Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2020:7799

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
200.228.865
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit koppel koeien, BVD infectie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.228.865

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, 5434008)

arrest van 29 september 2020

in de zaak van

1. de maatschap

Maatschap [appellant1],

gevestigd te Hengelo,

2. [appellant2],

wonende te [A] ,

3. [appellant3],

wonende te [A] ,

4. [appellante4],

wonende te [A] ,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

hierna: [appellant1] (vrouwelijk enkelvoud),

advocaat: mr. R.F.A. Rorink,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Veehandel Kuenen B.V. tevens h.o.d.n. Kuenen veehandel B.V.,

gevestigd te Zelhem,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

hierna: Kuenen,

advocaat: mr. H. Versluis.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 maart 2019 hier over. In dit tussenarrest is een meervoudige zitting bepaald.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- de stukken die [appellant1] voorafgaand aan de zitting aan het hof heeft gestuurd;

- de correspondentie tussen het hof en partijen dat de geplande zitting op 22 april 2020 vanwege COVID-19 geen doorgang kan vinden;
- de schriftelijke pleidooien.

1.2

Vervolgens hebben partijen (aanvullend) de procesdossiers opgestuurd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De beoordeling van het hoger beroep

Samenvatting en beslissing

2.1

Kuenen heeft aan [appellant1] 33 koeien voor een bedrag van € 45.911,25 verkocht die op 30 september 2015 zijn geleverd. [appellant1] heeft kort na de levering geklaagd over twee koeien. Partijen zijn toen een korting van € 1.000 overeengekomen. Nadat [appellant1] zijn melkgeld binnen had, heeft zij op 11 november 2015 € 25.000 aan Kuenen betaald. Omdat [appellant1] de rest niet betaalde, is Kuenen aanmaningen gaan versturen. In antwoord daarop heeft [appellant1] in ieder geval in juni 2016 geschreven dat zij niet tevreden was over de koeien. Ze kwamen niet van één bedrijf en waren niet allemaal 2e of 3e kalfskoeien bij de levering. Kuenen vond niet dat zij tekortgeschoten was. Daarna is namens [appellant1] geschreven dat de koeien te oud waren en dat koeien afgevoerd moesten worden vanwege een BVD-infectie. Zij heeft de koopovereenkomst ontbonden.

2.2

Kuenen heeft bij de kantonrechter de betaling van het restant van de koopsom gevorderd (bijna € 20.000). [appellant1] heeft een tegenvordering ingesteld omdat de koeien niet waren wat zij ervan mocht verwachten (zij waren non-conform). De kantonrechter heeft de vordering van Kuenen toegewezen en die van [appellant1] afgewezen. [appellant1] is veroordeeld in de proceskosten.

2.3

Het hof is het eens met de kantonrechter. Dit betekent dat het hoger beroep niets verandert aan het vonnis van de kantonrechter en [appellant1] de rest van de koopsom moet betalen. Zij heeft geen recht op ontbinding en schadevergoeding. Het hof legt dat hierna uit.

2.4

De vordering van Kuenen is erop gebaseerd dat [appellant1] het restant van de koopsom niet heeft betaald. Dat is zo, dus dat hoeft niet bewezen te worden. De vordering van [appellant1] is erop gebaseerd dat de koeien gebrekkig waren en niet voldeden aan wat zij mocht verwachten. Dat en wat partijen meer of anders hebben afgesproken dan Kuenen erkent, moet [appellant1] voldoende concreet stellen. Ook moet zij voldoende concreet stellen dat de koeien bij de levering gebrekkig waren. Als Kuenen een en ander betwist, moet [appellant1] haar stellingen bewijzen.

2.5

De kantonrechter heeft de vordering van [appellant1] afgewezen omdat [appellant1] onvoldoende had aangevoerd voor zijn stelling dat de koeien afweken van de gemaakte afspraken. Het hof is het eens met de kantonrechter.

2.6

[appellant1] heeft voorafgaand aan de levering een stallijst ontvangen waarop, dat heeft [appellant1] niet (voldoende) weersproken, de leeftijd van de koeien staat en dat zij melkgevend waren. Zij heeft geen opmerkingen gemaakt en de koeien ontvangen. Zij kan dan niet maanden later klagen dat er oude koeien tussen zaten en dat koeien drachtig waren. Drachtige koeien zijn bovendien het grootste deel van de drachtige periode melkgevend. Welke koeien drachtig waren, hoe ver en hoeveel heeft zij verder niet toegelicht. Op basis van de lijst en de afspraak dat de koeien melkgevend moesten zijn, heeft [appellant1] dus gekregen wat zij kon verwachten.

2.7

De koeien komen van één bedrijf uit Duitsland, precies zoals in de advertentie van Kuenen stond. Ook op dit punt heeft [appellant1] dus ontvangen wat ze mocht verwachten. Dat de koppel in het Duitse bedrijf vroeger is samengesteld uit koeien van drie andere bedrijven levert niet zomaar non-conformiteit op. Daarvoor heeft [appellant1] veel te weinig aangevoerd.

2.8

De belangrijkste klacht van [appellant1] over de koeien is dat zij bij levering besmet waren met BVD. Zij zegt dat op het bedrijf in oktober 2015 sporen van BVD zijn aangetroffen. BVD (boviene virale diarree) is een virale infectie die koeien ziek kan maken. Kalfjes van met BVD-geïnfecteerde koeien blijven levenslang BVD-drager van het virus en ook besmettelijk. Als er geen BVD-dragers in de koppel zijn, kan een infectie spontaan (acuut) optreden. Als een koe dan besmet raakt, is de incubatieperiode 7 tot 14 dagen. Tijdens de ziekte is de koe besmettelijk. Daarna heeft de koe antistoffen die het voor de rest van haar leven tegen BVD beschermt.

2.9

Het hof vindt dat [appellant1] te weinig heeft gesteld over de BVD infectie en vooral dat de gekochte koeien bij de levering al geïnfecteerd waren. Kuenen heeft dat ook gemotiveerd betwist. Kuenen heeft aangevoerd dat zij alle gebruikelijke gezondheidschecks heeft gedaan die bij de export van koeien vanuit Duitsland naar Nederland nodig zijn. Dat heeft [appellant1] niet weersproken. [appellant1] stelt wel hogere eisen, maar waarom zij recht heeft op een verdergaande gezondheidscheck van de koeien dan de gebruikelijke, heeft [appellant1] niet toegelicht.

2.10

De koeien waren geen van alle BVD-drager. De gekochte koeien kwamen verder uit een BVD-vrije deelstaat van Duitsland en zijn via BVD-vrij gebied vervoerd. De niet voldoende onderbouwde stelling van [appellant1] dat de stal van de vorige eigenaar in 2014 een BVD-besmetting had, verandert daar niets aan. Een BVD besmetting in de stal van [appellant1] kan verder op veel manieren plaatsvinden; Kuenen heeft allerlei mogelijkheden van besmetting genoemd die met de bedrijfsvoering van [appellant1] te maken hebben. Kuenen heeft ook een document van een dierenarts overgelegd1 waarin deze uitlegt: “Een voorbijkomende (acute) BVD-infectie, welke niet terug te leiden is op de aanvoer van één of enkele dragerdieren, is niet te antedateren en hiermee niet koopvernietigend. Indien er dieren worden verkocht, welke negatief zijn getest op dragerschap, heeft de verkoper aan zijn onderzoeks- en informatieplicht voldaan, en kan hem in beginsel niets verweten worden omtrent het verspreiden van BVD.” Tegenover deze concrete betwistingen, zijn de suggestieve stellingen van [appellant1] , zonder steekhoudende onderbouwing, dat het transport van de koeien de oorzaak van de besmetting zou zijn geweest, onvoldoende.

2.11

Dat de latere besmetting in de stal van [appellant1] veroorzaakt is door de gekochte koeien is niet voldoende toegelicht met de verklaring van de dierenarts van [appellant1]2. De verklaring is pas op 17 juni 2016 opgesteld en veel te algemeen. [appellant1] heeft geen testresultaten van bloedmonsters of andere concrete testresultaten overgelegd waaruit blijkt dat de gekochte koeien bij de levering met BVD besmet waren. Zij stelt wel dat zich een ‘groot probleem in de stal van [appellant1] had voorgedaan door BVD met verwerpen (gestorven vroeggeboren kalveren) en tenminste zeven koeien met BVD, afkomstig uit de koppel van Kuenen’. Maar dat blijkt niet uit de producties waarnaar zij verwijst. Uit de overgelegde testresultaten van de GGD volgt dat op 10 oktober 2015 een melkmonster is getest waarin BVD is aangetroffen. Dan is er een uitslag van begin november 2015 van één ‘verwerper’ dat BVD is aangetroffen. De BVDQuickscan die daarop is gevolgd van 5 koeien – allemaal met ‘NL’ oormerk – waren negatief. Eén monster uit een melktank was positief, één negatief.3 Meer testen zijn niet in het geding gebracht. [appellant1] heeft blijkbaar niet verder getest op de gekochte, uit Duitsland afkomstige koeien nadat vastgesteld was dat er een BVD-infectie was. Dat had toch wel op haar weg gelegen als zij van plan was om Kuenen niets meer te betalen voor de koeien en schadevergoeding te vorderen.

2.12

[appellant1] heeft verder facturen van de dierenarts4 overgelegd waaruit zou moeten volgen dat haar koeien symptomen van BVD hadden. Kuenen heeft gemotiveerd aangevoerd dat het andere ziekteverschijnselen waren - kop- en of (slepende)melkziekte als gevolg van slechte mineralenbalans - waarvoor de hulp van de dierenarts is ingeroepen en medicatie is voorgeschreven. Daarop heeft [appellant1] niet meer gereageerd. Er zijn kortom tegenover de gemotiveerde betwisting van Kuenen te weinig steekhoudende feiten gesteld dat de van Kuenen gekochte koeien ten tijde van de levering besmet waren met BVD. Daarom komt het hof aan bewijslevering niet toe.

2.13

[appellant1] heeft ook geen concrete gegevens gesteld over de gevolgen van de besmetting. Die gevolgen heeft Kuenen trouwens ook al gemotiveerd betwist. Van de gestelde zes dode en acht verkochte koeien en een verminkt geboren kalf zijn in elk geval geen concrete oornummers en data genoemd, terwijl verwacht mag worden dat die gegevens in de boekhouding van [appellant1] makkelijk te vinden moeten zijn. Grief I strandt op dit alles. Dat betekent dat de vordering van [appellant1] terecht is afgewezen omdat niet kan worden aangenomen dat de koeien gebrekkig waren.

2.14

Bij deze stand van zaken is het niet nodig dat het hof de andere grieven en stellingen van [appellant1] nog beoordeelt. Die kunnen namelijk niet leiden tot een ander oordeel.

Slotsom

2.15

Het hoger beroep faalt zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant1] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten van Kuenen stelt het hof vast op € 1.952 aan griffierecht en op
€ 2.148 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II).

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Enschede (rechtbank Overijssel) van
1 augustus 2017;

veroordeelt [appellant1] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Kuenen vastgesteld op € 1.952 voor griffierecht en op € 2.148 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, S.C.P. Giesen en M. Schoemaker, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.

1 Productie 17 bij conclusie van repliek

2 Productie 3 bij conclusie van antwoord in conventie

3 Producties 23, 25 en 26 bij conclusie van repliek in reconventie

4 Productie 10 bij CvA/CvErec