergoedingen

2.1

Investeerder verkrijgt na haar inleg zoals vermeld in artikel 1.1 van

deze Overeenkomst het 1/7* aandeel op de toekomstige netto

transfervergoedingen van de Speler, zoals omschreven in artikel 2.2.

(...)

2.3

Indien CLUB gedurende de contractsperiode van de Speler:

- overgaat tot de tussentijdse beëindiging van de tussen CLUB en de

Speler geldende arbeidsovereenkomst en;

- de desbetreffende Speler wordt overgeschreven naar een andere club

- de desbetreffende Speler of een door hem aan te wijzen derde in

verband met deze tussentijdse beëindiging en overgang een vergoeding

dient te betalen aan CLUB (hierna: Transfervergoeding"),

heeft Investeerder recht op het 1/7* aandeel van de door CLUB In het

kader van de desbetreffende overschrijving aan CLUB toe te komen

netto Transfervergoeding.

Onder netto Transfervergoeding in de zin van dit artikel wordt verstaan:

de Transvergoeding minus de, op basis van regelgeving van FIFA of

KNVB, af te dragen zogeheten solidariteitsbijdrage en minus het door de

CLUB met de voormalige werkgever van de Speler overeengekomen

30% aandeel In de Transfervergoeding.

(…)

Artikel 4 Rechtskeuze, geschillenregeling en geheimhouding

(…)

4.4

Deze overeenkomst treedt in de plaats van alle tussen Partijen hieraan voorafgaand gevoerde onderhandelingen, toezeggingen, correspondentie en bestaande overeenkomsten.

4.5

Elke terzijdestelling, aanvulling en/of wijziging van enige bepaling van deze Overeenkomst is slechts bindend, indien een en ander schriftelijk is overeengekomen en door Partijen is ondertekend.

3.3

Fontaine Beheer heeft € 507.143 aan FC Twente betaald. In juli 2016 is de speler van FC Twente naar de voetbalclub [C] uit [D] overgegaan tegen een transfervergoeding van € 1.500.000 inclusief solidariteitsbijdrage. Van dit bedrag heeft FC Twente € 1.000.000 en € 25.000 aan solidariteitsvergoeding betaald aan [A] . Fontaine Beheer heeft € 73.290,37 van FC Twente ontvangen. Fontaine Beheer heeft in de arbitrageprocedure gesteld dat FC Twente haar betalingsplicht zoals neergelegd in de artikelen 2.1 en 2.3 van de investeringsovereenkomst niet is nagekomen en de wijziging of aanvulling waarop FC Twente zich beriep niet schriftelijk is vastgelegd zoals artikel 4.5 voorschrijft. Fontaine Beheer heeft, voor zover hier relevant, nakoming van de investeringsovereenkomst gevorderd en aanspraak gemaakt op betaling van € 142.500 onder verrekening van het door FC Twente aan Fontaine Beheer reeds uitgekeerde bedrag.

3.4

In een tussenvonnis heeft de commissie geoordeeld - ondanks het gegeven dat FC Twente zich op een nadere afspraak beriep, zodat het niet zonder meer duidelijk is waarom niet FC Twente met het bewijs daarvan is belast - dat het op de weg van Fontaine Beheer ligt om bewijs te leveren van, kort gezegd, haar stelling dat de investeringsovereenkomst recht geeft op de gevorderde vergoeding. Daarin achtte de commissie Fontaine Beheer op voorhand geslaagd. FC Twente is toegelaten tot tegenbewijs. Bij het vonnis van 20 juli 2018 heeft de commissie geoordeeld dat FC Twente in het tegenbewijs is geslaagd, aldus de stellingen van Fontaine Beheer heeft ontzenuwd en dat Fontaine Beheer daar tegenover geen afdoende bewijs heeft geleverd van haar stellingen. De commissie heeft de vorderingen van Fontaine Beheer afgewezen.

De aangevoerde gronden

3.5

Fontaine Beheer stelt dat het vonnis vernietigd moet worden op grond van artikel 1065 lid 1 Rv. Fontaine Beheer beroept zich op de in dat artikel genoemde gronden onder c: de commissie heeft zich niet aan de opdracht gehouden, d: het vonnis is onvoldoende met redenen omkleed en e: het vonnis is in strijd met de openbare orde.

Het toetsingskader

3.6

Bij de beoordeling staat voorop dat de rechter op grond van vaste rechtspraak de vernietigingsgronden terughoudend dient toe te passen. Deze regel hangt ermee samen dat een vernietigingsprocedure niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep, en dat het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen1. De achterliggende gedachte is dat met de arbitrage de zaak in beginsel moet zijn afgerond, wil de keuze voor arbitrage voor de partijen het gewenste effect hebben van een redelijk snelle en goede oplossing van hun geschil of probleem.

De beoordeling

3.7

Na de conclusiewisseling heeft Fontaine Beheer bij akte de gronden voor vernietiging uitgebreid onder verwijzing naar het door haar in geding gebrachte arbitragereglement van de KNVB. Fontaine Beheer stelt dat de commissie zich niet aan haar opdracht heeft gehouden omdat zij een andere beslissingsmaatstaf heeft gehanteerd dan in artikel 71 van het arbitragereglement is voorgeschreven. Wat daarvan ook zij, het hof gaat hieraan voorbij omdat artikel 1064a lid 4 Rv voorschrijft dat alle gronden voor vernietiging, op straffe van verval van het recht daartoe, bij dagvaarding moeten worden voorgedragen.

Heeft de commissie zich niet aan de opdracht gehouden?

3.8

Fontaine Beheer stelt daartoe dat de commissie niet heeft geoordeeld over het beroep van Fontaine Beheer op artikel 4.5 van de investeringsovereenkomst. Deze grond slaagt niet. Fontaine Beheer heeft wel een beroep gedaan op artikel 4.5, maar daaraan geen (afzonderlijke) vordering verbonden. Daarom kan niet worden gezegd dat de commissie op een deel van het gevorderde niet heeft beslist. Dat de commissie ten onrechte niet is ingegaan op artikel 4.5 is ook niet juist. De commissie hoefde daar immers niet op in te gaan, omdat in haar visie de door FC Twente bepleite betalingsafspraak deel uitmaakte van de investeringsovereenkomst en niet als een zelfstandige, van de overeenkomst afwijkende afspraak werd gezien. Volgens de commissie leidde (uitleg van) de investerings-overeenkomst (in samenhang met de transferovereenkomst en de gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen [E] en [F] en tussen [G] en [F] ), in tegenstelling tot wat Fontaine Beheer stelde, er toe dat op grond van de investeringsovereenkomst geen (verdere) betalingsplicht voor FC Twente bestond. Met andere woorden: volgens de commissie is FC Twente met het aan Fontaine Beheer betaalde bedrag van € 73.290,37 de overeenkomst volledig nagekomen, van een van de overeenkomst afwijkende afspraak is niet gebleken zodat het vormvoorschrift van schriftelijke vastlegging in artikel 4.5 niet aan de orde is: als er geen afwijking is, is er ook niets om schriftelijk vast te leggen. De commissie hoefde dus op het beroep op artikel 4.5 niet in te gaan. Voor een inhoudelijke beoordeling van de wijze waarop de commissie de stellingen van partijen en de investeringsovereenkomst heeft uitgelegd, wat daarvan ook zij, is in deze procedure geen plaats. Zoals hiervoor al overwogen mag de vernietigingsprocedure immers niet worden gebruikt als een verkapt hoger beroep.

Heeft de commissie haar beslissing onvoldoende met redenen omkleed?

3.9

Vernietiging op de grond dat de beslissing onvoldoende met redenen is omkleed, is slechts mogelijk wanneer de motivering ontbreekt en niet in gevallen van ondeugdelijke motivering. Het ontbreken van een motivering moet op één lijn worden gesteld met het geval waarin weliswaar een motivering is gegeven, maar daarin niet enige steekhoudende verklaring voor de beslissing valt te onderkennen.2 Dat is hier niet het geval. De commissie heeft in haar vonnis uiteengezet waarom zij tot de beslissing komt dat FC Twente aan haar verplichtingen uit de investeringsovereenkomst heeft voldaan. Dat is niet een motivering waarin niet enige steekhoudende verklaring valt te onderkennen. En hoewel er inhoudelijk bij die motivering wellicht enige vraagtekens zijn te plaatsen, kan dat niet leiden tot de conclusie dat de beslissing niet met redenen is omkleed. Het hof herhaalt dat de vernietigingsprocedure geen verkapt hoger beroep mag zijn en dat het dus niet gaat om wat het hof zou hebben beslist.

Is het vonnis of de wijze waarop het tot stand kwam in strijd met de openbare orde?

3.10

Fontaine Beheer heeft deze grond in de dagvaarding gesteld, maar niet met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd, zodat deze grond moet worden verworpen.

Bewijsaanbod

3.11

Fontaine Beheer heeft geen andere concrete feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. Het bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd.

4 De slotsom

4.1

Fontaine Beheer wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom de proceskosten van FC Twente moeten dragen. Het hof zal Fontaine in die kosten veroordelen.

4.2

De proceskosten aan de kant van FC Twente bedragen:

- griffierecht € 726

- salaris advocaat € 1.086 (2 punten x tarief II eerste aanleg)

5 De beslissing

Het hof,

wijst de vordering tot vernietiging en terugverwijzing af,

veroordeelt Fontaine Beheer in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de kant van FC Twente begroot op € 726 voor verschotten en op € 1.086 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief,

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, S.M. Evers en D.M.I. De Waele, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.

1 HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9395 en HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AK8380

2 HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AK8380